Jaap Schot, 25 juni 1991
Dit opstel geef ik de vorm van een ongevraagd advies aan diegenen die invloed hebben op wat er in de staat gebeurt en gevestigde belangen hebben. Zij zijn zowel bezitters als ouderen en vaak ook ouders.
De daad bij de woorden van dit opstel voegen, kunnen alleen diegenen die invloed hebben op wat er in de staat, de maatschappij, de samenleving gebeurt. Zij zijn bestuurders, leiders, beslissers, organisatoren, ondernemers, zowel als bezitters, ouderen en vaak ook ouders.
Zij zijn echter ook kiezers, die de aanbevolen daden bij deze woorden kunnen laten voegen. Zij zijn het die over de koopkracht beschikken, die aangewend moet worden in deze of gene richting. Ieders macht is minstens gelijk aan het geld "waarover hij vrij kan beschikken", dat is: hetwelk hij aan onnodigs kan besteden.
De wereld is hun wereld, niet de mijne.
De wereld ≠ de aarde. De wereld is het 'bord' waarop dat grote gezelschapsspel gespeeld wordt waarin de spelers zich onder en boven elkaar (rang)schikken. De aarde is die planeet waarop dat speelbord zich uitstrekt, maar die (door natuurrecht) van alle schepsels gelijkelijk is.
Dit opstel gaat over een vraagstuk en geeft een oplossing aan.
Alles wat te bezitten is, wordt al bezeten, is al van deze of gene wereldburger/ speler dus. Iedere nieuwkomer, ieder kind moet nu en later ook wat bezitten, verbruiken, consumeren. Dat is deels onvermijdelijk en deels omdat het onderwezen wordt en leert erbij te willen horen. Het leert mee te willen doen in het wereldspel. Het bezit van de nieuwkomer zal dus in mindering komen op het bezit van de aanwezigen, op hun gevestigde belangen, tenzij de nieuwkomer in kwestie het equivalent in goederen en diensten van zijn consumptie/bezit zelf aanmaakt, door het besteden – respectievelijk, investeren – van zijn tijd, aandacht, energie, vaardigheden, kracht en leervermogen.
Dat feit heeft velen ertoe gebracht voor opleiden te zijn. Opleiden is: in staat laten worden tot het genoemde zelf aanmaken van het equivalent van eigen bezit en consumptie (inclusief, verbruik).
Om dat aanmaken/ presteren te kunnen doen, moet de betrokkene echter ook de gelegenheid daartoe hebben.
Om echt te zijn, meegeteld te worden moet de prestatie het spel binnenkomen als loonarbeid. De prestatie moet een antwoord zijn op een koopkrachtige vraag. Vraag, behoefte, of zelfs noodzaak, die niet koopkrachtig is, maakt geen deel uit van het rangschikspel, telt niet mee in de economie.
Deze ("werk")gelegenheid is verdeeld in porties, die 'banen' heten. Die banen zijn, op hun beurt ook weer gewoon bezit. Vandaar dat het verschaffen van een baan aan iedereen niet lukt, want zomaar 'om niet' delen komt in het spel niet voor. Delen is wezensvreemd aan dat spel, dat nu juist is: vechten om er binnen te komen, mee te mogen doen en dan vechten om het bezitbare inclusief de banen, erebanen en functies.
Want gevochten wordt er om de rang die (ook) aan het hebben vastzit.
Het is nu wel duidelijk voor iedereen dat er een einde is aan de – voor bezitten beschikbare – natuur, goederen, spul, te bewerken materie, te bewerken natuurproducten. Er is een einde aan de economische groei op die dimensie ('maakbaars en bezitbaars' dat van de levende natuur afkomstig is).
Opleiden is niet de oplossing
Een tegenwoordig gangbaar voorstel voor een oplossing is: de kinderen opleiden tot het aan anderen verlenen van diensten. De prostitué, de popster, de goochelaar en de kapper kunnen hier als (school)voorbeelden dienen. De dienstverleners worden vernederd, ze dienen, ze doen kunstjes.
Die vernedering bannen ze uit hun bewustzijn door vooral te denken aan hetgeen ze verdienen. Door hun aandacht volledig te richten op dat waarvoor ze hun dienen ruilen: geld. Geld is koopkracht, waarmee ze zich op hun beurt kunnen laten dienen. De dienstverlener werkt voor het applaus, voor het geld dat niet stinkt.
De meeste diensten zijn van nature onnodig. Ze dienen, voor degene die zich laat (be)dienen, slechts als middel om op zijn beurt te heersen. Dienen is de achterkant van heersen. Niemand kan heersen zonder door soortgenoten gediend te worden. Niemand kan een rang (een status) hebben zonder boven anderen (achtergestelden, dienaren, dienstverleners, ondergeschikten) verheven (bevoorrecht) te zijn. Hoe meer dienstverlening er in de mensenmassa wordt ingevoerd, hoe meer wrok, rancune, ressentiment er gekweekt wordt.
Daarom is die oplossing niet goed, ze leidt tot onderlinge vijandschap van alle ingezetenen.
De dienstverleners produceren niets nodigs, doen dat tenminste niet zonder van hun klanten invalide‑achtige, onhandige sukkels, onderpresteerders, te maken en elkaar te (ver)doemen tot eindeloos hetzelfde doen als specialist. Er zijn eindeloos veel propagandaverhalen in omloop over het hele vlak van dienstverlenen en specialiseren, maar die verhalen zijn slechts op weinige punten waar. De chirurg is soms onmisbaar, maar dat de kapper nodig is, komt door de onnodige druk 'er met nette haren bij te lopen' die men op elkaar uitoefent.
Het probleem van de gevestigden, de bezitters, is: wat te doen met (respectievelijk, jegens) de overtollige armen, die minder bezitten dan ze nodig hebben of verlangen? Wat met hen te doen, nu het dood laten hongeren van (de kinderen van) landgenoten vlakbij niet haalbaar is en ze niet allemaal aan het bewerken (dat vooronderstelt, het vernielen) van 'het milieu' kunnen worden tewerkgesteld, terwijl het hen elkaar en de gevestigden laten dienen haat oplevert en daardoor gevaar voor de gevestigden.
Scholen is het advies
Mijn ongevraagd advies is: school ze. Scholen is geen opleiden. Scholen is gelegenheid tot leren geven.
Klik op afbeelding om te vergroten.
Leren is geen milieubewerking (wat milieuvernietiging wordt door verstoring minstens). Leren is ook geen dienst verlenen aan een ander. Het is niet mogelijk iets voor een ander te leren. Leren is niet iets wat je voor een ander kunt doen. Zo min als ik voor een ander adem kan halen, kan ik voor een ander iets leren.
Scholen leidt tot leren, leren is meer gaan kunnen en meer gaan weten (c.q. zich meer gaan kunnen herinneren). Leren is een vorm van functioneren, in dit geval van het lichaamsdeel 'zenuwstelsel'. Zoals bewegen het functioneren is van het lichaamsdeel 'bewegingsapparaat'.
Als alle functioneren geeft lust, een slechts introspectief waarneembaar natuurverschijnsel. Voor het beleven van lust wil men niet nog een keer beloond worden. Dat is het verschil tussen hoererij en promiscuïteit ('vrije seks').
Wie van leren een plicht of een wedstrijdvorm maakt, vernietigt het als vorm van functioneren. Want hij berooft de lerende van de macht over het beginnen, vormgeven en beëindigen van de bezigheid. Wie functioneert heeft zelf het beginnen (het initiatief) en het eindigen in zijn macht. Komt die macht bij een ander, dan is de lust verdwenen.
Iedereen die leert, bewerkt als het ware zijn eigen zenuwstelsel. Hij besteedt aan het vermeerderen van zijn kennen en kunnen, (lust belevend) zijn tijd, aandacht, energie en leervermogen. Dat beleven van lust maakt hen vreedzaam, ongevaarlijk.
Mijn advies is dan ook: betaal voor dit scholen. Dat wil zeggen, voor dat verminderen van gevaar. Betaal met dat geld dat je nu toch al kwijt bent aan verzekeringspremies. En aan budgetten voor defensie, politie en justitie.
Boek de kosten op de (grootboek)rekening 'defensie', want alles wat de spelers van het genoemde spel (zich door elkaar te overtreffen rangschikken) heilig en dierbaar is, wordt ermee verdedigd: het voortduren van het spel, het zo klein mogelijk blijven (respectievelijk, worden) van het aantal deelnemers, de regels van het spel, de (actuele en principiële) stand en gang van zaken in het spel.
Vrije keuze bij leren
Het maakt volstrekt niets uit wat er geleerd wordt. Als het maar de keuze is van degenen die leren. Als ze maar in het leren lust beleven en aan het ontdekken – van voor hen, nieuws – vreugde.
Voor veel leren is onderwijs onmisbaar. Dat is gewone werkgelegenheid, binnen het spel. Voor vrijwel alle leren zijn leermiddelen nodig, onvoorstelbaar veel meer dan er nu beschikbaar zijn voor het bestaande, verplichte onderwijs. Het aanmaken en ter beschikking stellen van die leermiddelen is ook weer gewone werkgelegenheid.
Ook het controleren van het geleerd‑hebben, het examineren, is weer gewone werkgelegenheid.
Voor het feit dat ze bewijzen geleerd te hebben, dienen ze met geld beloond te worden. Leren dient een manier te zijn om zijn tijd, aandacht, energie, vaardigheden en leervermogen om te zetten in geld. Gewoon, niet stinkend, geld.
Deze gelegenheid om aan geld te komen door te leren, dient dan als middel om te voldoen aan het mensenrecht op arbeid.
Klik op afbeelding om te vergroten.
Zodra, zolang en in zoverre onder 'arbeid' in dit verband slechts wordt verstaan het omgaan met het milieu en het dienen van anderen, blijkt aan dit mensenrecht niet te kunnen worden voldaan.
Nu wordt dat recht op z'n best afgekocht door een uitkering te geven aan diegenen die niet bezig kunnen zijn in goederenaanmaak, of als dienaar. Zie bovengenoemde schoolvoorbeelden.
Het gaat er om de overtolligen, de vele voor het spel onnodigen, ja storenden, ongevaarlijk te houden.
Daartoe moeten ze niet worden bezig gehouden, [ zoals nu gebeurt, door het leger van amuseerders en opjutters. Dat moet niet, want dat blijkt het gevaar niet te keren].
Nee, daartoe moeten ze worden bezig gelaten.
Van dit leren dat bezig laten is, mag geen werken gemaakt worden:
beginnen, vormgeven en ophouden moeten binnen de "macht" van de lerende(n) blijven. "Macht" tussen aanhalingstekens, want alle macht (alle onderschikking dus) dient buiten dit leer‑rijk te worden gehouden. Het leer‑rijk moet buiten spel, buiten alle rangschikking blijven. Anders verliest het zijn doeltreffendheid als afvoerbuis voor overtollige potentiële mededingers in het spel dat ook passend "Overtreffertje" genoemd zou kunnen worden.
Het gaat er om leefgelegenheid buiten spel te scheppen voor al die overtollige potentiële deelnemers. Niet slechts de aarde is overbevolkt met mensen, ook de wereld (het spelbord voor "Overtreffertje").
Die leefgelegenheid scheppen dat kan, door het geven van OMZETTINGSGELEGENHEID (van tijd, aandacht, energie enzovoort in geld) buiten goederenaanmaak en dienstverlening om.
Werkgelegenheid scheppen buiten goederenaanmaak en dienstverlening om. Dat kan weer door leren tot een directe manier van aan geld komen te maken. Dat is een goedkopere manier om (als bezitters/ spelers met gevestigde belangen) de eigen veiligheid, en de veiligheid van het spel en van de bezittingen, te kopen dan het voeren van oorlog tegen de armen. Bovendien is deze manier van het vredig maken van de omgeving van het spel
1
minder verruwend.
Wie een rang heeft, mist niets aan de bewondering en afgunst van diegenen die dan niet langer arm, onzelfstandig en afhankelijk binnen spel zijn. Hun oordeel over de mensen van rang weegt nu toch ook niet. Zij zijn nu ook niet doelgroep van het vertonend verbruik van wat men zich zoal veroorloven kan.
Jaap Schot, 29 juni 1991
Het is opvallend dat het uitschrijven van dit positieve, constructieve voorstel mij verveelt. Ik ben ervan overtuigd dat het nooit onder de aandacht van invloedrijken komt en ik verwacht dat zelfs als ooit iemand het voorstel leest ,hij het niet zal willen uitvoeren. Dat maakt niets uit, maar deze gedachte maakt wel dat ik de txaenz niet heb om het verder uit te werken.
Welke factor in het vermenigvuldigingsproduct 'txaenz' nu precies de beperkende, tot vrijwel nul reducerende, is, weet ik niet. Er blijkt in dat vermenigvuldigingsproduct in ieder geval een factor 'door vermoede steun van anderen overeind gehouden kracht om er aan te werken' of zo te zitten.
Belang heb ik er zelf ook niet meer bij. Toen ik jong was, was er de gelegenheid om kosteloos te leren, me te laten scholen. Mijn moeder heeft me die kans laten benutten. Daartoe derfde ze inkomen, daarvoor werkte ze zelf in loondienst. Dienst waaraan ze geen enkel plezier beleefde. Ik deed alleen mijn best op school, ook zonder daaraan echt plezier te beleven. De middelbare school (in mijn geval de rijks hogere burger school) was geen aangename leefomgeving voor mij. De kweekschool en de universitaire studie psychologie kostten mij ook geen geld.
Alles bij elkaar heb ik zo weinig mogelijk gediend. Ik had en heb geen zin me te (laten) vernederen en dan een daarvoor compenserend zielenleven op te bouwen waarin ik het rangschikken goedkeur door mij (al of niet) in de rang die ik dan heb, te schikken. Vrede is er buiten het spel, daar hoef ik niet te kiezen tussen 'anderen overtreffen' en 'gebruikt worden'.
Menigeen streeft naar voorrechten zonder enige belangstelling voor wie van de anderen nu dezelfde, meer of minder of zelfs geen voorrechten heeft (geniet). Ik heb er nooit enige belangstelling voor gehad. Binnen het onderwijs was het mogelijk aan de eisen te voldoen, zonder te wedijveren met anderen. Dat is wat ik – in het bovenstaande – voorstel mogelijk te houden, ja voor meer mensen mogelijk te maken. Ook voor mensen die geen ander hebben die hen financieel onderhouden. Dat is het hele verhaal. In de wereld, op het speelbord van de zich – onderling vechtend – rangschikkende bezitters kan niemand zonder geld ongestoord leven. Want zelfs het nemen en verbruiken van het nodige voor je leven en welzijn, noemen de bezitters "stelen". En om stelen vallen ze je lastig.
Een basisinkomen gepaard aan gratis onderwijs is een minder goede oplossing, omdat dan voor het bezig zijn, ‑ aan het je scholen, of aan enig ander vrijwillig werk ‑, alle motivatie wegvalt. Wie tegen betaling leert (zich laat onderwijzen, onderzoekend bestudeert met gebruikmaking van de – voor hem toegankelijk gemaakte – daarvoor nodige leermiddelen / apparatuur) of tegen betaling werkt of geen inkomen uit txaenz‑besteden heeft, is zelfstandig, ondernemend bezig voor zichzelf (en de zijnen) te zorgen.
Dat is niet te zeggen over, en niet te beleven voor, wie een uitkering krijgen zonder de gelegenheid tot werken of leren. De huidige uitkeringen zijn er niet slechts zonder de gelegenheid daartoe, maar zelfs met een uitdrukkelijk verbod daarvan. De huidige uitkeringen gaan voor velen samen met een druk die op hen uitgeoefend wordt, om loonarbeid te zoeken. Loonarbeid, verdeeld in banen, wordt bezeten zoals land bezeten wordt. Koopkrachtige vraag is het enige waardoor gelegenheid tot loonarbeid wordt geschapen. Koopkrachtige vraag is eindig, dus de hoeveelheid beschikbare loonarbeid is eindig. Van te kleine perceeltjes land is evenmin te leven als van te kleine (deeltijd)banen.
Het scheppen van de txaenz-bestedingsgelegenheid 'leren' als alternatief naast de txaenz-bestedingsgelegenheid 'loonarbeid' stel ik in dit stuk voor. Dat scheppen kan financieel neutraal gebeuren. Er hoeft geen extra geld voor uitgegeven te worden. Men kan beslissen dat het dat mag kosten wat het bespaart, plus een betaling voor wat het oplevert.
Waarschijnlijk zou het de moeite waard zijn heel uitdrukkelijk te stellen dat wie leren, niet meedoen aan het zich rangschikken met goederen als rangonderscheidingstekenen. Dat kan ook voor diegenen onder de lerenden, die het zich rangschikken niet willen missen. Aan hen kunnen schouderstukken worden uitgereikt waarmee ze hun examenresultaten kunnen vertonen.
Wie nu, na een universitaire studie, in loonarbeid of als ondernemer gaan dienen voor geld en status symboliserende spullen combineren reeds beide vormen van rangonderscheiden.
Zo min als voor het loonarbeiden iedereen geschikt is, is iedereen geschikt voor het leven van leren. Wie beide kunnen, hebben de keus. Het meest waarschijnlijk is dat er zowel voor de zogenaamd productieve arbeid 2 als voor het leren, ruim voldoende mensen beschikbaar zullen zijn. Het probleem wat te doen met wie nergens geschikt voor zijn of niet willen deugen, zou minder groot worden door het invoeren van leren als manier om aan een inkomen te komen.
Jaap Schot, 3 september 1991
Dit is een voorstel om binnen onze geciviliseerde maatschappij mensen die dat willen, de gelegenheid te geven in hun levensonderhoud te voorzien door (in ruil) voor geld te leren. Het voorstel is dus niet om het voor mensen gratis te maken te leren, zoals dat nu hier en daar – zo men wil, in het beste geval – wel gebeurt. Het voorstel houdt in mensen te betalen, een loon te geven, voor het feit dat ze leren. Leren kan de vorm hebben van onderwijs (een dienst) consumeren. Het voorstel is nu om ook dat, dat leren dat consumeren is, te belonen.
Op het eerste gezicht lijkt dat dwaas: consumeren als manier om aan geld te komen voor zijn levensonderhoud. Velen in deze maatschappij hebben echter ook nu al geen andere functie dan die van consument. Velen van ons doen niets anders dan volstrekt onnodige en zelfs schadelijke rommel aanmaken voor elkaar. Iedereen die ooit bewust (al was het alleen maar van milieu en gezondheid) naar de aanmaak en consumptie van alcoholica, shag, sigaretten en personenauto's keek heeft al voldoende voorbeelden. Het meeste onnodigs dat te koop is, heeft een veel positievere ("betere") pers, een veel minder negatieve roep dan de zojuist genoemde, al zijn er woorden als rommel, kitsch, rotzooi en troep. Het gewone volk wordt ertoe gebracht zichzelf, elk de ander(en), elkaar, bezig te houden door het consumeren van onnodige en zelfs schadelijke rommel. Dat gebeurt omdat (of minstens: terwijl) er daaraan door ondernemende tijdgenoten "verdiend" wordt (winst gemaakt wordt).
Dit voorstel is niets anders dan: laat het volk zich bezig ook houden met 'onderwijzen en leren', deels in plaats van met 'milieuschadende rommelproductie'. Aan het verzorgen van onderwijs, kunnen evenzeer en evenveel ondernemende tijdgenoten verdienen, winst maken als aan dat (laten) aanmaken van schadelijk onnodigs. Dit voorstel houdt niet in: het laatstgenoemde produceren ineens, met geweld, geheel te vervangen door onderwijzen en leren. Dit voorstel houdt alleen in: 'onderwijzen en leren' als een alternatief te openen naast 'schadelijke rotzooi aanmaken en verbruiken'.
Qua "economie" en qua "filosofie" (liberalisme) van "onze" samenleving, hoeft er voor dit voorstel niets te veranderen. Het vechtend ongelijk verdelen van goederen en diensten gaat net zo door als het nu aan de gang (en doel) is.
Uitgezocht moet worden hoe die geldstroom wordt veroorzaakt en onderhouden die die mensen bezig houdt die de genoemde rommel voor elkaar aanmaken en verbruiken, een geldstroom die ook nog vergezeld gaat van de geldstroom die hen van het voor hun leven en welzijn nodige voorziet, voorzover de consumenten van die rotzooi niet ondervoed, slecht gehuisvest, slecht gekleed en slecht geschoeid zijn. Wat is er tegen om een deel van die geldstroom voor onderwijzen en leren te laten bestemd zijn, die nu voor rommel bestemd is. De aanmakers en verbruikers van rommel voegen niets nodigs aan het beschikbare nodigs toe. Hielden ze elkaar met onderwijzen, leren en examineren bezig, dan waren ze waarschijnlijk minder schadelijk voor elkaar en voor het milieu. De aanmakers van rotzooi worden voor dat aanmaken nu betaald, ze zijn echte werknemers en echte ondernemers. Ze hebben geen enkel nut. Hun bezig zijn is puur bezig zijn aan het (ongelijk natuurlijk) verdelen van geld. Ze voegen net zo min iets aan het echte nationale product toe als de loterijen. Ongelijk verdelen van geld vindt kennelijk ook 'om zichzelfs wil' plaats. Waarom zijn er dan naast de rotzooi-industrie en de gokpaleizen geen scholen waarin dat ongelijk verdelen 'om zichzelfs wil' plaatsvindt?
Scholen dus, geen opleidingsinstituten, want dit voorstel gaat niet over opleidingen. Het gaat over 'om zichzelfs wil' leren kunnen en leren kennen, ongeacht nutteloos of nuttig. Alleen maar door de leerling gewenst, net zoals rotzooi alleen maar door de koper gewenst is.
De staat bemoeit zich niet met het nut van de artikelen op de markt.
Waarom dan wel met hetgeen onderwezen en geleerd wordt?
Het leger is ook niet aantoonbaar nuttig, het nut daarvan is ook een geloof. Waarom kan men er niet van uit gaan dat er lui zijn die geloven in het nut van geleerden? Wat brengt de mensen in onze samenleving ertoe te geloven in het nut van rotzooi? Want daar geloven ze in als we de begrippen uit de economen-theologie van de markt moeten gebruiken om hun gedrag (die rotzooi kopen) te beschrijven, te begrijpen. Misschien kun je het leger en de politie niet privatiseren, maar waarom het onderwijs niet? Nu, bij het bestaan van een staatsmonopolie met consumptiedwang (leerplicht die op schoolplicht neerkomt), zijn de resultaten niet verheffend. Het kan beter, dat weet iedereen. Als je wilt dat het volk slim gemaakt, het land verdedigd, geld ongelijk verdeeld wordt, dan stel je een budget (een ministerie) ter beschikking voor onderwijs, voor defensie en voor economie. Waartoe worden die geldstromen op zo diverse manier onder de mensen gebracht?
1) Wat menselijker geformuleerd: de massa omwonenden, de nu toch ook niet echt spelende tijdgenoten.
2) Dienen, en spullen maken van – uiteindelijk – natuurproducten.




0 Reacties