Jaap Schot, 28 maart 2005
De roeptoeter is dat conische ding dat de voorloper is van de megafoon. De roeptoeter voegt geen kracht toe, versterkt niet, maar concentreert, dus richt de spreekkracht van de gebruiker. De mensen die ‘je’ (jij en ik dus) ‘je’ (? iemand die als een roeptoeter werkt, een correct handelend exemplaar van mijn soort) hoort zeggen in plaats van ‘ik’, dat daar thuishoort volgens de leer van het individualisme, ergerden ‘mij’ (als tot enkeling gemaakte en levenslang als enkeling verantwoordelijk gestelde en anderszins bejegende). Als ‘ik’ “iemand” dát ‘je’ (waarmee hij zich achter zijn opvoeders / africhters / gebruikers / bestuurders / cipiers verschool, kortom, samen met deze figuren achter ‘het systeem in zijn niet langer actuele vorm’ verschool) hoorde gebruiken ergerde zich wat in mijn ama (appercepiërende massa aangeleerds) aan pre-EGO is “terecht” gekomen (binnengebracht, er is van dat ‘terecht’ slechts sprake), dat reeds op ‘spelen volgens de regels gerichte appercepiëren, dat er is (= moet zijn) vóórdat betrokkene voor deelname aan het spelen van welk spel dan ook (in dit geval is het ‘maatschappelijk rangschikkertje’) geschikt is. [‘Schikken’ is een bewerking.] Een zelfde ergernis komt bij mijn pre-EGO op als ik ‘wij’ hoor gebruiken. Daaruit, uit die ergernis, blijkt dat ik voor het bemannen van IETSen onbruikbaar geworden ben (door het oplopen van deze ama). Ik ben een individu geworden en kan dus nog slechts als “edele” (voltijds binnensoortelijk parasiet) met en tussen andere “edelen” verkeren (met wetenschappelijke en sportieve mentaliteit onbekommerd samen zo volledig mogelijk functioneren met alle organen, kortom: LEVEN) óf: solitair. Nou, gezien mijn afkomst werd het solitair. Maar dat wérd het dan ook en daardoor ben ik nu gelukkig, want: in een omgeving die MIJ geen last geeft van mijn ama.
Elke omgeving is voor mij onpassend, die
* voor mij nodig maakt wat ik niet (te waarderen) geleerd heb (gezellig kouten en klaverjassen) en/of
* onbruikbaar maakt / laat wat ik geleerd heb ( en waarin ik heb leren functioneren en waarbij ik, = waarbij ergens in mijn lijf iets, endorfinen afscheidt, wat mij geluksgevoel oplevert). 28-3-2005 13:02|
========
28-3-2005 13:09:
Makkelijk leesbare tekst (over onderwerpen die buiten de natuurwetenschappen liggen) bespreekt het van propaganda en verhulling verzadigde zelfbeeld van de maatschappij waarin de spreker leeft. Dat bespreken is zonder meta-bespreken, gebeurt op het plein aan de voet van de Aztekentrap. De spreker ziet zichzelf niet bezig, niet ‘als vanuit een hoog standpunt’.
Verstaanbaar en leesbaar zijn díe teksten die door allen ‘als gezongen worden’, als in gemeenschappelijk zingen zoals in kerken en koren. De toon moge de muziek maken, de wijs, de muziek, laat geen afwijkende (bijvoorbeeld beter beschrijvende) tekst toe.
28-3-2005 13:28|| 28-3-2005 14:04: Laat ik het nog eens met andere woorden zeggen: ze zien zichzelf niet bezig zoals een ‘alien’, een buitenaardse intelligentie, een kind, een nieuwkomer hen bezig ziet. Voor die formulering is wellicht ook diegene toegankelijk wiens pre-EGO is uitgegroeid/ geworden tot een deelnemend EGO. Zodra zo’n EGOdrager, zo’n speler om rang ‘hoger’ hoort, stopt ie met luisteren en hoort in zich nog slechts tegenwerpingen tegen wat hij meent te horen, namelijk dat de spreker die het woord ‘hoger’ gebruikt hém wil vernederen. Zulke EGOdragers lezen in elke tekst ook (ja vooral) een tussenmenselijke, met name wedijver betreffende, rangschikkende, keurende boodschap. [Watzlawick heette de schertsfiguur/ walgkikker bij wie ik die ergerlijke gewoonte verkondigd las als ‘kenmerkend voor de mens die het pas waard was ‘mens’ genoemd te worden’. Brute propaganda en dat met enthousiasme uitgegeven ook in Nederlandse vertaling.] 28-3-2005 14:13=/\=
==========
28-3-2005 17:32:
Als ik eenmaal besef onder die roeptoeterdoem , - die doem van onvermijdelijk roeptoeterschap als gewone (= publicerende, van mij laten horende, niet bewust en opzettelijk zwijgende) taalgebruiker/ schrijver/ spreker dus - , te leven, dan heft dat beseffen allengs die doem op
1. waar ik het publiceren nalaat,
2. in het taalgebruiken ook buiten de bestaande benoemingen (woordenschat), begrippenapparatuur, onderscheidingen en bespreekbeelden en
3. waar de lezer/ luisteraar dat (zijn txaenz er aan offerend, bestedend, in investerend) mee veroorzaakt, mee maakt.
=========
De ander die bij mij bekend staat als brenger van vals alarm, al leugenaar en fantast, verliest door deze mijn ervaringskennis zijn gelegenheid mij te bedriegen. Bedriegen is een (biologisch) natuurverschijnsel. Ook ‘tegen bedrog gewapend raken’ is een voordeel in de biologische evolutie, leren opmerken dat en door wie je belazerd wordt, dat scheelt je al gauw een flink stuk vlees, dat anders in de tijd dat jij je voor de gemelde roofvogel ‘niet te pakken’ maakt, door de gever van het vals alarm wordt opgevreten. Díe weet dat het vals is, dat er geen gevaar is.
=========
In de Nederlandse taal is een zeer, zeer grote hoeveelheid valsheid in benoeming ingebouwd. Waar de bestrijders van deze valsheid onderscheidende termen invoeren en invoerden, wordt er ononderbroken aan gewerkt deze termen tot synoniemen te maken door ze meteen in gebruik te nemen en nét even verkeerd te gebruiken. Zodra, zolang en in zoverre ik vrij ben van de suggestie van daderschap, vrije wil, initiatief bij die anderen daar, zal ik inzien dat zulks (synoniemen maken van om te onderscheiden bedoelde termen) slechts gebeurt, niet gedaan wordt: ik zal er dus niet boos over worden, zoals ik ook niet boos wordt over de tegenwind die ik als fietser vaak heb. Ik wil dat mijn tekst het onderwerp exact beschrijft, niet voor meer dan één uitleg vatbaar is, die anderen willen iets anders: (zie het programma ‘Lagerhuis’ en ‘de politici in debat en propaganda’) de hoorder boeien, verwarren, met een kluitje het riet in sturen, misleiden, verleiden, in wanen brengen, enz. enz. enz. Het duurt wel enige tijd, weken, voordat het boos worden echt volledig uit blijft en de sprekende personen als roeptoeters en doorgeefluiken ervaren worden. Maar ze zijn het en “waarheid heeft kracht van overtuiging”. De feiten némen uiteindelijk het laatste woord, als ze eenmaal aangewezen zijn én degene aan wie ze aangewezen werden zich er niet van af wendde en wendt.
Dat zijn allemaal voorwaarden en daaraan is zelden voldaan. Het is als met die deftige dame: “als U die hoepelrok uit doet, kunt U door dit raam dit brandende huis verlaten”, aldus spreken de feiten. Wie van ons, inwoners van rijke landen, zal zich nu ‘als in een brandend huis voelen’ als taalgebruiker? Dat hoort toch nog al overdreven aan: ‘brandend huis’, hou toch op. “Ik heb wel andere manieren om aan plezier te komen, weet je wel.” “Ieder zijn mening en ieder zijn waarheid en alles vrij te uiten, dan zijn we overal van af. Objectiviteit, hou toch op. Levenskunst is geen natuurkundig onderwerp. Geloof wat je wilt.” 28-3-2005 18:10|||
=========
30-3-2005 13:09:
God bestaat niet, er is slechts sprake van Hem. Dat wéten ze nou, eindelijk, de ongelovigen, de goddelozen, de atheïsten.
‘Het Koninkrijk der Nederlanden’ bestaat niet, er is slechts sedert 1813 of zo, sprake van. Toen hebben een stel mannetjes met macht (geld, voorrechten) voorgesteld aan elkaar en de andere rijken en machtigen: “Laten we gaan spelen dat er een K. d. N. is, dan was Willem Dinges koning en hij daar minister-president en deze en gene minister, enz. enz. Hebben we allemaal voordeel van.” En zo is het gebeurd. Daarna zijn al die voordelige posten bezet gebleven en zijn er vele, vele bij verzonnen en gekomen. En toen het begon konden zeer weinigen er iets voor of tegen doen en sinds die tijd is iedereen die zogenaamd burger van dat land is, totaal machteloos ten aanzien van dat illusieve spelletje. En ik zie gebeuren dat er een televisieprogramma ‘Blauw bloed’ is, waar een stel pratende, dus schijnbaar toch menselijke wezens, met voldoende kijkcijfers, blijkbaar, neuzelt.
Die neuzelaars en die sprekers over god, dat zijn levende voorbeelden van het roeptoeterdom.
Maar het is allemaal nog veel erger. Het bovenstaande is wat in dat taaltje ‘elephantshit’ heet: wie over deze zaken (God en het Vaderland) praten zijn zo ongelooflijk deftig bezig, dat treft de gewonen niet. Maar de reclame roept ons door onze naasten, onze huisgenoten en zo, heen toe dat we een nieuw brilmontuur nodig hebben want, jawel, de mode is veranderd. De een of andere nicht heeft om aan geld te komen voor zijn vermaak verzonnen dat de glazen nu klein moeten zijn. Tot iedereen die kleine glazen heeft, dan worden ze weer groot. Zo gaat dat. En dat verzinnen doet die nicht niet eens altijd zelf, niet zelden heeft een trendwatcher al een brilglasverkleining opgemerkt, tijdens haar / zijn speuren naar kledingkleurveranderingen. Ja, je gelooft het niet, maar daar zijn ménsen voor.
Díe exemplaren van ‘onze naasten, onze huisgenoten en zo’, dat zijn dus roeptoeters in actie. Door hun eigennamen en hun trots op hun opmerkingen wekken zij (krijgen wij) de indruk dat het uit hén komt, niet via hen. Zij zijn helemaal niet blij als we ze ‘diagnosticeren’ als roeptoeter of als doorgeefluik of als ‘gat in een muur, dat schijnbaar een nieuwe bron van de trillingen van áchter die muur wordt’. Op hun ‘Bildung’ waren de Duitsers in de 19de en eerste helft 20ste eeuw echter maar wát trots. En onze islamitische volksgenoten zijn dat ook op hun aangeleerds. De roeptoeter ervaart zich niet als de lege toeter die hij is. Integendeel, het hele lawaai dat hij doorgeeft ervaart hij als stevigheid die als van hemzelf is. Mijn God, wat zijn die lui verwaten.
30-3-2005 13:43|||
0 Reacties