School en de rest van de maatschappij

Categorieën: 1973-1986 Docent lerarenopleiding, Rijksuniversiteit Groningen | Archief

Trefwoorden:

Jaap Schot, 27 maart 1985

onderwerp: de relatie tussen de school en de rest van de maatschappij: het beroepsleven.

Wat leerden wij op school?

Antwoord: wij werden op school in de gelegenheid gesteld alleen te leren en alleen onze proefwerken te maken, we kregen een beoordeling van ons eigen presteren en van onze eigen prestatie. Die beoordeling kwam van een mens, we leerden niet zelf uit de gevolgen van ons doen en laten het slagen of falen in onze opzet aflezen, het zij dan dat wij het brengen van de onderwijzer/beoordelaar tot het uitspreken van een positief oordeel brengen als onze opzet leerden opvatten. Zodra, zolang en in zoverre een scholier dat bevredigen en gunstig stemmen van de beoordelaar als "zijn" (= het hem opgedrongen) doel herkent, erkent, komt de leerling weer tot zelfstandig, 'natuurlijk', op eigen initiatief, leven. De aandacht van dat soort leerlingen is niet gericht op de taak als doel, maar op de taakvervulling als middel tot het doel, dat 'beoordelaar manipuleren' heet. Of de leerling bij het beïnvloeden van de beoordelaar toegestane middelen zoals uit het hoofd leren en snappen gebruikt of ongeoorloofde middelen zoals spieken en overschrijven, is totaal om het even voor het soort mens dat er van deze leerling in de maatschappij groeit: deze leerling word op de anderen gericht, hij wil laten zien wat hij kan, kunnen is hem niet voldoende. Deze leerling eist een eerlijke, objectieve, niet voor hem onbeïnvloedbare beoordeling van wat hij ter beoordeling voorlegt, waardering van wat hij als beïnvloedingsgedrag vertoont.

De ex-leerling wenst de gelegenheid om werk en gedrag aan de meerdere, de ander die hoger geplaatst is, voor te leggen, te vertonen. Het gaat er deze ex-leerling in de maatschappij om gekend en als auteur, als dader, als uitvoerder, bekend te zijn. Hij wil zich een naam, faam, bekendheid verwerven. Dit alles niet anders dan op school: als middel tot het doel last te vermijden. Als je een baantje krijgt en houdt, krijg je geld en dan mag je nemen wat je nodig hebt, want je kunt de last die je met de politie zou krijgen als je niet betaalde, afkopen door wel te betalen met het geld waarvoor je arbeidend gediend hebt.

Kinderen die zich op school thuis hebben gemaakt in dit systeem van beoordeeld worden als enkeling door anderen, willen deze succesgevende manier van doen ook in de maatschappij verder gebruiken. De prestaties van schoolkinderen/ leerlingen/ studenten worden niet door klanten beoordeeld, maar alleen door de pseudo- werkgevers, de beoordelaars in school, de leerkrachten. Door de school wordt het kind gericht op het oordeel van de werkgever, de baas. Die beoordeelt of de prestatie in orde is. Zo komt ook de arbeider in de maatschappij niet in aanraking met de gevolgen van zijn werk of met zijn klant.

Op school is altijd volledige werkgelegenheid, iedere leerling kan zijn eigen proefwerk maken, het is nooit zo dat er maar een beperkt aantal proefwerken gemaakt mogen worden, minder dan er leerlingen in de klas zitten. Ook mag iedere leerling altijd er op rekenen dat zijn proefwerk wordt nagekeken. Hoe moet het gaan, zo vraagt zo iemand zich als ex-leerling af, als collega's het doen van het werk voor zich opeisen en aan deze ex-leerling niet de gelegenheid open laten om zich via een stuk werk te vertonen en te laten zien dat hij ijverig en vaardig is ?

De werknemer, als ex-leerling in deze veelvoorkomende situatie, moet iets nieuws leren. Hij moet leren dat de mens als leerling in de maatschappijafdeling die school heet, in een andere positie zit dan de mens als dienaar voor geld in het beroepsleven. De leerling is gedwongen aanwezig en het bevredigen van de leermeesters is een schijndoel, het is een middel om steeds nieuwe dingen te kunnen leren, die later hopelijk bruikbaar zullen zijn in het beroepsleven. Je moet als leerling overgaan en nieuwe leerstof krijgen in plaats van gestraft worden met het weer dezelfde leerstof krijgen en daardoor achter blijven bij je leeftijdsgenoten die meer kunnen leren en daardoor een hogere baan kunnen krijgen. Zo is het schema: zittenblijven was nooit anders dan een straf. De onderwijsdiscussies (over het afschaffen van zittenblijven en over het 'leren tot je het kunt' in plaats van het leren in wedstrijd met anderen) vanuit de competitie afschaffende en kansen aan iedereen gevende vooronderstellingen, konden alleen ontstaan doordat er knechtelijke geesten het tot onderwijzer brachten. Er kwamen onderwijzers die niet de kapo-mentaliteit en -omstandigheden hadden en dus niet de eisen der heren mishandelend ("straffend") doorgaven. Deze niet-kapo's wisten gewoon niet waar ze aan bezig waren, welk systeem ze dienden. Het systeem dat de kritische leraren zwart schilderden, was al aan het verzwakken, toen zij schreven. Het systeem slaat nu ook terug, door het invoeren van een economische crisis. Een economische crisis is geen gebeuren, maar een strafmaatregel, die door de bazen genomen wordt. Wie zijn die bazen? Antwoord: de burgers allen in hun functioneren als koning klant. Dat is de reden waarom de burger de complottheorie afwijst. De complottheorie die door de communisten, teneinde überhaupt volgelingen te kunnen werven, dan ook verkeerd verwoord wordt: er wordt gezegd dat er kapitalisten bestaan en verzwegen dat de arbeider zelf voor elke gulden die hij heeft een kapitalist is en alleen daarom geen succes heeft omdat hij geen aandacht besteedt aan het verstandig om leren gaan met het geld dat hij voor zijn diensten krijgt. De gewone man kan niet met geld omgaan en wenst dat ook niet te leren. De gewone man wil voordat hij daartoe verstandig gesproken in de gelegenheid is doordat hij in het voor hem nodige heeft voorzien, meedoen aan de luxe-consumptie. Al voordat hij zich een nestelplaats heeft verschaft wil hij een nest met jongen hebben. zo onverantwoord handelt zelfs geen vogel.

Hoe kan de werknemer, de dienaar voor geld, de loonafhankelijke in de beroepenwereld verstandig handelen ? Antwoord: niet door het op school geleerde schema in de beroepenwereld te proberen te handhaven of te verkrijgen of te bewerkstelligen. De werknemer (en dat is iedereen, ook de hoogstgeplaatsten zijn geplaatst) moet tot zich door laten dringen dat hij de maatschappij vanuit het wild binnen moet gaan met als enig doel van die maatschappij alles te nemen wat hij voor zich en de zijnen nodig heeft voor leven en welzijn.

Daar zit 'm de kneep: een mens moet weer leren te leven vanuit het wild. In het wild leven kan niet meer, de ongerepte natuur daarvoor ontbreekt. Vanuit het wild, vanuit het in de biologie beschreven zijn, moet ieder van ons de maatschappij binnen en dienen.

Wij, mensen van tegenwoordig leven in een weer statisch geworden wereld, de dynamische wereld van de rooftochten (van Alexander de Grote, Dzjengis Khan, de kruistochten, het kolonialisme vanuit Europa enz. enz.) is vastgelopen zoals de eerste wereldoorlog vastliep in loopgraven. De dynamiek van de economische en technologische ontwikkeling gebeurt door de gedoe van op hun eilanden, in hun nationale grondgebieden opgesloten volken. Ook die technologische ontwikkeling is alleen maar middel en afvalproduct bij het dienen voor geld. Het meest kenmerkend is namelijk dat niemand weet waar de ontwikkeling toe leidt, terwijl er ook niemand iets om geeft. De geschiedenis wordt los van het heden en van de toekomst besproken en dat moet ook wel, want er zit geen lijn vanuit vroeger naar de toekomst: iedereen is op de kortst mogelijke termijn bezig zich hier nu een maximaal deel van de buit te veroveren op het geheel. Let wel : op het geheel, niet van of ten koste van de anderen, zijn tijdgenoten. Zo wil de gewone mens het vaak echt niet verwoorden.

De ex-leerling, die moet dienen voor geld, en wij zijn dat allen, doet er goed aan zich bewust te maken dat hij zonder verantwoording tegenover anderen mag leven. Als hij verantwoordend en verantwoord wil leven, moet hij zich daarvoor als technisch hulpmiddel een geloof aanschaffen. Als confectie ligt gereed het geloof in een alwetende almachtige in de enkeling belangstellende, aan hem (talenten) uitlenende God, die na afloop van het leven met de enkeling alleen afrekening houdt en zijn prestaties beoordeelt.

De meeste mensen willen dat geloof helemaal niet hebben en gebruiken. Ze willen alleen maar een voor hun smaak (hulpmiddel om te kiezen, in gebruik bij de dienaren als ze als koning klant soevereine beslissingen moeten nemen, moeten kiezen uit een gevarieerd aanbod) voldoend inkomen en verder niets. De gewone mens is in het verleden niet geïnteresseerd en evenmin in de verre toekomst. De gewone ex-leerling is echter wel verdwaald, misleidt, hij leeft niet in het heden, maar in ongerustheid over de nabije toekomst en in verlangen naar de extra voorrechten die hem in die nabije toekomst te beurt zullen vallen als hij nu goed presteert en over gaat naar de volgende loonsverhogende trap of anciënniteit op de loonschaal. De gewone werknemer is alleen geïnteresseerd in het behouden van zijn baan of in het verbeteren van zijn positie. In dat beeld van zijn werk, van zijn dienen voor geld als ware dat een positie, een vaste plaats, doet de gewone ex-leerling iets doms. Hij geeft er mee blijk aan het niet begrepen hebben van het TOCHTKARAKTER van de schoolcarrière.

De ex-leerling dienend voor geld moet inzien dat hij na zijn schoolloopbaan niet moet blijven zitten in een baantje, maar de reeks bevorderingen, het steeds overgaan moet voortzetten. Ook geeft de gewone werknemer er blijk van niet begrepen te hebben dat er op school, waar de aanwezigheid niet zonder reden afgedwongen werd, niets aan buit verdeeld werd, maar alleen de toegang tot hoger en lager banen.

Wie het beroepsleven in gaat doet dat ook onder dwang, maar in het beroepsleven gaat het om het halen van buit. Daarbij moet men bedenken dat er een eind is gekomen met het einde van de schooltijd, aan het werken voor later, voor een toekomst. Op school leer je voor later, zodra je van school bent, geldt : HET IS NU LATER. Dat wil zeggen dat, hoezeer het ook verstandig is op de vooruitgang te blijven letten, die op school van klas naar klas zo mooi geregeld was, het er nu, na school om gaat zo snel mogelijk zoveel mogelijk geld binnen te krijgen. Met dat geld moet je zo omgaan dat je er geen enkele aankoop van doet, die je niet wordt afgedwongen. Voor geld dat je besteedt moest je dienen, besteden aan onnodigs is dus: het je laten gebruiken voor het verlenen van onnodige diensten. Het dwingen van anderen tot het verlenen van onnodige diensten maakt dat de gehoorzaamheid van die dienaren voor geld wordt opgebruikt om hen onnodigs te laten doen, zodat ze er geen nodigs in gaan doen voor die mensen voor wie het nodige nog niet gedaan wordt, hoewel ze het nodige niet zelf mogen doen, doordat de daartoe nodige middelen om te produceren door anderen bezeten en met wapendreiging en wapengeweld verdedigd worden.

Iedereen is door de stand en gang van zaken in de maatschappij (privaatbezit als centraal gegeven stand en de truc om de mensen kunstjes te laten doen, te laten dienen voor geld, via geld voor het voor hen nodige, als gang) gedwongen tot een hoeveelheid gehoorzaamheid aan anderen. Die opbrengst aan gehoorzaamheid wordt verspild als je die verbruikt voor het laten doen van onnodigs. Als de makers van etensborden geen opdracht krijgen tot het aanmaken van luxe etensborden in duizend soorten, zullen ze van arren moede eenvoudige etensborden voor minvermogende kopers gaan aanmaken, zodat de armen die kunnen kopen. Het is niet zo dat er geen concurrentie is tussen de arme klanten en de rijke klanten. Arbeid is een schaars goed. want iedereen heeft er een hekel aan leren hebben, mede doordat het datgene is waarvoor men door loon schadeloos gesteld wordt.

Wie nalaat luxe te consumeren, onnodige diensten te verlangen van de arbeidenden, veroorzaakt dat de arbeidenden hun productie richten op het voorzien in wat minder koopkrachtigen nodig hebben. De schadelijkheid van de opdrachten tot het doen van onnodigs voor geld is pas echt groot geworden toen de middenklasse de koningen kon gaan nadoen en zodoende de aarde opscheepte met het meest verspillende hof dat denkbaar is: bij wat de gezamenlijke middenklassemensen vernielen was Versailles nog een gezin in een plaggenhut.

De gewone ex-leerling verstaat onder 'zijn deel in dit leven': 'zijn deel in deze hofhouding van koning klant'. Dat komt doordat de middenklassemens het leven niet onderscheidt van de maatschappij. De gewone mens leeft niet vanuit het wild. Daarmee benoem ik het feit dat hij niet meer beseft een dier te zijn, dat zich in een omgeving een plaats om te leven als dier probeert te verschaffen. De gewone mens weet niet meer dat de wereld voor hem is wat het bos is voor het eekhoorntje en voor de Vlaamse gaai: een plaats om te wonen en te leven. Bij elk dier, ook bij de mens, treedt zodra hij genoeg heeft, tevredenheid in en dat wat men in de maatschappij 'luiheid' noemt. Wie leeft vanuit dat natuurlijke dier-zijn, weet dat hij bosbranden (oorlogen) niet kan voorkomen en dat hij in het hier en nu moet leven, zonder lange termijn plan met zijn leven.

Hoe zit dat dan met het verschil tussen vogels en mensen, dat mensen maar een keer in hun leven jongen krijgen en vogels elk jaar ? Antwoord: dat verschil bestaat niet. Dat verschil is een gevolg van een verkeerde kijk op de twee precies eendere verschijnselen: een vrouw kan ook zo'n jaar of twintig achtereen elk jaar een jong werpen. Als ze nu evenmin als een vogel doet alsof alle jongen in leven moeten blijven, zonder echter in het verzorgen tekort te schieten, dan is het hele verschil weg. Van de vogels dienst men echter niet slechts de broedzorg af te kijken en te bewonderen, maar ook het verstandige gedrag dat als er geen nestelen kan plaatsvinden en/of geen voedsel genoeg is, er niet gepaard, gelegd en gebroed wordt. Van de dieren dient een mens als ex-leerling, d.w.z. die nog niet geleerd heeft hoe zelfstandig, d.w.z. vanuit het wild, te leven, ook af te kijken dat er geen luxe consumptie bestaat. Dat er ook geen compensatie- of troostconsumptie bestaat. Wie niet meer arbeid verricht dan nodig is, dan hem door de omstandigheden, die in ons geval toevallig uit omstanders bestaan die ons dwingen, wordt afgedwongen, hoeft zich nergens voor te troosten. Zijn dienen voor geld is voor hem geen dienen, maar voorzien in het voor hem nodige in de door hem aangetroffen en voor hem onveranderbare omgeving. Deze vanuit het wild levende mens gaat alleen zijn omgeving, het bos, de maatschappij binnen, om er het voor hem nodige uit te halen. Wat hij door omstandigheden aan overschot (aan spaarbaar geld) kan verkrijgen, spaart hij.

Vrijheid komt alleen daar voor waar men niet hoeft te dienen. Vrij is wie vanuit het wild leeft, niet : wie niet dient voor geld. Dienen voor geld is niet anders dan het klimmen in bomen naar de hooghangende vruchten toe waar men van wil leven. De anderen die je door je hen te laten dienen voor geld willen vernederen, worden tot omstandigheden gereduceerd en kunnen je daardoor niet vernederen, zodra, zolang en in zoverre je je in je consumptie tot het nodige voor jouw leven en welzijn beperkt.

De maatstaf voor het meten van wat je hebt, wordt het nodige, een objectief natuurgegeven, en er is dan ook geen enkele vergelijking mogelijk of ter zake met wat een ander heeft. Daarmee ben je dan verlost van alle belangstelling in wat anderen doen en verbruiken.

Wie vanuit het wild leeft zal ook niet de neiging in zich voelen aan zijn omgeving te gaan veranderen; de natuurlijke leefwijze is het zich zoeken van gelegenheden, niet het veranderen aan zijn omgeving. Dat wil niet zeggen dat door het leven der dieren er niets aan de omgeving waarin zij leven verandert, alleen dat ze niet naar die verandering die zij aanbrengen en naar dat behoud waaraan zij meewerken streven. Wat de maatschappelijke mensen, als je ze hoort praten en daarin gelooft, van de dieren, de natuurlijke mensen, de mensen die vanuit het wild leven, onderscheidt, is dat de maatschappelijken plannen hebben met hun omgeving en wel op zulk een korte termijn dat ze er zelf nog voordeel van hebben en dat ze er zelf nog gefrustreerd door zijn dat die veranderingen niet tot stand komen. Ze noemen dat politiek.

Er zijn mensen die de negatieve gevolgen van de massale luxe- consumptie (: de armoe bij wie die luxe niet hebben) proberen te lenigen. Dat is een nobel schijnend streven, maar het is doeltreffender wanneer het consumeren tot troost en als positief zelfvertoon in een wedstrijd om zichzelfs wil, wordt vermindert. Het is niet slechts zo dat de armen te zwak zijn en onvoldoende inspanning opbrengen om aan het voor hen nodige te komen, het is ook zo dat de rijken teveel gebruiken en verbruiken. Het breken van het spel van de massa die rijk is, het veranderen aan de mentale instelling van de middenklasse dus, is een fundamentelere aanpak dan het bestrijden van armoe. Die bestrijding kan bij het voortgaan van dit systeem van consumptiemaximalisatie door alle middenklassemensen nooit echt succes hebben. Als er een hardloopwedstrijd plaatsvindt, waaraan iedereen gedwongen wordt deel te nemen, dan zijn er maar drie winnaars, er is niet meer plaats op het schavotje. Dan is er het grote peloton, waar men tegen beter weten in waarde blijft hechten aan de onderlinge verschillen, ook al staat al lang vast dat geen van dezen die het grote peloton volgen ooit zal winnen. Waarom houden ze niet op met hun gejakker ? Waarom houden ze niet op met de wedstrijd, dat komt in consumptietermen hier op neer: waarom houden ze niet op onnodigs te consumeren, dan komen de achtergeblevenen en de door het gestreef naarachter gedrongenen, vanzelf bij en als men de voorlopers laat lopen, is voor hen na enige tijd de lol er waarschijnlijk ook af, of niet, dat is de zorg der massa niet.

Het deelnemen van ons allen aan de maatschappij in de door mij gebruikte pregnante betekenis, komt neer op het gedwongen deelnemen aan zo'n wedstrijd met weinig winnaars, veel mensen in het midden, die onnodig streven en vele achterblijvers.

'Leven vanuit het wild' is een korte manier om aan te duiden dat het verstandig is -de aarde en de natuur trouw te blijven, -te blijven zien dat vrede niet in de wereld gevonden kan worden omdat die volledig (tot en met de cultuur nu) doortrokken is van die genoemde wedstrijd, -te blijven zien dat de waarheid omtrent hoe je verstandig moet leven je niet op school en niet elders in de wereld geleerd zal worden, omdat wie jou dat leert, daarmee zijn eigen ruilend omgaan met jou onwinstgevend zou (dreigen te) maken, -te blijven zien dat vrijheid in de wereld niet kan bestaan (let wel: vrijheid is ongelijk aan keuzevrijheid en ongelijk aan soevereiniteit en ongelijk aan een leven waarvoor het eigen en andermans lichaam slechts als een liefst storingsvrij functionerende genotsprikkelontvanger wordt gebruikt door een vooral door anderen gevuld bewustzijn.

'Leven vanuit het wild' wijst op de noodzaak om huwelijk, gezin of welke andere partnerschap of samenlevingsvorm dan ook te maken tot een natuurreservaat voor jouzelf en de jouwen. Een natuurreservaat, waarbinnen de wereld geen toegang heeft en waarbinnen de mensen uit de wereld buiten geen toegang hebben. Het eigen THUIS, laat ik het zo noemen, moet een natuurreservaat zijn waarin in het wild geleefd wordt. Vanuit dat thuis gaan degenen die daar thuis zijn elke dag weer, BEWUST ERVAN DAT ZE DAT DOEN, de wereld binnen, na zich gecamoufleerd te hebben met de kleren die daarvoor nodig zijn. Let wel: mensen die vanuit het wild leven drukken niet hun persoonlijkheid uit in hun kleding, die persoonlijkheid is voor hen een verzameling gedragsregels die zij bewust, daar gaat het om, gebruiken om in de wereld niet negatief op te vallen bij het opscharrelen van de kost. Mensen die vanuit het wild leven weten dat ze niet samenvallen met hun persoonlijkheid, dat ze geen persoon zijn, maar een individu met een gebruiksartikel dat een persoonlijkheid heet. Die persoonlijkheid is passend bij de tijd en de plaats, dus tijdgebonden en plaatsgebonden en totaal niet verbonden met de individuele mens zelf, die zou, in een andere tijd en/of op een andere tijd kunnen leven en dan daar een andere persoonlijkheid nodig gehad en gekregen hebben. Thuis dient de menselijke individu zich als individu, tijdonafhankelijk, te ervaren, te kennen, te herkennen, te erkennen. Er is pas sprake van een thuis als natuurreservaat voor de wilde, de vrije mens, wanneer je ook door de anderen thuis als een individu wordt erkend en behandeld.

In menig gezin is de wereld volledig binnengedrongen: in de vorm van cultuur, zowel als in de vorm van civilisatie (met name de consumptie van de onnodige topprestaties van de medeknechten in de wereld) vooral via de media en als mode en "tijdloze smaak" meegekocht met gebruiksartikelen. In menig gezin wordt gestraft, dat is puur civilisatie, puur onnatuur. In menig gezin worden kinderen met geld beloond of met aandacht, acceptatie of "liefde". Die gezinnen zijn bouwcellen van de wereld als een groot concentratiekamp, waar uitgehongerd wordt en 'vernietigd door arbeid'. [Ik besef dat dat ineens heel extreem en hard klinkt, maar een week intensief televisie kijken is voldoende om alle zachte oordelen kwijt te raken over de wereld en wat daarin wordt gedaan.]

In zo'n gezin of zo, zo'n nietthuis, zo'n wereldcel, kan de mens niet opgroeien tot een individu. Als zodanig, als individu, als vrij ["wild" heet dat in het Nederlands] dier, leert het zich niet kennen, herkennen en erkennen.

In gezinnen waarin de wereld buiten wel als vijandig wordt afgeschilderd, werkt de wereld vaak door via de een of andere interpretatie van de bijbel alsnog via godsbeelden (b.v. de bankiergod, die geldbedragen [talenten] om mee te woekeren uitzet onder knechten).

Vraag: Valt er in de wereld dan niets te genieten ? Want dat lijkt toch een vooronderstelling van de bovenbeschreven benadering. Antwoord: Wie vanuit het wild leeft, doordat hij zich een natuurreservaat voor zichzelf (en soms enige anderen) heeft kunnen verschaffen, heeft de keuze tussen het PLEZIER, dat in de wereld te beleven is enerzijds en LUST anderzijds. Lust is "het plezier van de natuur"; een wat ongelukkige uitdrukking, maar ik wil er mee uitleggen dat in de natuur het functioneren (als lichaam en als geest) met lustbeleving gebeurt. Lust is gewoon een kant van functioneren. Soms is functioneren arbeiden in de zin van het in de situatie doen van het technisch nodige om in de nooddruft te voorzien, soms is functioneren spelen. Spelen, anders gezegd, is in de natuur: dat functioneren alsnog doen dat die dag bij het voorzien in het nodige niet optrad.

Voor wie ononderbroken in de wereld leeft en zich niet als individu in onderscheid tot zijn persoon bewust beleeft, is alles wat hij geniet in de wereld. "Alles wat is, is van de wereld", zo geldt voor hem. Hij heeft het woord 'wereld' dan ook over om het als etiket voor een deel van de civilisatie te gebruiken, als hij spreekt van 'een man van de wereld'. Terzijde: alle termen die ik als namen gebruik bij het beschrijven van de verschillende gebieden binnen de wereld, worden in de omgangstaal zowel als in de taal van de geleerden voor onvoorstelbaar veel verschillende begrippen gebruikt.

Wie vanuit het wild leeft kent het werkelijk gegeven feit dat hij een gevangene en dwangarbeider van zijn bezittende tijdgenoten is. Omdat er zoveel bezitters zijn, zeg maar : vrijwel geen niet-bezitters, kan men zelfs verkort stellen: ieder van ons is de gevangene van zijn tijdgenoten/ soortgenoten. Zij sluiten ons niet op maar bereiken precies hetzelfde resultaat door ons buiten hun bezittingen te sluiten. Je eigen woonruimte is de enige die je binnen mag zonder de verplichting er te consumeren, als te bearbeiden 'cliënt' te dienen of te produceren.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *