Jaap Schot, 29 december 2003
Onlust vermijden is een van de dingen waarmee Robinson Crusoe dagelijks bezig moet zijn. Robinson is geen vee, want er is niemand om hem als vee te houden en te gebruiken die hem kan raken, kan bereiken, kan beïnvloeden. Robinson is feitelijk vrij, in het boek is hij niet echt vrij. Hij is, en raakt niet af van, zijn geciviliseerdheid. Hij leert niet af wat een mens af moet leren teneinde [een Boeddha, een verloste, verlichte, dat is: een weer, net als bij zijn geboorte, vrije mens te worden, met andere woorden] op te houden vee te zijn. Feitelijk vrij, maar psychisch niet. Nog niet en dat blijft in het boek zo, doordat hij zich aan het zich ontdoen van zijn vals bewustzijn niet wijdt. Hij heeft de boodschap daaromtrent niet gehoord.
Lust en onlust
Nu wil ik het hebben over Robinson’s lust en onlust. Lust komt in ons [(wordt begeleid / gaat gepaard aan, beleven we aan/ uit] door het functioneren van (“met”) de organen / orgaansystemen van ons lichaam. Lust beleeft Robinson aan het doen van wat hij moet. ‘Moeten’ heeft hier de natuurbetekenis, niet die van ‘afgedwongen worden’/ indirect moeten, zoals vrijwel altijd in de civilisatie voor en bij geciviliseerden, in de mensengebruikerij.
Uit lustbronnen putten, dat is wat anders dan onlust vermijden.
Ademen nalaten veroorzaakt benauwdheid, (een vorm of ‘soort’ van) onlust. Moeten we over ‘soort’ of ‘vorm’ spreken hier? Ik ben daar nu niet uit.
Ademen wordt dus onder dreiging met onlust afgedwongen en pas het voldoen aan die dwang leidt weer terug naar ‘afwezigheid van onlust’.
Aan onlust gaat onrust vooraf. Zo kan men zeggen: aan de honger gaat de ‘trek in eten’ vooraf, aan de dorst het ‘iets willen drinken’. Wij in onze welvaart komen aan honger en dorst niet toe. Wij hebben geen reden om het er op aan te laten komen dat wij uitgedroogd en mager zijn. We zouden anders zijnd, dwaas zijn.
Civilisatie en overbevolking
Wij (de lezer en ik en de anderen) zijn allen geworpen in de civilisatie: in de massa van mensen (analoog aan de school van vissen en de zwerm van vogels en de kuddes runderen, paardachtigen en schaapachtigen). Ongelijk aan de zeeschildpadden werden wij opgenomen in een onderwijzende massa soortgenoten. Naast het onderwijzen blijkt ook het rangschikken centraal te zijn. En het bijzondere van de civilisatie is dat [de zwerm, de school en de kudde overstijgend] de mensenmassa een productie-eenheid, een fabriek is geworden. Het nodige, het daar dan nodige wordt niet slechts gezocht, maar ook gekweekt en aangemaakt, en daarmee wordt een overbevolking in leven gehouden. ‘Overbevolking’ is een ander woord voor ‘plaag’.
Een plaag is een relatie, tussen de natuurlijke omgeving (het ecosysteem daar dan) en de hoeveelheid exemplaren van een soort (plant of dier). Er zijn bij een plaag gewoon teveel exemplaren van één soort om de andere soorten niet te schaden. Iedere soort kan een hoeveelheid andere soorten als concurrenten verdragen en aan het welzijn (via de bestaansvoorwaarden) van een hoeveelheid andere soorten bijdragen.
Schoolvoorbeeld: de olifanten en gnoes zorgen voor mest voor de mestkevers. Ik besef dat ‘zorgen voor’ hier een kneuterige uitdrukking is, maar dat is niet erg in dit verband.
Zulke onderlinge onbedoelde, ongedane relaties (verzorging, concurrentie) ‘verbinden’ de soorten, tot een systeem, het ecosysteem daar dan.
Plagen komen nooit alleen
Elke plaag wordt vergezeld van andere plagen en gecorrigeerd door weer andere plagen: de mensenplaag gaat vergezeld
- van de plagen die ‘landbouwgewassen’ en ‘vee’ heten, en
- van het op die plagen weer berustende geheel van ‘schadelijke eters’ [van die gewassen’, van dat vee, van de mens zelf:] aanvankelijk dus van grote dieren ook, tegenwoordig voornamelijk van ‘ziekten’ en insecten.
Er is geen eten voor de exemplaren van de diersoort ‘mens’ buiten de ‘bewoonde’ wereld. Het aardoppervlak is opgedeeld. Iedereen zit gevangen in ‘zijn eigen land’.
‘Zijn eigen land’ betekent hier iets heel anders dan wanneer een boer het heeft over zijn eigen land. Het gaat over grootheden als ‘Nederland’ en dat, Nederland, is bijvoorbeeld niet mijn eigen land, maar wel ‘mijn eigen land’.
‘Mijn gevangenis is de Sing Sing’, zo ongeveer is de betekenis van deze uitspraak ‘Nederland is mijn eigen land’.
Emigreren is verhuizen van de ene gevangenis naar de andere, met wellicht een ander regime. Er is geen enkel verband met iets dat vrijheid mag heten.
Een onbenul blijft een onbenul
Dit opstel gaat over de vraag waarom een onbenul dat werd en blijft. Het antwoord is dat er geen reden is (namelijk geen tekort aan lustbeleving en/of aan onlustdelging) voor hem om zijn ‘hersenen – zintuigen – taal – systeem’ anders te gaan ‘gebruiken’. [Let wel: er is slechts sprake, geen waarneming mogelijk, van een gebruiker, in dit verband. Hier is slechts gebeuren, plaatsvinden, optreden, van nog niet eens verschijnselen: aan de hand van het horen/ lezen van bepaalde teksten concluderen we dat er hier benul is].
Zoals alle drugsgebruik moet ook elk natuurlijk/ biologisch (“met een orgaan uit het eigen lijf”) functioneren worden geleerd, en wel à la Skinner. Belonen met lust: bij het biologisch gedrag direct, bijpassend, bij Skinner indirect: een handeling wordt verbonden met de lust uit het opheffen van de onlust van honger of uit het eten van een lekker stukje eten.
De onbenul heeft niet geleerd dat er aan het beseffen
van wat er in, met en om hem gaande is,
lust te verkrijgen is.
Er is niet zoveel verschil tussen het leren bespelen van een instrument enerzijds en het ophouden een meedoende, nadoende, napratende, meepratende, doorpratende onbenul te zijn, anderzijds. Wie een instrument leert bespelen wordt door succes en lof gaande gehouden tot hij door wat hij presteert zelf (al waarnemend) zijn lust haalt. Slagen, waarin dan ook, brengt LUST.
Het belang van het systeem
Het is in het belang van het systeem ‘mensengebruikerij’ de kinderen niet het onbenul af te leren. Het leven (opgroeien) tussen gewone gebruikten maakt hen sowieso onbenullig en dat moet zo gelaten worden. Lui als Jezus van Nazareth, zijn discipelen en ook verre verwante ‘socialen’ als Wilhelm Reich moeten dood (als lijf of als prediker, dat in een ‘beschaving’ ter keuze). Elk aandringen op het verlaten van het onbenul is systeemvijandig.
Vee LEEFT niet zelf.
Vee doet mee en laat zich gebruiken.
Tegenwoordig zijn er zoveel mensen, dat er wensen om door hen te laten uitvoeren voor de rijken, tekort zijn. Nu is er dan ook ‘vrijheid’ voor iedereen om zijn overbodige bestaan (= txaenz) op zijn manier te verdoen, zelfs als die manier ZELF ZIJN is. Hier en daar een ‘wild type’ schaap in een kudde doet geen kwaad, er is geen behoefte om ieder schaap zonder enige uitzondering te scheren. Vandaar. De bezigheid LEVEN blijkt voor vee niet meer besmettelijk: velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.
Wie moeiteloos zijn LUST ( ← endorfine ← prikkel tot endorfineafscheiding) haalt uit een artificiële bezigheid, is door de barrière die het ‘moeten leren’ vormt, voor zijn leven een stuk vee en een onbenul.
Er is vrijwel nooit ergens een reden te vinden om die passendheid van zijn bestaan te veranderen. En om er een gedachte aan te wijden wat er gebeurt, wat je overkomt. Aangepaste gelukkigen hadden nooit behoefte aan een afstandelijke civilisatiereligie. Leven is voor hen geen lijden.
0 Reacties