Roof en knuffel

Categorieën: 2000, 1 januari – 2004, 31 december | Archief

Trefwoorden:

Jaap Schot, 2 augustus 2002

KNUFFEL

De industrie rooft al vanaf de 12de of 13de eeuw steeds meer taken van de thuis producerende mensen. De thuis werkende spinners en wevers werden voor tig procent werkloos en voor honderd procent arm. De betere machines waren de wapens die tegen het eenvoudige gereedschap werden ingezet.
Het doel met industrialiseren was en is: winst maken.
Het welzijn van andere mensen is totaal buiten beeld van de ondernemer. Zoals de het verkoudheidsvirus, de vlo en andere ‘oude’ parasieten doden ze hun ‘gastheren’ niet, omdat dat het eigen overleven niet bevordert. De ondernemer is de gewapenden gebruikende mensengebruiker, een pure parasiet. Zijn bezigheid is concurreren, zijn ‘ter zake doende anderen’ zijn de andere ondernemers, dát zijn zijn soortgenoten, de gebruikten bestaan voor hem zo min als voor de paarden de koeien bestaan: als een totaal andere diersoort.
Het zich vechtend rangschikken tussen die andere ondernemers (managers dus tegenwoordig, in dienst van naamloze vennoten, m.a.w van ‘de aandeelhouder’) is zijn doel, zijn maatschappelijke taak en zijn productietaak goed vervullen is hoogstens een van de daartoe strekkende middelen, zodra een ander middel doeltreffender is, wordt dat toegepast. De term ‘sociaal ondernemerschap’ is een hoon. De propaganda voor ‘onze samenlevingsvorm’ werkt daarmee.

De mensen leren tegenwoordig niet meer zelf thuis datgene te maken wat ze nodig hebben. Ooit was dat wel zo, sommigen maakten wat ze goed konden maken voor anderen, een soort deskundigheidsruil. De meeste dingen deed men zelf voor zichzelf en/of voor zijn nabij levende tijdgenoten. Daaraan ging de txaenz op. Heel veel, want erg snel ging dat zo produceren niet.
Nu komen er veel betere producten uit de fabrieken en zo (uit handen van de beroepsmakers) en ‘diensten’ van de beroepshelpers. Daar kan vrijwel niemand zelf tegenop. Dat ontmoedigt en als er hulp nodig is, zoekt men toch maar de beroeps in plaats van de welwillende leek. Ik vertrouw er bijvoorbeeld zelf niet op dat ik iemand met ‘psychische moeilijkheden’ zou kunnen helpen, ook al bén ik afgestudeerd psycholoog. Wat doen mijn ex-medestudenten anders dan een eigenwijs gezicht trekken en de deskundige spelen? Ik weet het niet.
Geroofd zelfvertrouwen door het produceren niet te zien gebeuren, door het niet te leren, door het nooit zelf te doen, door het niet te mogen leidt tot zélf niets met de eigen txaenz weten te beginnen.
Om in dat vullen alsnog te voorzien, maar dan niet met ‘werk’, is er een flink aantal industrieën: de hobbyindustrie, de bewustzijnsindustrie en de vermaaksindustrie, bijvoorbeeld. Gut wat houden die de mensen bezig. Alles waar maar ‘koopkrachtige vraag’ naar is, wordt aangeboden. Maar wel: voor geld en dat betekent dat er een enorme behoefte is aan gelegenheid om txaenz om te zetten in geld. ‘Werkgelegenheid’ heet dat. En het met industrieën als wapens elkaar bestrijden teneinde (zich) te rangschikken leidt nu juist tot het opvoeren van de arbeidsproductiviteit, dat is dus tot het verminderen van de werkgelegenheid.
De mensengebruikers (de parasieten) (de managers) weten donders goed dat er geld in omloop moet zijn: de producten der industrieën moeten worden gekocht. Het gaat er niet om de mensen arm te houden, maar het gaat er om te voorkomen dat ze ophouden dat aan diensten te leveren (dat aan spul en spullen aan te maken) wat de parasieten ongelijk verdelen in hun spel ‘rangschikken’. Zo moeten ze (de gebruikten dus) bijvoorbeeld blijven bewonderen en benijden. Er is geen lol aan iets te nemen, te hebben, te vertonen, als het niet massaal en/of door de deskundigen / betrokkenen wordt gezien. Het spel wordt in het openbaar gespeeld, daar is ook de ‘gele’ pers voor, de roddel en de bewonderprogramma’s op televisie. En het onderwijs in hebzucht: ‘Kunst en kitsch’.

De industrie steelt de zinnige txaenzvulling van zowel manen als vrouwen en houdt die daarna weer zoveel mogelijk bezig, met massaproducten [ ook gepraat voor televisie is een product, in tegenwoordig alom gebruikt plat economenjargon.
Tegen de beroeps kan niemand op: zo mooi als de uitgezochte juffrouwen op televisie zijn de minste vrouwen, zo geweldig als de uitgezochte mannen op televisie doet niemand het thuis, zelf.
Voor de concrete mensen blijft dus slechts de aanraking, de knuffelfunctie over als mogelijkheid om de industrieproducten te overtreffen. De echte interactie, zeg maar het gesprek, het praten, wordt al door de internetindustrie veroverd. De ander, waarmee je ‘chat’ kun je weliswaar niet aanraken en niet ruiken, maar dat is echt alleen maar een voordeel. Horen en zien zijn al geen technisch probleem meer, alleen een kwestie van apparatuur en dus van kosten.

De natuur is geen couveuse voor ‘de mens’, de culturen waren geen hemelen, maar kweekten onbenul en misten de technische vooruitgangssnelheid die door de civilisatie uit de gebruikten geperst werd en wordt. De huidige manier van bijeenleven is echter niet alleen maar een verbetering ten opzichte van alles, die per definitie in de een of andere goede richting aan het veranderen is. Ons past hier nu geen tevredenheid. Wat niet betekent dat wij tot gestreef en betrokkenheid verplicht zouden zijn.

 

 

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *