Schrik, angst en vrees

Categorieën: Overige teksten

Trefwoorden: censuur

Jaap Schot, 9 april 1991

In deze tekst wil ik angst, vrees en schrik van elkaar onderscheiden. Er zijn geen vaste regels voor het gebruik van die woorden, men praat maar wat aan, net als elders waar men het over onaangename zaken heeft. Men maakt er gevoel bij aan en let verder niet op wat men zegt, want het gaat hen niet om het beschrijven van de omstandigheden waarin en waarbij men gevoel aanmaakt, maar om het verwerven van meegevoel.

Van het plotseling en onverwacht waarnemen van mogelijk negatiefs, gewelddadigs, wordt geschrokken. Het mogelijk dreigende is gegeven, aanwezig dus, waar te nemen, echt, hier en nu, actueel, niet verzonnen, niet herinnerd. Daar vindt schrikken plaats. De schrik is er voordat er iets verzonnen is en voordat er iets herinnerd wordt. Je schrikt als dier, schrikken is natuurlijk gedrag, het is instinctief ingebouwd, kuikens hoeven niet te leren om van roofvogel-silhouetten te schrikken en zich als reactie op het waarnemen van zo'n silhouet tegen de grond te drukken. Schrikken treedt ineens op en het duurt een poosje tot het verschrikt zijn over is. Wie geschrokken is, hoeft niet bang te zijn (geworden), hoeft hetgeen waarvan hij schrok niet te vrezen, ook niet als dat waarvan hij schrok voor hem gevaarlijk, bedreigend, schadelijk of zelfs vernietigend is. Geschrokken wordt er bijvoorbeeld van harde en plotselinge geluiden en, in mindere mate ook van het onverklaarbaar ineens wegvallen van geluiden.

Angst en vrees staan los van schrik. Angst en vrees zijn maaksels. Uit verzinsels en/of herinneringen worden verwachtingen gemaakt en wel van de negatieve soort, namelijk vrees (er zijn ook hoop en verlangen te maken van diezelfde ingrediënten: verzinsels en herinneringen). Het negatieve (van de negatieve verwachtingen die wij vrezen noemen) zit 'm in de toegevoegde gevoelens. Verwachten is neutraal ten aanzien van gevoel, pas met gevoel eraan toegevoegd krijgen we hoop, vrees, verlangen en dergelijke.
Zonder verwachten is er geen meevallen en geen tegenvallen (teleurstellen).

  1. Wat niet waargenomen is kan niet herinnerd worden, kan niet actief worden als ingrediënt voor een verwachting.
  2. Wat een mens (ik ga nu weer weg uit het dierenrijk, daar hoef ik voorlopig voor mijn bespreking van dit onderwerp niet te zijn om de verschijnselen te kunnen aanduiden) invalt aan herinneringen kan hij niet beheersen. Oh, maar verdringen dan; dat is hier niet ter zake, want de herinneringen werken al als fabriek voor angst en vrees voordat ze bewust worden. Misschien is het beter van 'in werking treden' te spreken dan van invallen, als we invallen opvatten als 'in het bewustzijn binnenvallen'.

Gezien 1 en 2 moet er censuur zijn.

Het is een drogreden vanuit het heilig vrije ondernemen binnen het spel 'gedemocratiseerde civilisatie' dat iedereen alles zou mogen vertonen aan iedereen. Het is bijvoorbeeld diepe onzin dat gruwel-(video)films onder de bescherming van de wet op de vrijheid van drukpers / meningsuiting worden gebracht. Vrijheid van meningsuiting is al onzin, want het gaat bij het leven buiten het spel niet om meningen, niet om smaken, voorkeuren, verzinsels, verwachtingen, maar om waarheid. Het vrijelijk laten uiten van verwachtingen doet de vroeger in voorvaderen door mishandeling gevestigde angsten voortbestaan via hun kinderen en de kinderen daar weer van, tot de mensheid uitsterft.

Nu moeten we in dit opstel eindeloos onderscheidingen en contexten, omgevingen, omstandigheden, invoeren om iets te begrijpen van (dat is dus in het abstracte, in het denken: greep te krijgen op) angst en vrees bij de geciviliseerden waartussen wij leven. Angst en vrees onder het schrikbewind dus.

De naam 'schrikbewind' was passend voor die fase van de civilisatie waar er nog geen wetten waren waaraan de straffers gebonden waren, waardoor de straffers werden gehinderd. De mishandeling, de straf kwam onverwacht, plotseling en was dus verschrikkelijk.

We zijn nu verder, niet het geweldplegen jegens ondergeschikten, onderdanen, is regel, maar het dreigen. Het dreigen echter ook al niet meer met lijfelijke mishandeling door 'gezagsdragers', maar het dreigen met mishandeling, boosheid, afwijzing, minachting, verachting en spot door leeftijdsgenoten of andere gelijkrangigen ('peers' in het Engels), de buren in de wijk, de collega's op het werk.

Het zien of ondergaan van geweldpleging roept in elk dier de neiging wakker om te vluchten. Waartoe komt immers in de natuur geweldpleging voor? Wel, ten eerste het roofdier dat zich een prooi neemt (oftewel: bemachtigt). Daar is vluchten uiteraard meestal passend voor het prooidier. Soms zal het prooidier zich liever verdedigen, soms zal het geen keuze hebben. Een tweede geweldpleging die voorkomt is die tussen soortgenoten, die te maken heeft met dominantie binnen een groep. Daarnaast zijn er territoriale verdedigingsbezigheden en het verdedigen van harems. Kortom, gevecht is er alom, als aanvallen en als verdedigen.

Terug naar de mensen: de mens beoefent geweldpleging als mishandeling, die soms straf wordt genoemd, soms 'een lesje leren' / mores leren. Wat betekent dat woord straf? Het gaat hier om: wie mishandelt is enkel en alleen bezig het geheugen te vullen van degene die hij mishandelt. Hij wil andermans geheugen vullen met een psychisch trauma, een wond. Hij wil de ander bedreigbaar maken in de toekomst. Hij wil de ander bang (van hem en zijn soort "meerderen") maken.

Bang zijn, dat is geneigd zijn tot vluchten maar daartoe niet in de gelegenheid.

De mishandeling die ze straf noemen is er om zich te omgeven met bange (mede)gevangenen. Het is dus geen zinloze, doelloze geweldpleging. Ook het zomaar doden van dieren (die men niet opeet of als lijk anderszins benut) is meestal om de mensen te intimideren die men dat doden laat zien en die men laat leven.

Dit is nog het eenvoudige schema van het vestigen van een brute dictatuur: een leger met een onderdrukt volk; cipiers met gevangenen. Verschillend daarvan is de slavenmaatschappij. Een slaaf is een zoals boven beschreven bang gemaakte die een verhaal heeft aanvaard (als waar) waarin verteld wordt dat straffen goed is.
Goed en niet alleen 'in orde'.

Dat straffen in orde is kan ik ook waarnemen, straf is de ruggengraat van de orde in de dictatuur, dat is: in de civilisatie. Alle bewind is schrikbewind. Er bestaat geen gezag anders dan als waanvoorstelling van slaven. Er is geen gezag, slechts geweldpleging (lijfelijk en psychisch) en de dreiging daarmee. Het met geweldpleging kunnen bedreigen heet 'macht hebben'. Er is geen wezenlijk verschil tussen macht, voorrecht (inclusief eigendomsrecht) en geld, het is: kunnen (laten) bedreigen met fysiek geweld. Het hele stelsel van voorrechten, rechten en plichten, de hele organisatie van de maatschappij, berust op, eindigt op de vuurwapens van politie en leger. Het dreigend achter de hand hebben daarvan, het dreigen ermee, het gebruiken ervan, daaruit bestaat het fundament van "onze" samenleving, "onze" maatschappij, "onze" civilisatie. Samenleving en maatschappij en civilisatie zijn synoniemen geworden doordat in onze democratie iedereen die meetelt al zijn tijd, aandacht en energie besteedt binnen het rangschikspel: als hij "werkt", als producent soms, als consument altijd, omdat alles wat iemand nodig heeft altijd al in bezit van iemand anders is en dus gekocht, gehuurd, betaald, geruild moet worden.

Die hele organisatie is niet de oplossing voor een of ander probleem, ze is nergens voor nodig, ze is even onnodig als "het voetbal", als alle afspraken en regels en gedoe, gevoel en gedenk daarin. Er is een tijd geweest dat er vele mensen leefden en er toch totaal geen voetbal was. Het invoeren van voetbal loste niets op, maar alle spelers, bobo's, financiers, toeschouwers en andere betrokkenen bij het voetballen nu willen dat het spel voortbestaat.

Zo is het ook met onze geciviliseerde gedemocratiseerde samenleving, ook dat is puur een spel. Er is niets goeds aan wat er gebeurt (= gedaan wordt) door de mensen die de regels handhaven, de kinderen dwingen zich op meespelen voor te bereiden en hen mores leren. Het is wel in orde. Het spel civilisatie is die orde.

Een slaaf is iemand die een verhaal heeft aanvaard als waar, waarin niet te ontkennen feiten aan elkaar gepraat worden: zijn gevangenschap in en de wetten (de voorrechten, de rechten en de plichten) van het schrikbewind. Dat verhaal is een begrippensysteem, het mishandeld ("gestraft") worden is met behulp van dat systeem begrijpelijk en niet onverwacht. Het verhaal is geen theorie, dan zou het zich in zijn werking beperken tot het niet langer onverwacht doen zijn van die verschijnselen. Nee, het verhaal praat het gebeuren goed. Het verhaal is er op gericht, ervoor bedoeld, ervoor in gebruik om het gebeurende (in dit geval het handelen, het 'civilisatietje spelen, het zich rangschikken) te accepteren, niet als feit maar als norm. Niet het is zo, beweert het verhaal, nee: het hoort zo, het is goed zo. Macht noemt de slaaf "gezag". Mishandeling noemt hij legitieme straf.
In deze verhalen, deze begrippensystemen, er zijn er duizenden van, wemelt het van de verzinsels: goden, IETSen (bijvoorbeeld: Het Rode Kruis, De Philips, De Staat der Nederlanden), en: de toekomst en het verleden.

Het is duidelijk dat de gevangenen het regelmatig (voorspelbaar) maken van de onderdrukking als een vooruitgang ervaren. Mishandeld worden is nu immers te vermijden. Mishandeld (gestraft) worden is nu echter gevolg van gebrekkig vermijdingsgedrag (gehoorzamen en/of de noodzaak een bevel uit te spreken voorkomen) van de geknechte*. Dus zijn eigen schuld. Voor de reactie van de heer op het gedrag van de knecht, wordt de knecht verantwoordelijk gesteld. Dat is het voordeel voor de heer, die is van de hem zojuist in de afgelopen eeuwen door beschavers (vaak priesters) aangeprate schuld af. In dat kader van aangeprate verantwoordelijkheid voor ondergeschikten wegwerken zijn bij ons, in de democratieën de burgers slaven in zelfbezit gemaakt: vrijgekochten.
Schuld is ook een fraai voorbeeld van een verzinsel.

Wat geldt, in plaats van wat waar is.

Laten we kijken wat er hier gebeurt: de gevangenen planten zich voort, er komen kinderen, die in gevangenschap geboren worden. De vaders leren deze kinderen mores (dat is het Latijn voor zeden en het zijn in de civilisatie gewoon het bovengenoemde geheel van voorrechten, rechten en plichten). De vaders slaan hun kinderen om deze het vermijden van strafbaars buitenshuis aan te leren. Dat is het verhaal, dat is de smoes.
In feite spelen ze dictatortje thuis, in feite halen ze de civilisatie in het gezin, dat een natuurreservaat dient te zijn, waarin de kinderen beschermd tegen de dictatuur kunnen opgroeien. Als iemand die bescherming niet kan geven moet hij zich niet voortplanten. Zo eenvoudig is dat. Lui die zich in gevangenschap, in civilisatie dus, voortplanten, deugen niet. Ze laten kinderen komen om dezelfde reden als waarom anderen papagaaien kopen: om te hebben. Soms ook om dezelfde reden als waarom sommigen een hond nemen: om op hun beurt een mindere, een ondergeschikte, te hebben.

Die geciviliseerden zijn als dier geboren en toen dwaas, gek, onverstandig dus, van angst gemaakt door mishandeling (straf heet dat binnen het geheel van mystificeren en mishandelen dat ze opvoeden noemen).

Iedere geciviliseerde is een krankzinnig gemaakt dier. Zo'n wrak laat na wat het moet doen voor zijn leven en welzijn en doet wat hem en anderen leven en welzijn kost.

De geciviliseerde kan niet wegvluchten, want hij is een gevangene. Hij kan ook niet zich doeltreffend met geweld verdedigen tegen degenen die hem aanvallen, mishandelen, vasthouden, belemmeren, "straffen". De geciviliseerden zijn in gevaar. Niet in levensgevaar, maar in welzijnsgevaar. Ononderbroken dreigt hen het mishandeld worden. De dreiging komt van de andere geciviliseerden, die biologisch hun soortgenoten zijn. Erger: die van nature hem bondgenoten, helpers, want volksgroepsgenoten zijn. Aanvankelijk komt de bedreiging van hun ouders, dat wil zeggen van degenen die hen volgens de biologische wetten dienen te beschermen. Juist de ouders maakten de nu geciviliseerden gek.

Het dier, het kind, is niet in staat te begrijpen het biologisch onmogelijke verschijnsel van de ouders die hun kind mishandelen, aanvallen, bedreigen. Ik begrijp het ook niet, dank zij het feit dat mijn moeder zich biologisch normaal jegens mij heeft gedragen. Het kind, zijnde een dier is op mishandeling vanwege de eigen ouders niet voorbereid, is niet voorzien van tegen daar gek van worden beschermende instincten.

Geciviliseerden zijn allereerst gek van verwarring, pas dan van angst en van wil en begeerte.

Het kind kan gevaar herkennen, kan daarop passend reageren met vluchten, zich gedekt houden, zich verbergen en in uiterste geval zich vechtend verdedigen. Gevaar komt van vreemden, verbergen gaat voor vluchten, vluchten gaat voor vechten, passief ondergaan komt niet op het programma voor: van nature is het kind/ het dier niet gek, het laat zich niet mishandelen, niet straffen. Maar het kind is niet in natuurlijke omstandigheden, heeft geen natuurlijke mensen maar geciviliseerden, gekken dus, als omstanders, en wordt niet door vreemden, maar door de eigen ouders bedreigd. Zo is het in het gezin waar het leert gehoorzamen, knecht leert zijn. Ook in het gezin waar het leert functioneren als Koning Klant en Jan Publiek?

Van nature heeft het kind aanleg om een taal te leren, in de ruimste zin van het woord ("taal leren"): niet alleen als spreken, het strottenhoofd gebruiken, maar ook als ""denken"", het tot taalgebruik strekkende deel van de grote hersenen gebruiken: begrippenapparaten als software in zijn werkgeheugen krijgen.

Het kind dat geciviliseerd wordt (opgevoed dus: mishandeld, bedreigd, gevangen gehouden) leert ook een taal, krijgt naast spraak ook begrippenapparatuur, die vol zit met VERZINSELS DIE ERTOE DIENEN HET ONVERENIGBARE (ouderschap en mishandeling, moeten serieus nemen als waarschuwer en liefhebben enerzijds en als bedreiging waarnemen en moeten gehoorzamen anderzijds) AAN ELKAAR TE PRATEN, het verwacht te maken en het als goed, behoorlijk voor te stellen. Wie hun taal kent, vindt hetgeen de geciviliseerden doen niet meer onverwacht. Hij kan het met die taal niet als gek herkennen. Hij kan er dat wat hij met zijn dierenverstand kent en weet niet zomaar mee begrijpen en verwoorden. Hij is gemystificeerd. Zo kan hij bijvoorbeeld straf niet meer als mishandeling herkennen, erkennen, benoemen.

Van wat hij zelf als dier waarneemt en meemaakt en ondergaat wordt zijn aandacht weg geleid. Alle scholing gaat over van alles en nog wat maar in ieder geval niet over het kind zelf en/of over de situatie waarin het verkeert (gevangen gehouden wordt). Alles waar het kind over leert praten en denken is buiten hem, is daar, ver weg, buiten bereik en hem niet rakend. Alles wat het kind raakt en alles waar het bij kan (wat het kan bereiken) blijft onbesproken, op verboden en geboden na: de terreur van mogen en moeten, van toestemming en instemming nodig hebben en van het moeten handelen op andermans initiatief. Die zeer "onzelfstandige", "afhankelijke" situatie is nodig om van het kind een knecht te maken, die blij is van het kinderlijke moeten en mogen af te zijn. Blij is voorrechten boven het kind te hebben. Blij is meer voorrechten te hebben dat het vroeger had, toen het jonger was.

Tegenwoordig voeden de geciviliseerden hun kinderen niet meer slechts op tot knecht, maar ook tot Koning Klant. Daartoe worden het kind een smaak, een stijl, een bundel voorkeuren aangepraat, aangesmeerd, aangeleerd, zogenaamd "bewust gemaakt". Gek van angst wordt af te toe vervangen door gek van begeerte. Later heeft dan de politie de taak (vanwege de civilisatie, de bezitters) om de angst in die begerenden te rammen aan wie geen gelegenheid geboden wordt tot aan geld voor het begeerde te komen via 'leuk en goed betaald zelfgekozen werk met aardige collega's '.

Klik op afbeelding om te vergroten.

Waar het om gaat is dat de kinderen niet de gelegenheid gelaten en/of gegeven wordt om te leren hun aandacht te brengen bij wat hen raakt en wat zij kunnen bereiken. [Ik schrijf hier met opzet niet: de aandacht bij zichzelf te brengen, te krijgen en te houden, want ik wil geen reflectie op hun natuurlijke zelf, ik wil dat ze hun aandacht kunnen brengen bij wat hen raakt. Wat hen raakt vormt een persoon om hen heen, beschrijft hen met ervaringen zoals ik nu het (werk)geheugen van deze computer beschrijf met deze tekst. In het lange termijn geheugen, ja bij kinderen zelfs in de verbindingen tussen de zenuwcellen kunnen de gevolgen van het geraakt (gemanipuleerd) worden vastgelegd worden. Blijvende sporen kan wat ons mensen raakt in ons achterlaten, littekens op ons zenuwstelsel. Opzettelijk aangebrachte littekens , laten we zeggen: tatoeages, hebben als onderwerp het spel 'rangschikken', dat dat echt en nodig, normaal en onbespreekbaar is, wat daarin geldt en wat daarin gedaan moet worden. Idealen moeten worden nagestreefd en er moet getoppresteerd worden: iedereen moet altijd zijn best doen (als producent / knecht) en net even boven zijn niveau van nu uit willen (als consument / Koning Klant😉 en als Jan Publiek moet iedereen deelnemen aan het cultureel (= knechtenkunstjes-keurend) gebeuren. Die instructie wordt aangevuld met wat (let wel: een weinig!) kennis omtrent het van nature gegevene.

Sommige kinderen worden opgejut (opgezweept, gemotiveerd, aangespoord, gestimuleerd) tot toppresteren, alle kinderen tot presteren. Er wordt opgevoed, geschoold, opgeleid, geïnstrueerd, bijgeschoold, nageschoold, op de hoogte gehouden en zo voorts. Op eigen nieuwsgierig initiatief iedereen zijn eigen omgeving laten verkennen, met antwoorden wachten tot de vragen er zijn, daar kan de wereld niet op wachten en zich niet aan wagen. Wie niet gek gemaakt wordt, gaat niet aan het toppresteren.

Dat opjutten, opjagen, motiveren, kan met bedreigen en mishandelen, maar ook met belonen, uitdagen en verleiden gedaan worden. Ten diepste is er altijd angst, voor straf en / of voor het verliezen van de gunst van de ander(en): "liefdesverlies".

De aandacht is bij de angst en de pijn of bij de geneugten gebracht, weg van wat raakt, wat gebeurt, wat gedaan wordt. Ook de perfectionist is met zijn aandacht bij wat hem niet raakt: het ideaal, het volmaakte. In plaats van bij wat zintuigelijk hier nu gegeven is, is de aandacht bij 'dat daar ver weg', bij toen (het verleden, die verovering en die onderwerping die nu nog moeten gelden) en bij later (de toekomst, het ideaal, het verlangen, het begeerde, het doel).

Wat gevoeld, gedacht en gedaan wordt vanuit en binnen deze afstelling door de zo afgestelden, is voor mij volstrekt oninteressant. Overigens ook voor hen als ze van hun rangschikkend bestaan af (zouden) willen.

Het gaat er niet om wat er in dat rangschikspel en door dat spelen gebeurt [inclusief gedaan (inclusief beoogd/bedoeld) wordt], het gaat er om of en hoe een zo afgestelde, ingeschakelde, in gebruik genomene, meespelende kan ophouden met zijn deelnemen, dat bijdragen is.

Dat ophouden kan slechts door:

1. het verleden(e) los te laten, wat was, was, is dus niet langer op wat nog is na. Je moet je verlies nemen, beseffen dat je aan idealen en aan onnodig / zinloos toppresteren vroeger ooit veel tijd, aandacht, energie enz. hebt besteed, dus verkwist, vergooid. Nou en? Het is voorbij. Had je er niks mee gedaan was die txaenz er ook niet meer geweest, had je er iets anders mee gedaan, dan was er nu veel anders, maar het is onwaarschijnlijk dat je dan nu geen problemen zou hebben.

2. Te beseffen: wat van buiten kwam, was en is niet van jou, is jou vreemd, is buiten je, dat is moeilijk te aanvaarden, want het van buiten gekomene vergroot je vaak, omdat het een voorrecht is of inhoudt. Alle aangeleerds maakte je tot een wetende, een die meer thuis is in de wereld, iemand met een hoger rang dan een onwetende of minder wetende / kunnende. Weer moet er een verlies genomen worden. Jouw en andermans persoonlijkheid zijn beide poeha.

3. Te beseffen: het spel 'rangschikken' is een gezelschapsspel dat geen enkele achting verdient, ook al worden er miljoenen levens in geschonden en vernietigd. Dan echter heeft het leven geen zin, niet voor de strevers en niet voor de tegenstrevers, niet voor de voorstanders van het spelen, het zich rangschikken en niet voor de tegenstanders ervan. Weer moet er een verlies genomen worden, je raakt de zin van (niet in) je leven kwijt.

Waarom dan ophouden, als dat alleen verliesnemen is?

Ik zou het ook niet weten. Het spelen kun jij door jouw ophouden mee te spelen niet stoppen, ja zelfs kun je er het spelgebeuren evenmin mee beïnvloeden als met je uiterste topprestatie of met het offeren van je leven. Je redt alleen jezelf van de angst voor wat niet is en van de bekommernis om wat je niet raakt. Je kunt nog steeds niks veroorzaken wat enige status heeft in het denken met idealen (bijvoorbeeld mensenrechten, kinderrechten, geluk, gerechtigheid) maar dat kon je toch al niet, dat is geen verlies, dat je ooit iets kon (bijdragen) was een illusie. Je bereikt sowieso nooit meer wat. Alles is over en voorbij. Je kunt er je verleden lijden niet mee ongedaan maken. Je verleden tijd is voorbij en je tijd gaat nu verder voorbij, dat was al zo, maar nu besef je dat echt. De toekomst is er nog niet en je beseft nu dat je die niet kunt beïnvloeden of kennen.

De bankiergod van de talenten zal niet langer tevreden over je zijn, nu je niet langer woekert met jouw deel van zijn kapitaal.

De god van je volk, je stam, je familie is vervallen, van verbondenheid met anderen heeft dat civiliseren dat je is overkomen (is aangedaan) je beroofd. Teamwork leren is totaal verschillend van een-zijn als verwanten. Het heeft er geen enkel verband mee. Zoals ook de solidariteit van zich emanciperenden in de civilisatie in niets ook maar lijkt op een-zijn.

Alleen de scheppergod rest je nog, voor hem hoefde je niet te presteren, hij schiep de aarde niet voor jou en jou niet als verzorgkabouter voor de aarde; laat staan dat hij je schiep voor de wereld, met de wereld heeft de scheppergod niets uitstaande, hij bleef in het paradijs, hij bleef buiten de wereld en de wereld liet hem op den duur erg weinig ruimte op aarde, waar wij zijn.

De scheppergod is overal in zijn schepping, valt ermee samen, maar hij schiep dat rangschikspel niet en niet de wereld die het bord is waarop dat spel wordt gespeeld. De scheppergod heeft er niets mee te maken. Hij is er buiten. Wie ophoudt mee te doen, mee te spelen, een rang te hebben, zich met iets (een ideaal / een uitdaging) of iemand te meten, is ook er buiten, buiten spel.

Zij die meespelen respectievelijk gebruikt worden in het rangschikspel kunnen veel meer en veel beter voorbeelden zien die de bovengebruikte ("mijn") theorie onderbouwen; ik kan veel beter voorbeelden als zodanig herkennen. Beiden, zij en ik, vanuit onze respectievelijke posities binnen en buiten spel, op, respectievelijk naast de rangdimensie.

*) Hier treedt een duidelijke associatie in mij op met een tekst uit de protestantse bundel gezangen van 1938: daar staat ergens "Ai, matig Uw kastijden, sla mij met medelijden, gelijk een vader doet." Ik heb dat leren zingen in de kerk en waanzin vestigt zich ook in het geheugen. Ik ben vadervrij opgegroeid, dus ik kon die waanzin zien, als zodanig herkennen.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *