Jaap Schot, 23 juni 2000

[Vanwege de lengte van dit opstel is het hieronder in delen opgesplitst.
De afzonderlijke delen zijn te openen door op het plusteken (+) te klikken, J.S.]

Terug in het jonge Verstandië; de opgaven van de propaganda

Wat zijn de opgaven waarvoor de propaganda staat en hoe veranderen die telkens wanneer de geciviliseerden weer aan het een of ander gewend zijn geraakt?
Het begint met het vervangen van de cultuurregels, de tradities – die van de beide stammen – door iets gezamenlijks.
De eerste zet is, het stellen van dat gezamenlijke, naast die cultuurtradities. En de tweede zet is, het leegmaken van die tradities.

Het stellen van het gezamenlijke naast de cultuurtradities
Die cultuurtradities werden doorgegeven in de vorm van religieuze verhalen en dito gewoonten, rituelen en kaarsjes opsteken en zo. Die tradities vormen een samengegroeid, onontwarbaar geheel. Als er wat uit gehaald wordt, gaat het kapot. Het evenwicht gaat er op diverse plaatsen uit en het zich er aan houden gaat zeer doen, ‘trekken’. Er komen bijvoorbeeld teveel plichten uitsluitend neer op dochters, als de zonen in de werkplaatsen gebruikt worden in plaats van in en om het huis bezig of minstens aanwezig te zijn. Ook wringt het feit dat er geen kinderen aanwezig zijn om op de kleintjes te passen, omdat die iets grotere kinderen nu schoolkinderen zijn.
Het hele gewone leven wordt verwrongen door die nieuwigheden. Het in vele eeuwen gegroeide evenwicht van plichten en rechten wordt verstoord. En dat terwijl die hele eenheid van alle regels nu juist heilig was, onaantastbaar. Die gebruikers doen wat niet mag volgens die tradities. Ze zondigen en toch moet er aan hun bevelen gehoorzaamd worden.

Zo komt de vijandschap tot stand tussen religie-traditie enerzijds en ‘de wereld’, de civilisatie, het gebruiken van mensen door andere mensen.

Soms roeien de Verweggiërs-van-dienst dan de priesters – Druïden – uit, dat helpt een beetje. Soms vervangen de Verweggiërs-van-dienst de hele religie: de tsaar van Rusland zond gewoon zoekers uit naar een godsdienst voor de Russen. Nou, ze kregen een mooie, dat moet gezegd worden. De vervangende priesters en de nieuwe doctrine kunnen dan passend gemaakt worden bij de bezetting en de doelen van de bezetters met de gebruiksmensen-gelovigen.

Hoe de bezetters de tradities leeg maken
Het ging erom het oude te vervangen, niet zozeer om het nieuwe in te voeren. Dat nieuwe invoeren, dat was slechts het gebruikte middel. Zolang de geleerden van een civilisatie dat weten en tot de gebruikers behoren, hebben ze er geen behoefte aan dit aan iedereen in kritische bewoordingen te laten weten. Het komt niet in hen op te gaan zitten zoeken of de oorspronkelijke geschriften wel juist vertaald en geïnterpreteerd zijn. Dat, zo zien zij in, is totaal niet ter zake, want de zaak is: het regelen van de manier waarop de gelovigen datgene opvatten dat hen, door wie hen gebruiken, wordt aangedaan.
Als er geleerden uit de Weigeraars komen, die niet meer thuis – daar moet dat gebeuren, op school onderwijst men zulk subversief weten niet – geleerd hebben waar het om gaat, kunnen van die soort maatschappelijke dwaasheden ontstaan als kritiek op zo’n ‘vertalen’. De gebruikers – in dat voorbeeld, de tsaar en zijn mensen – wisten wat ze deden toen ze invoerden. En weten echt wel wat ze doen, nu ze handhaven. Ze vergissen zich niet als ze iets onjuist, maar passend bij hun doelstellingen, vertalen. Ze hebben er overigens helemaal geen behoefte aan zich volstrekt bewust te maken wat ze aan het doen zijn. Dat hebben die latere ontdekkers van al die fouten ook niet. Allebei die groepen geleerden gaan op in hun bezigheden en ervaren hun standpunten en strevingen als vanzelfsprekend en/of inspirerend.

Iedereen gebruikt al die begrippen en verhalen voor zijn eigen doelen en niemand neemt er afstand van.

De doelen die gebruikte mensen zich kunnen stellen, vallen samen met die ‘van’ de maatschappij. Sommigen krijgen, doordat ze werkloos worden en/of klaar met werken zijn bijvoorbeeld, afstand van de maatschappij, buiten hun schuld en toedoen. Ze kunnen die afstand accepteren/nemen, en dan kunnen ze mooi beschrijven hoe dat allemaal ging en gaat. Maar dat verandert niets aan de stand en gang van zaken. De mensen die in bepaalde systemen – bepaalde civilisaties – wonen, krijgen die kritiek erop, die analyse ervan, echt niet voor hen begrijpelijk onderwezen. Bij anderen wordt dat telkens weer in onze media aangewezen: op Cuba, in Libië, in China. Zij wijzen het bij ons aan, vermoed ik.

Ruilhandel in cultuurtradities
Concreet, cultuurtradities regelden onder andere het delen van kwalitatief verschillende txaenz* door het ruilen van artefacten en prestaties. Aan afspraken als ‘ik bouw jouw kano, jij leert mijn zoon boogschieten’ moest men zich houden. Om zo aan specialisten te komen en aan vele goede maaksels, was de civilisatie niet nodig. De civilisatie maakte de extra-vaardige tot een ‘voor alle andere nodige zaken invalide, onhandige, volstrekt-ongeoefende en: onbevoegde’!
Als iemand een vak heeft geleerd, bijvoorbeeld een goed timmerman en/of een goede smid is geworden, dan voelt (want kent) hij zich als niet-onhandig, niet-onkundig. Om een goed gevoel van eigen waarde te hebben heeft hij geen minderen nodig, want hij kan die eigen waarde ontlenen aan zijn kunnen-omgaan met spul en spullen, met gereedschappen en processen zoals verhitten, spannen, enzovoorts. Het lijkt dus alsof er alleen dat kunnen-omgaan wordt toegevoegd als factor aan ’s mans txaenz, maar bij nader inzien verandert er meer: dat kennen van eigen kunnen geeft/veroorzaakt ook zoiets als ‘zekerheid’, waardoor de houding jegens anderen wordt beïnvloed.
Doordat er die factor kunnen-omgaan (met X en Y) wordt ingevoerd, verandert ’s mans txaenz van hoedanigheid: kwalitatief dus.
Doordat iemand groeit, wordt hij sterker dan hij als kind was en verandert zijn txaenz dus kwantitatief, de hoeveelheid betreffend: hij kan langer en harder werken. Later in zijn leven wordt dat allemaal weer minder.

____________________

* Eigen begrip van Jaap. Het is een afkorting van de formule “T maal A enzovoorts”. Binnen een verhaal wordt het begrip geïntroduceerd in “De schepping van de wereld en het begrijpen van txaenz”.

 

 

 

 

Van ruilhandel naar de invoering van zogenoemde werkgevers

De vernietiging van de ruilhandel door de civilisatie
Het schoolvoorbeeld maar weer: ik bouw voor jou een kano als jij voor mij cocosnoten uit de palm haalt. Nu de civilisatie er is, wordt die kanobouwer op de werf tewerkgesteld en krijgt hij geld om voor die cocosnoten te betalen, die onder leiding van de verkoper geplukt zijn door die andere, die zo goed kan klimmen. Die notenverkoper/werkgever/productieorganisator heeft zich die noten toegeëigend, zogenaamd om de eerlijke en doeltreffende verdeling ervan zeker te stellen. En zo voorts.
Aan die ruil in de cultuur komt geen derde te pas, behalve dan dat zulke afspraken openlijk gemaakt worden en het zich er aan houden door wie meeweten wordt afgedwongen, ‘sociale beheersing’ werd dat later genoemd. Er verdient geen werkdoorgever iets aan.
‘Werkgevers’ noemden ze zich, vele, vele jaren civilisatie verder, maar ze gaven alleen maar door, als ze geen koper vonden, hadden ze misgegokt. De eigenlijke werkgever is diegene die betaalt. Dat feit, dat iedere lezer van dit verhaal meteen herkent, toont aan dat we hier, bij werkgevers die voor de markt laten produceren, met gokkers te maken hebben, niet met lieden die een bijdrage leveren aan wat er gedaan moet worden voor het leven en welzijn der aanwezigen.

Het zijn puur parasitaire gokkers, verder niets.

Hoe hebben die ‘werkgevers’ zich dan wel kunnen vestigen? Antwoord:
door 1: invalide maken en gebruiken. Concreet, door school en werkplaats in te stellen. Door zich de gebouwen en machinerieën – algemeen, de productiemiddelen – toe te eigenen. Maar dat is de halve waarheid, ja minder dan dat. Het nodige voor leven en gezondheid van allen is in eigendom van weinigen en wordt door gewapenden ‘beschermd tegen “diefstal”‘.

Dat is de kern: het samen-hebben uit de culturen is vervangen door het privaatbezit in de civilisatie.

In de culturen kunnen enkelingen niet bestaan, iedereen is met vele rechten en plichten aan vele anderen gebonden, hij kan dus niet alleen-hebben/alleen-bezitten. Voor de Verweggiaanse kolonisten ontstaat voor het eerst de sociale situatie losse rechten te hebben, rechten jegens anderen jegens wie hij geen plichten heeft.
door 2: gedwongen winkelnering. Zolang de noten niet op zijn, is er niks anders te koop. Zul je zien hoe blij ze zijn als er later veel keuze is in het winkelcentrum. Dat is net als bij het schoolplichtig maken, na schooltijd zijn ze extra blij met ‘vrij hebben’, over vrij zijn zul je ze nooit meer horen. Zo werken alle dingen die aan de kleinen/jongen verboden zijn en aan de groteren worden toegestaan: ‘drank met alcohol erin’ en sigaretten kopen vanaf 16 jaar of zo.

Toestemming is dat, geen vrijheid.
Ook het spreken over ‘vrijheden’ is alleen maar een opzettelijke taalfout.
Vrijheid, vrij-zijn, heeft geen meervoud.

Voorrechten, toestemmingen en verboden, die hebben ze er veel in de civilisatie, daar past in het bespreken het meervoud. Een niet-uitgevaardigd verbod noemt men dan een vrijheid, belachelijk.
De werkgevers vestigden zich, zonder dat er behoefte aan – of, plaats voor – hen was, door het vernietigen van de bovengenoemde txaenzruil in de culturen. Met de deeltijd-gevangenissen ‘school’ en ‘werkplaats’ als breekijzer wurmden ze zich ertussen. Dat alles is totaal onbegrijpelijk voor wie zich niet toestaat de gewapenden op de achtergrond te zien. Nog achter de politie, pas in het uiterste geval en na lange gerechtelijke procedures, komt de marechaussee met karabijnen. Maar ze komen, de civilisatie berust er op: alle macht komt uit de loop van een geweer, ALLE.

 

Beide culturen leeggemaakt
Zo werden beide culturen ‘leeg van het economische’ gemaakt
De winnende cultuur werd een ‘leisure class’.
De verliezende cultuur werd beroofd van producten (die werden loon) en van productiemiddelen (die werden bezit van de kolonisten).
Er gingen geen spul en spullen meer in om, maar alleen diensten, die geen ‘diensten’ heetten binnen de culturen, maar slechts in ‘het economisch taalgebruik’. De culturen hielden als inhoud vooral gevoelds over, vooral veel zorgplichten en wel voor de vrouwen: in plaats van, of naast, het gebruikt-worden in de civilisatie. De rechten en plichten van de oude – oorspronkelijke, van voor de civilisatie zijnde – culturen worden niet als een geheel door de civilisatie/de staat afgedwongen/beschermd/gehandhaafd. Niet als een geheel, slechts in flarden, toevallige flarden.

Dat leegmaken van die culturen gebeurde

  • door die onbemiddelde, onmiddellijke, werk-opdracht-door-gever-loze ruil en dergelijke niet meer door de kinderen te laten aanleren, en
  • door die voor de volwassenen onmogelijk te maken door (gewapende) txaenzroof.

Hoezo, gewapende txaenzroof? Wel, hoe ze er toe kwamen de ene helft van de bevolking – de Verweggiaanse kolonisten namelijk – bewapend te houden en de andere – de Weigeraars – niet, zagen we reeds. De propaganda – de uitgeschreven bedoelingen van de goede bedoelers, thuisgebleven in Verweggië – leerde dat dat verschil als tijdelijk bedoeld was, en dat de dwang alleen zou worden toegepast om de nodige gedragsveranderingen uit te laten vinden, te initiëren, te implementeren en gewoon te leren vinden.

Als eenmaal

  1. dat peil van vaardigheden, en
  2. de bereidheid om die toe te passen

bereikt zou zijn, waarbij de gezamenlijkheid der geciviliseerden kon leven van de verminderde natuurlijke hulpbronnen, dan zou er een eind aan het dwingen komen. Maar, aanvankelijk moesten de Weigeraars wel gedwongen en de Verweggiërs geïnspireerd worden om ‘baas en personeel’-tje te spelen.
Nou, als je een spel maar lang genoeg speelt, vergeet je het illusie-karakter ervan. Daar berust de hele vanzelfsprekendheid van tradities en wetgevingen/regelingen op.

Private en traditionele besteding eigen txaenz
Terug in de geschiedenis, we maakten een te snelle sprong, toen we het over de werkgevers kregen.
In de culturen waren alle ingezetenen – zonder erg!, onbewust, zonder de obsessie die dat later in de tijd van het emanciperen zou worden – privaat eigenaar van hun eigen txaenz, voor zover het gebruiken daarvan niet traditioneel geregeld was. Er was – in de bedachte ideale culturen, waarover ik het steeds heb – niet méér geregeld dan strikt nodig was om in alle behoeften te voorzien. Schijnbaar onnodige dingen schenen slechts onnodig voor wie niet konden inzien dat er een overschot aan txaenz was dat gevuld – verdaan, verkwist – moest worden door de gezamenlijkheid omdat de enkelingen niet allemaal inventief en snugger genoeg zijn om onschadelijke bezigheden zelf te verzinnen.
Ik heb wel eens ergens gelezen dat er culturen waren waar de intrede van de jongens in de mannengemeenschap gevierd werd met een bewijs dat die jongere was overgeleverd aan de gezamenlijkheid en dus niet moest gaan proberen te gaan heersen. Besnijdenis bijvoorbeeld kan een goed middel zijn om iedereen te voorzien van het bewijs dat de anderen ook meer hadden kunnen wegsnijden en dat ze dus welgezind waren.
Heel veel ongewenst gedrag kan ook voorkomen worden door het ‘op het idee ervan komen’ te voorkomen. Dat doet men in de culturen door het centraal/traditioneel besteden van de txaenz die overschiet als de mensen met het nodige en het geregelde klaar zijn. Alle culturen zijn te betrappen op uitgebreide feesten en op het zich uitdossen – sowieso, dagelijks en soms daarvoor, voor die feesten. Daarbij vergeleken zijn de ‘feesten’ van onze civilisatie duidelijke getuigenissen van diepe armoe. In plaats van mee te kunnen doen aan het in elkaar zetten van bijvoorbeeld praalwagens met duizenden bloemen enzovoorts gaat de massa der ‘feestende’ gevangenen in onze civilisatie naar gelegenheden die om den brode door weinigen zijn ‘aangekleed’ en ‘georganiseerd’. Daar staan ieder weekend tienduizenden stuks ‘jongere’ zich te bewegen, punt. Wat vroeger de beer deed die had leren dansen – op iedere dreun een beweging maken – , doet nu de bloem van de jeugd. Vooruitgang: dat met die beren was en is een schande. Slechts wie er niet voor terugdeinst deze (ex-)kinderen ook als te beschermen dieren op te vatten, zal deze namaakfeesten verwerpen. Maar wie doet dat nou? Wie start er overigens eindelijk eens een campagne ‘XTC voor dansende beren’?

Uit dat voorbeeld van dat bloemencorso, reclame voor de bedrijfstak ‘bloemenkwekerij’, blijkt dat er wel degelijk leuke dingen te verzinnen zijn gebleken. Cultuurachtige tradities worden er talrijke gehandhaafd – carnavals in Zuid-Amerika – en velen hebben daar plezier in. Ettelijke procenten van de ‘vrije’ txaenz stromen door deze beddingen. De rest van de mensen moet van straat gehouden worden. Zo heette dat in de culturen nog niet, bij afwezigheid van straten, maar het probleem was hetzelfde.

Het overtreffen bij wedstrijdsport gaat nergens over

Overtollige txaenz
Ik las ergens

  • dat in die erg vroege civilisatie, de farao’s die piramidebouw als wedstrijden georganiseerd hadden – er stonden volgens dat verhaal scores van dorpen, in aantallen stenen, genoteerd op de muren – en
  • dat de eraan bestede txaenz ook daar die was, waarmee er aan de landbouw en dergelijke niets gedaan kon worden.

Ook als de Nijl over haar oevers stroomde, moest het volk worden beziggehouden. Daartoe is een grote hoeveelheid ‘laag-technisch’ werk nodig om al die kwalitatief lage txaenz constructief te kunnen inzetten. De Romeinen lieten, zo gaat het verhaal, het volk toeschouwen bij spelen en hun bouwen was geen inzetten in wedstrijdvorm van overtollige txaenz.
Er is een tijd – zo volgt logisch in ons verzonnen verhaal over Verstandië – helemaal vooraan in het bestaan van die civilisatie, waarin er nog uitvindingen nodig zijn en er nog geen probleem is met de overblijvende – “vrije” – tijd. Wie zijn opdrachten heeft uitgevoerd, is in die fase nog aan cultuurbezigheden en aan rusten toe. Maar het is wonderbaarlijk hoe snel die tijd voorbij is, die tijd van pioniers, die tijd waarin de gebruikers nog niet weten – qua HOE’s – wat ze zouden moeten bevelen. Het is de tijd dat er nog naar middelen gezocht wordt en nog niet naar doelen. De doelen zijn nog gegeven, door de noodzaken. Er worden nog geen doelen gesteld, ze staan er al, gegeven en wel.
De onspecifieke bevelen waren er al wel: overtref jezelf en elkaar, bewonder ons in alles, in uiterlijk en in gedrag, benijd ons en begeer te hebben en te doen als wij.

“OVERTREF” was het eerste onspecifieke bevel
Aanvankelijk was het een oproep tot ‘constructieve ontevredenheid’, later sleet dat constructieve er van af. Overtref technisch, inventief en in ijver anderen en je vroegere zelf. De wedstrijdsport was voor dit bevel het onderwijsmiddel om het vanzelfsprekend te leren vinden. In teamsporten werd het samenwerken voorgeleefd. De sporten waren zo geschikt, omdat er geen enkele gedachte kon afglijden naar hetgeen dit geijver zou kunnen voorzien van een reden. Sport gaat nergens over. Er wordt niets aangemaakt, niets gepresteerd. Er zit geen enkele constructieve kant aan en alle offers aan txaenz en aan gezondheid (blessures) die worden gebracht zijn zinloos. De miljoenen toeschouwers leren daar volstrekt niets om te geven, dat volkomen normaal, gewoon, ja, positief te vinden. Zodra voorzien zal zijn in het nodige, moet het ijveren voortgaan zonder dat er nog iemand naar een reden, een ‘zin’ vraagt. Dat is het wat sport inhoudt, als onderwijs voor de massa’s. Veel emotie, geen gedachten, geen flauw vermoeden van wat ze leren, waar ze me bezig zijn en waar hun gebruikers mee bezig zijn.

Ze voelen zich al ‘maatschappijkritisch’ als ze opmerken dat sport een industrie is als elke andere en “dat het allemaal om het geld gaat”.

Veel solitaire spelen, zoals bijvoorbeeld ‘Mastermind’, kruiswoordpuzzles en FreeCell onderwijzen dat zinloze ijveren ook. Dat oplossen van problemen, zonder enige belangstelling voor wat het probleem was en wat de oplossing. Geen van beide wordt onthouden als het oplossen gedaan is. De lol/vreugde wordt aan het slagen beleefd. Daar is zelfs het overtreffen, het zich minderen aanschaffen – c.q. het niet voor de ander onderdoen – weggehaald. Het is niet meer constructief en niet meer competitief. Het is net als gymnastiek: zomaar; functionerend toppresteren. Er wordt wel een verhaal bij aangemaakt: het is zo gezond voor het erbij gebruikte orgaan, hersengymnastiek.

Geen boze opzet achter het bezighouden van de massa
Achter deze ontwikkeling dat de massa der geciviliseerde mensen met toeschouwen en berendansen beziggehouden wordt, zit natuurlijk ook weer niet een (boze) opzet. Niet in mijn verhaal. Waar komt toch de wens vandaan om een verhaal te hebben waarin die (boze) opzet er wel is? Als iemand blij is met een verschijnsel en het toejuicht en hoopt dat het voortduurt en daarvoor ijvert, dan wil dat nog niet zeggen dat hij dat verschijnsel bedacht en nastreefde. Zo slim en kundig is vrijwel niemand. Men treft sociale verschijnselen en verhoudingen aan, zoals een aap bananenstruiken aantreft. Natuurlijk is dat beest blij en eet hij.
Mensen die, zoals EO-ers, in een – almachtige, van alles wat gebeurt de dader zijnde – God geloven, die hebben voor wat hen schaadt een boze dader nodig. De zondige kwade vrije wil in de mensen en/of de Duivel die door hen heen werkt (= veroorzaakt).
Het Verstandiaanse onderwijsprogramma van de Goede Bedoelers – “Allen onderwijzen alles aan allen en dat niet om niet. Wie kan wordt daarvoor, voor dat kunnen, betaald” – dat tegelijk met de sport werd ingevoerd, liep leeg en dood zodra dat – eerste – deel van de technische en wetenschappelijke ontwikkeling afliep. Het deel waarin men – zonder te beschikken over budgetten en reusachtige, ja megalomane apparatuur – zich en zijn omgeving kon bestuderen, die kon leren kennen – dat is, zintuiglijk gegeven (“primaire”) verschijnselen kon leren herkennen.

Melden en geloven
Melden en geloven
Wat de wetenschap tegenwoordig te melden heeft, is – behalve voor zeer weinige collega’s van wie melden – even oncontroleerbaar als de openbaringen van de profeten en zieners en als die juffrouw boven die dampen in die grot, die orakelde. De onverstaanbaarheid is even groot, maar – en dat is nieuw – wij weten het: geloven is onzinnig, en betwijfelen ook. Er was en is maar één enkele juiste reactie: “ik ken dit niet, punt”. “Het gaat langs mij heen, zo men wil over mij heen. Ik heb er geen deel aan.” “Wat ik niet ken, kan ik niet melden. Van wat ik niet ken, laat ik beter het melden over aan wie het wel kent.”
Maar vroeger en nu dringen de mensen er bij elkaar op aan te doen alsof ‘wij’ dat weten. Ze dringen bij elkaar aan op geloven: op het vormen van een geloofsgemeenschap. De culturen leverden een gemeenschap, waren het, zo men het zo wil zeggen. Een cultuur was een taalgemeenschap, dat wil zeggen een gemeenschap qua begrippenapparatuur (en dus opvattingsgewoonten) en qua benoemingsgewoonten (woord-begrip-combinaties)(en dus besprekingsgewoonten). Wat de leden van de stam inviel, kenmerkte de stam meer dan het dat de individuele leden deed. Typische invallen en typische reacties typeerden de stamleden.
De civilisatie voorzag in die behoefte aan een geloofsgemeenschap met een (civilisatie)religie en een rechtsstelsel, die gezamenlijk de stand en gang van zaken binnen de civilisatie onderbouwden, met een grotendeels overlappende verzameling begrippen en woorden. De heilige boeken staan vol met recht-spraak en de rechters halen de god erbij om angst om te liegen op te wekken. SCHULD is het centrale begrip. Daartoe iedereen een vrije wil en iedereen een losse enkeling – geen verantwoordelijk stellen van de familie voor de misdadigers die zij opvoedden. Overigens, “geen wet, geen schuld”, zo stellen de juristen. Geen bezit, geen diefstal.
En toch: geloven is volstrekt zinloos, dom, tegen alle verstand en alle zelfstandigheid in.

Iedereen kent dat feit.
Want: men kan het, bij wie in andere doctrines geloven, foutloos aanwijzen.

Maar, geloven wordt beloond met de schijn van grootheid, de gelovige mag meedoen. “Wij hebben de atoombom” en dergelijke mag hij zeggen, wij zijn machtig, wij hebben het juiste geloof. Dat is aantrekkelijk, blijkbaar. Dat woord ‘wij’ suggereert een gemeenschap. En als het voor deze of gene niet aantrekkelijk is, moet hij dat wel stil houden. Want als hij als kind tot een gelovige gemaakt is – gedoopt of zo, dan is hij als hij ophoudt te geloven, een renegaat. En die moeten worden doodgemaakt, zo leert – van die ene civilisatiereligie – het heilige boek. En die lui van die andere civilisatiereligie, met dat andere bekende heilige boek, waren ook al erg onaardig tegen hun wederdopers en andere ‘ketters’.

Verhalen en schouwspelen als propaganda

De propagandisten voeren, om de civilisatie ‘er in te rammen’, in:

A. verhalen:

  1. verzamelingen verzinsels die alleen als interpreteergereedschap te gebruiken zijn.
    Schoolvoorbeeld: wie nu lijdt, veroorzaakte dat lijden in een vorig leven zelf, het is goed voor hem, leerzaam.
    Ander voorbeeld: een almachtige als enige bezige goede god is het, die alles wat jou overkomt wil: hij zegent je als je kunt genieten en beproeft je als het je slecht gaat.
    Beide verhalen dekken alle ellende en vreugde en houden de gelovigen af van het zoeken van oorzaken in ‘het systeem’ en/of bij de gebruikers – van mensen – die hun tijdgenoten zijn.
  2. begrippensystemen en daardoor opvattingsgewoonten ten aanzien van verschijnselen.
    Een fraai voorbeeld is het gebruik van de regenboog in de bijbel: daar wordt dat – volgens ons nu, natuurverschijnsel – beschreven als een teken van god. Zoals de wegwijzers tekens zijn van het ANWB of de verkeersborden van de politie of gemeente: geplaatst en met een verwijzende betekenis, een bericht zonder woorden.
  3. Er zijn mooiere voorbeelden, die vind ik nog wel (terug).

B. schouwspelen:

  1. jacht door ‘edelen’ – intimiderende openlijke lustmoord, op dieren, met name op niet-vee!
  2. ketterverbrandingen en openbare “terecht”stellingen en straffen: mishandelingen met een smoes in juridische termen en verzinsels zoals ‘schuld’ en ‘het vrije willen’.
  3. sportmanifestaties.
  4. religieuze bezigheden waaraan deel te nemen – minstens als toeschouwer en bidder – plicht is.
  5. afleiding, amusement, tijdverdrijf zonder inhoud.
  6. en zo voorts.

Wat de toeschouwer waarneemt, kent hij en dat zet zich vast in zijn geheugen. Dat vastzetten doet de toeschouwer niet, het overkomt hem en wel als exemplaar van zijn soort en niet als door zijn toevallige ervaringen gevormde persoon. Het gebeurt biologisch en is niet af te leren. Net zoiets als spijsverteren en immuniteit opbouwen.
Dat een mens dingen opmerkt waar hij van schrikt en zelfs van in de war raakt, is wellicht hiervoor een bewijs. Opvallen doet dat daar en zich vastzetten – als onderwerp voor nachtmerries, bijvoorbeeld – doen ‘de gevolgen in mij’ van ‘dat opvallende daar’. Ik persoonlijk – ik, als persoon – kan dat niet voorkomen of beïnvloeden. Ik schrik eerst van die moorden op die wilde dieren en en die ‘vijanden’ en dan moet ik mij vertellen dat ik als – voor hen – bruikbaar, gehoorzaam, nuttig, willig mens geen gevaar loop tussen en bij die jagers/militairen.

Leren gebeurt chemisch, toeschouwers hebben een vals bewustzijn

Leren en vals bewustzijn
Wie een virusbesmetting oploopt, leert met zijn lever. Na het ‘beter worden’ kan de ex-patiënt dat virus herkennen: hij heeft het leren kennen. Dat alles gebeurt – zo vertelt men, ik kan niets van deze zaken controleren, ik geloof noch betwijfel het – chemisch, volstrekt onbewust, er komt geen kennen van die processen aan te pas. Ook het leren kennen met de hersens gebeurt, en wel ook chemisch en ook zonder dat hetgeen ervan begrepen en bij gedacht wordt, er enige invloed op heeft.

Hoe de toeschouwer hetgeen hij ziet interpreteert, is voor zijn ‘kennis opdoen’ als exemplaar van zijn soort totaal zonder gevolgen.

Dit is een mooi voorbeeld van een stelling. Men zou dit kunnen onderzoeken, wellicht. Ik hou het er op dat het zo werkt, dat toeschouwers een vals bewustzijn hebben. Ik bedoel, dat ze iets ‘denken’ bij – met andere woorden, begrijpen van en zeggen bij – wat ze zien dat er niet bij past en dat niet past bij wat ze als exemplaar van hun soort opmerken, kennen en beleven (zie Canetti – ‘Massa en Macht’).
Schoolvoorbeeld. Ik was ooit met een schoolreis van de Universiteit in Parijs en georganiseerd bezochten wij zo’n revue à la Moulin Rouge. Een toneel vol speciaal uitgezochte halfnaakte jonge vrouwen. Oké, zegt mijn exemplaar van de soort zijn, tot op dat feit dat er steeds die afstand blijft. Dat is één. Daarnaast had ik er hetzelfde gevoel als in een restaurant met obers: ik haat dat. Die mensen – obers, revuevrouwen – willen helemaal niet doen wat ze doen, ze worden gebruikt en ik heb niet de keus na te laten daar als gebruiker te zijn, hen te gebruiken. Door het systeem zijn ze zelfs gesteld op het feit dat ze ‘een baan’ hebben. Maar geef ze voldoende geld en ze zullen het nooit meer doen.
Dit in tegenstelling tot die andere categorie toneelvullers, die – zoals bijvoorbeeld popkunstenaars en topsporters – doorgaan, ook als ze financieel al lang helemaal binnen zijn.
Als ik dat tot mij door laat dringen, vind ik er ineens geen lol meer aan. Als het niet anders kan, dan liever niet. Ik vind het vervelend in die rol van direct gebruiker te worden geplaatst. Ik heb er een hekel aan opdrachten te geven, te bestellen, iemand iets voor me te laten doen. Ik wil geen minderen en geen meerderen, ik wil niet in dat systeem.Ik wil niet bevelen en niet gehoorzamen.

Ik vermoed dat iedere toeschouwer dat feit dat hij voor ogen heeft, kent. Ik denk dat die stelling aanvaardbaar zou zijn als ik ze liet slaan op de toeschouwers in de amfitheaters van het oude Rome. Dan is de afstand groot genoeg. Zo’n Romeinse toeschouwer kent het feit dat daar wordt geïntimideerd. Iedereen op de keizer na, dus hij – die toeschouwer in kwestie – ook. Maar om nu ‘ons’ zelf ervan te betichten

  1. te kennen wat er gebeurt, en dan
  2. verkeerd daarover te denken (exacter, dat nu verkeerd te begrijpen en te bespreken),

dat gaat wel wat ver. En toch…

Het jachttableau
Als de houders van de jachtvergunningen – lees: de met het jachtgenot bevoorrechten, die met een hoge rang, gebruikers – de gedode exemplaren niet-vee naast elkaar neerleggen en zich ermee vertonen, dan kent iedereen die dat ziet, het feit dat zij wapens hebben, waarmee grote dieren – zoals ook de toeschouwer er één is – gedood kunnen worden en dat die jagers niet aarzelen om te doden en dat doen zonder noodzaak. Doden met noodzaak, dat doen de roofdieren.
Terzijde, de naam alleen al. Er was niets te roven, zolang er niet toegeëigend was en dat gebeurde wellicht door spinnen en door jawel, roofdieren. Zij doden om te eten en eten om te leven en leven doen ze net als wij, stuk voor stuk, soort voor soort, zonder enige – bekende – reden. Niet aldus de jagende geciviliseerden. Dat zijn altijd gebruikers, die anderen zijn stropers – zijn, want heten in juristentermen zo.
Het jachttableau is een toonbeeld van bevoorrechting, lustmoord en intimidatie. Ik kan mij niet voorstellen dat dat aan het onbewuste van de toeschouwer ontgaat. Freud en de zijnen hebben uitdrukkelijk gezegd dat zij ooit opmerkten dat menig toeschouwer zijn kennis onbewust hield en niet begreep waar hij zo bang voor was. Nu ja, in Freuds tijd daar in Oostenrijk had men vaak ‘concentratiekamp thuis’, als Pa weer woedde, oftewel zijn hogere rang ten opzichte van de rest der aanwezigen door mishandelen tot uiting bracht. Het was dus geen wonder dat zulke angst te vinden was, die los was gebleven van elke bespreking, elke bewustmaking en doordenking.

Geloven, mishandelen en bijeenleven in civilisaties

Ik schreef civilisatie-godsdiensten duidend op die civilisatie-religies waarin een god voorkomt. Christendom en Islam. Over Islam weet ik vrijwel niets. In de Koran staat hoe rechtspreken moet en dus zal daar ook wel een juridisch begrippensysteem – schuld en vrije wil en zo – in en achter en onder zitten. In de Christelijke doctrines zitten die juridische begrippen in ieder geval zeer overvloedig. De teksten in de bijbel staan stijf van geboden en verboden en van de toorn en de genade en al die andere heersersattributen van de god die – LET WEL: het godsbeeld, dat – hoort bij de opstartende en jonge civilisaties. Pas ver in het nieuwe testament vinden we de bankiergod die geld (talenten waren toen wat nu dollars en euro’s zijn) uitleende aan knechten opdat zij daarmee voor hem – en henzelf, vooruit – winst zouden maken.

Zijn wie in geen enkele religieuze doctrine geloven, nu vrij?
Ik bedoel, psychisch vrij. Vrij om wat ze kennen ook – AAN ZICH EN ANDEREN, door het te begrijpen en te bespreken zonder te vertekenen – bewust te maken, omdat het niet langer overweldigend bedreigend is.
Kijk dat ze fysiek niet vrij zijn – dat ‘het systeem’ ervoor zorgt dat ze elkaar van opzij dwingen om mee te doen aan dat waar allen aan bezig zijn: rangschikken – dat is voor iedereen ter kennisname aanwezig en gegeven.
Nee, we zien als dier (= als individu, = als exemplaar van de soort) veel meer dan we als persoon begrijpen, benoemen, verwoorden, bespreken. De taal, de begrippenapparatuur daarvoor ligt wel in voorraad, meestal, maar niet voor het grijpen. We dromen het verschil (de rest, het onbesproken geblevene) meestal, soms als nachtmerrie.

Ons begrijpen en benoemen, dekt maar een deel van ons waarnemen.

Ons kunnen ingrijpen dekt slechts een zeer klein deel van ons biologisch bestaan/functioneren: de medische wetenschap kan nog een heel eind vooruit voordat ze klaar is.
Het lijkt wel alsof die angst een blijvertje blijkt en nu een bedreiging zoekt. De Joodse spijswetten – om maar een voorbeeld te noemen – waren misschien wel minder omvangrijk, dwingend en beangstigend, dan de massa verhalen die over ons heen uit de media stroomt over gif en allergie en genetische manipulatie. Die angst heeft – het is maar een vermoeden – als oorzaak de dreiging vanuit de rangschikking, uitgeworpen te worden, voor iedereen onder te doen, geen minderen meer te hebben en dus geen plaats. En omdat daar de aandacht niet op gericht mag worden, vormt die voeding een welkome afleiding, een alternatieve dreiging, als opvolger van bijvoorbeeld de atoomoorlog.

De rol van mishandelen in civilisaties
Zo’n civilisatie, zo’n systeem van koop en verkoop, van bezit en dat is: van bevoorrechting (= achterstelling, maar dan van de anderen) is niet te hebben zonder dreiging met lijfelijk geweld, met mishandeling die ‘straf’ genoemd wordt, omdat er niet zonder verhaal en zonder waarschuwing vooraf wordt mishandeld. Zonder geloof in de geldigheid van die overwinning – ooit, van de Verweggiërs op de Weigeraars – moet er telkens opnieuw mishandeld/verslagen worden, generatie na generatie. De vaders deden dat thuis en daarom zong men in de Kerk “Sla mij met mededogen, gelijk een vader doet.” Dat snapte ik als vadervrij kind nooit en daarom onthield ik het zo helder. Dat zou ik later nog wel eens snappen, net als die duizend andere – nooit verklaarde – dingen.
Alleen wie door mishandeling gezien en/of ondergaan te hebben, geïntimideerd – te bedreigen gemaakt – zijn, zijn geciviliseerd, aangepast, wetsgetrouwe burgers. De hele zaak berust op angst. Dat klinkt, en is, onaangenaam en daarom was menigeen ook geneigd om aan te nemen dat ‘de conducteur van de tram kon’, dat het links en/of rechts, her en/of der zonder dreiging kon. Nou niet dus.
Waar mishandeld/gestraft wordt, zijn twee reacties mogelijk. De mishandelde wijst de mishandeling af als zodanig, of slechts voor zichzelf. Die laatste reactie is die van de doorgankelijke, die gaat op zijn beurt mishandelen. Als hij wacht tot hij macht heeft blijft hij legaal, als hij daar niet op wacht, wordt hij ‘crimineel’. Slaat hij andermans kind dan zit hij fout, slaat hij eigen kind, dan is hij streng en aangepast – en aanpassend – bezig.
Het lijkt erg goed om het mishandelen na te laten en dat is het ook. Het is alleen maar niet kosteloos.

Het systeem van bezitten, berust op dreigen met mishandelen.
Het bezit wordt aan het gebruikt-worden door anderen onttrokken en onthouden.
Ook als die anderen het bezit in kwestie nodig hebben.

In ons land loopt – en in de paleizen van de Lodewijken liep – het zo’n vaart niet, daar hongerde niemand zomaar dood. Maar anders ligt dat buiten de ontwikkelde gebieden, daar waar het mishandelen – in dit geval, het laten hongeren als voorbeeld voor anderen die eventueel werk zouden weigeren, kunstjes niet zouden doen ‘voor de kost’, op bevel van de bezitter – plaatsvindt en openbaar moet zijn, want een mededeling is. Wat binnen de grenzen – de muren – niet plaats vindt, kan onbesproken blijven, als de stroom nieuw bezit naar binnen toe maar doorgaat.

Van samenleven in culturen naar bijeenleven in civilisaties
De mensen zijn de culturen en de civilisaties binnengegaan zoals vissen een fuik. De weg terug is versperd. Niet alleen is er geen ongerepte natuur meer om paradijsje in te spelen, maar we kunnen ook niet terug naar de samenleving, zoals elke cultuur aanvankelijk terecht genoemd kon worden. De civilisaties daarentegen droegen nooit terecht die naam. Niemand zou op het idee komen dat wat die 22 bezige voetballers op het veld doen ‘met elkaar samen spelen’ te noemen. Zo heet dat niet, het heeft geen naam, dat bijeen en tegen elkaar bezig zijn. Het is ‘geavanceerd civilisatietje’ spelen. In IETSen – in dit geval, elftallen – opgedeeld, elkaar tegenwerken en dwarszitten bij overigens gelijk streven.
De families en zelfs de gezinnen en zelfs de tweetallen tweeverdieners zijn uit elkaar georganiseerd, brengen hun txaenz apart van elkaar de civilisatie binnen – de civilisatie hier begrepen als “de draaiende economie”. De mensen in de steden, en vele dorpen, kennen elkaar niet en respecteren ook totaal niet elkaar persoonlijk, maar hoogstens slechts als ‘de ander, de medeburger’.

We zullen elkaar nooit meer leren kennen, we zullen nooit meer samen leven.
Nooit meer anders dan incidenteel
met elkaar samen werken – als een aardbeving of zo ons samen brengt door ons tegelijk, daar te treffen.

Dan ineens blijken we nog steeds mensen, medemensen, exemplaren van een best aardige apensoort te zijn. Maar we moeten wel opletten dat we het plunderen niet over het hoofd zien. Uit al die duizenden voorbeelden van hoe stedelingen bij rampen reageren, weten we nu wel dat die bijeenlevenden geen samenleving vormen. Voetballers zijn al niet meer sportief als de scheidsrechter het even niet ziet. En dat is ‘slechts een spel’. Laat staan, dat de bijeenlevende stedelingen/burgers ‘net’, ‘beschaafd’ of zoiets zouden zijn. Sommigen wel, anderen niet. Maar ‘beschaafd’ is alleen maar: geciviliseerd met het ergste eraf gehaald, de ergste ruwheid, die in de civilisatie wezenlijk is, namelijk het in bezit nemen en het zich minderen aanschaffen, macht nastreven en die uitoefenen, heersen over anderen, die anderen onderdrukken, hen gebruiken.

TERZIJDE. Een van de tien geboden luidt: ge zult niet begeren wat van Uw naaste, zijn bezit, is. Dat gebod zou kunnen worden aangevuld met: gij zult aan een ander niet onthouden wat hij nodig heeft en gij niet, gij zult dat voor hem – daar dan – nodige niet bezitten. En dat zal dan verder gaan dan gastvrijheid.
‘Een vrij mens’ en ‘een mens die in een cultuur leeft’, die zijn niet beschaafd. Ze verruwden nooit tot gebruikers van andere mensen en er was dus niets – nu ja, dat dus niet – te schaven. Zelfs hondachtige roofdieren die in troepen leven, laten elkaar iets te eten. Dat is het maximum dat je van een beschaafde geciviliseerde mag verwachten, als het er op aankomt en zolang er niets te vestigen valt. Zodra er wat te vestigen valt, vervalt dat ‘de anderen iets laten’, dan gaat de geciviliseerde bezitten en de anderen kunstjes laten doen voor hun kost. Dat is het wezen van de civilisatie en dat wezen zit er diep in geramd en een alternatief zit er niet in (zowel: ‘niet meer’ als ook ‘nog niet’). Leuk is het niet te vertellen, wel duidelijk.

Nalaten van geloven
Het is ten aanzien van zowel de wetenschapsoutput als de profetische output gevaarlijk om ongelovig te zijn, respectievelijk hier en daar/elders, respectievelijk nu en toen. En toch, naar waarheid is er slechts te zeggen “ik ken die feiten niet”. Wijs is en was, niet geloven en niet betwijfelen. Niet doen dus alsof je daarvoor gegevens had. Er waren en zijn slechts beweringen van anderen. Dat ik zijn uitspraak niet kan controleren, door mijn gebrek aan vaardigheden en aan apparatuur en spullen, dat maakt dat die ander mij niet kan melden. Mijn niet-kunnen-controleren maakt zijn melding voor mij tot een bewering.
En het nalaten te geloven is geen daad jegens die ander, die meldt, maar jegens het onmiskenbare feit dat ik niet ken. Het is de enig juiste daad – in dit geval, het enig juiste nalaten. Idem voor betwijfelen. Ook dat slaat op de leegte die blijft, hoezeer de ander ook achtenswaardig is. Mijn niet-kunnen reduceert immers de melding tot bewering. Niet de profeet wordt veracht of zijn god, door wie niet verder gaat dan op zijn beurt de waarheid te spreken: ik ken dit feit niet, ik kan en zal er dus geen uitspraken over doen.
Het onderwijs kan niet iedereen die dat wil en kan, leren omgaan met die apparatuur waarmee de wetenschapper van tegenwoordig werkt. En dat niet slechts niet omdat slechts weinigen dat hoeven te kunnen, dat daarmee omgaan. Nee, zoveel belangstellenden, daar zijn gewoon geen superapparaten voor aan te slepen. Hele hordes kinderen en jongeren zouden dat meteen graag doen. Zo zijn mensen.

Het is niet niks dat – zonder dat iemand dat deed – allen weer zijn teruggeworpen in de onbenullige geloofstijden van voordat er wetenschap ontstond en de inspiratie om

  • kritisch denken en
  • zelf controleren en
  • ‘het nieuwe werktuig’ – van zelf waarnemen en begrijpen en doordenken en proefondervindelijk nader onderzoeken’ – gebruiken,

in de plaats te stellen van ‘geloven, napraten, meepraten en doorpraten ook als je kennis op is’.

De duistere tijd is terug waarin het verschil tussen kennis en informatie niet wordt bewust gemaakt.

De duistere tijd is terug waarin hetgeen belangrijk wordt geacht door de massa der aanwezigen, niet kan worden gekend, doch slechts kan worden bezeten als informatie. Men kan het slechts van horen zeggen hebben en moet toch doen alsof men het kent, men moet er uit handelen. Men moet dat, op straffe van uitstoting – psychisch en lijfelijk.

De tweedeling gebruikers en gebruikten

Het voortduren van het tijdelijke
De propaganda voor het geheel dat ‘de civilisatie’ – in dit geval, ‘Verstandië’ – heette, meldde niet met evenzovele woorden dat de tweedeling ‘gebruikers’ en ‘gebruikten’ bestond en gehandhaafd zou blijven. De bedoeling van de koloniserende Verweggiërs werd dat handhaven al gauw. Hun vestiging daar, ver van de streek van herkomst, ver van hun familie, was onaangenaam en er moest iets aangenaams ter compensatie naast worden gesteld. Ze maten zich voorrechten aan die niet noodzakelijk waren in het kader waarin de propaganda hun taken beschreef. De propaganda stelde dat deze kolonisten tot taak hadden zich, en de Weigeraars onder hun leiding, te leren leven van minder ‘natuur’, van de nog aanwezige natuurlijke hulpbronnen. Dat was een eindige taak en dat suggereerde ook een eindige bezetting. De propaganda beschreef het streven van de goede bedoelers en kwam dus niet overeen met het Nazi-programma ten aanzien van ‘het Oosten’: land overnemen, deel bevolking als slaven gaan houden. Dat is, het systeem van de Spanjaarden in Zuid-Amerika.
Het gebruiken gaat door, ook als het niet meer nodig is en dat komt mede door de bewondering en identificatie door de gebruikten. Het lukt niet om generaties lang vol te houden dat de stand en gang van zaken waarin men levenslang leeft, niet deugt, geen grond heeft in het heden en weg moet, ook al zegt iedereen die iets te zeggen heeft dat niet, of zelfs het tegendeel.

Oneigenlijke schaarste en emancipatie
Men is er toe gekomen en in geslaagd om schaarste te handhaven al was er voldoende van alles wat nodig was. De begeerte – om ook te hebben wat de gebruikers hadden en om nu ook te mogen gaan doen wat de gebruikers al zo lang deden – maakte dat er een schaarste aan rechten en voorrechten werd gevoeld. De zucht tot emancipatie werd gevoeld.

Rare kreten als ‘het eerlijk delen van macht’, lieten blijken dat het denken behoorlijk verward was geraakt.

Macht is de gelegenheid om een ander te laten dwingen tot wat jij hem wilt laten doen, en dat tegen de wil van die ander. Macht heb je niet over je stuur, maar over een ander, via een gewapende derde. Zonder die gewapende derde moet je zelf gewapend zijn – uit geweren komt de macht immers – of je dreigt met kracht, daarvoor moet jij lijfelijk sterker zijn of de ander reeds eerder elders door anderen geïntimideerd. Gelijke macht is wederzijdse onmacht. Met de eigen, gelijke macht doet de bedreigde het enig positieve dat met macht te doen is: (hij laat) de ingezette, dreigende macht opheffen. Macht is, net als een fysiek geweer, alleen daarvoor – voor het neutraliseren van een ander geweer – positief te gebruiken. Verder is het een onhandig onding.
Aan wapens en wapengeweld als onderdeel van de samenleving wil de geciviliseerde niet bewust denken. Hij verschuift zijn aandacht dus naar hetgeen waarvoor hij die macht, die dreiging, zal inzetten: het (laten) vervullen van zijn wensen, zijn soevereine wensen, het onnodigs dat hij begeert. Minstens voor zover iemand geld heeft, heeft hij deel aan de macht – de dwang jegens anderen – die in de civilisatie wordt uitgeoefend. Dat daaraan denken brengt hem tot de stemming van ‘ik ook’ & ‘nu ik’. Die stemming is de wens om geëmancipeerd te worden, mee te mogen gaan doen aan het rangschikken. Het moet rangschikken zijn, want wat de bewonderaar (van hoger-zijn) wil gaan doen is: op zijn beurt heersen, minderen hebben, heer zijn, doen wat anderen verboden is – bijvoorbeeld, omdat ze het niet kunnen betalen – en vertonend bezitten wat anderen begeren. Het hebben of doen van wat niemand ziet en/of niemand begeert, levert niet het nagestreefde heerlijke gevoel.
De Weigeraars wilden, na ettelijke generaties gebruikt te zijn, niet meer af van het systeem van gebruikten en gebruikers, maar ze wilden – respectievelijk, namen genoegen met – emancipatie, het ook aan de beurt komen en wel om dat te doen en te laten doen waarvan ze het zondige karakter kenden, omdat ze het zelf ondergaan hadden. Hen, de Weigeraars, aan de beurt laten komen om zich onderling te rangschikken en elkaar te gebruiken en tot vernederende kunstjes te dwingen, was voor de koloniserende Verweggiërs mogelijk zonder hun positie als topgebruikers van mensen en topconsumenten van goederen te verlaten. Het zich onderling rangschikken der Weigeraars speelde zich onder hen af, onder hun niveau van oude Verweggiaanse adel. Er verandert niets wezenlijks aan dit verhaal als er een aantal adellijke Verweggiaanse families zijn, die slecht geboerd hebben en in bezit en consumptie en dus in aanzien gepasseerd worden door opkomende nieuw-rijke Weigeraars.

Zelfs als alle Verweggiërs voorgoed verdwenen, zou er niets veranderen, als de Weigeraars het systeem, de civilisatie, hadden overgenomen.
En buiten dit verhaaltje, in ‘ons’ geval, is precies dat gebeurd.

Het lijkt als het gebeurt heel wat, het afschaffen van zulke juridische regels als de vorm van de slavernij en horigheid en van het verbod op het dragen van deze of gene kleding. Er waren de meest hinderlijke, naast voor buitenstaanders belachelijke, voorrechten aangemeten en die konden allemaal worden afgeschaft, zonder de tweedeling in ‘gebruikers van mensen’ en ‘gebruikte mensen’ wezenlijk aan te tasten, laat staan op te heffen. Het systeem bleef maar voortbestaan.
De vraag is uiteindelijk: “Nou èn?” Was het leven in de Verweggiaanse of Weigercultuur dan zo de moeite waard en zoveel beter dan leven in de Verstandiaanse civilisatie? Voor een buitenstaander is ten aanzien van die twee culturen het oordeel niet moeilijk: “Niet inspirerend, integendeel.”
Het voorstel van B.F.Skinner in ‘Walden II’ is om in dorpen te gaan wonen en daar, een eenheid vormend, alle voordelen van de culturen terug te nemen, nu de civilisatie niemand daaraan meer hindert. Vrij te gebruiken voor hen is alles wat die dorpelingen in de civilisatie hebben geleerd, behalve de rangschikmentaliteit. Het is opvallend dat de mensen zich tot zulk “zelf hun txaenz besteden” niet noemenswaard weten te brengen – kwalitatief niet en kwantitatief niet. Ik zie er weinig nut in dat te gaan zitten betreuren.

Hieronder kunt u een reactie geven op bovenstaande tekst.
Het kan enige tijd duren voordat uw reactie geplaatst wordt.