Solliciteren, 1991

Categorieën: 1990, 1 januari – 1994, 31 december | Archief

Trefwoorden: werkgevers

Jaap Schot, 6 mei 1991

OVER SOLLICITEREN

SOLLICITEREN is: proberen de werk(door)gever ertoe te bewegen om
jouw diensten te (laten) kopen. Al kiezen de enen en betalen er
anderen, dat verandert niets aan de stand en gang van zaken. De
hiertelande hedentendage alom geldige kijk op het verdienen van
(= dienen voor) geld is dat met of zonder tussenpersoon(en)
[werk(door)gevers en / of lieden/instanties die aan dezen voor (=
in plaats van) de consument betalen] de een (de werknemer) aan de
ander (de consument) een dienst verleent, de consument dient voor
geld (= om aan geld te komen, geld waarvoor alles in de
maatschappij te koop is, want er is geen eind aan de vorm-
verscheidenheid van diensten.

SOLLICITEREN is: proberen de leden van een sollicitatiecommissie
ertoe te bewegen jou, de sollicitant te kiezen als
dienstverlener.
Hoe doe je dat, een of meer anderen tot iets bewegen waartoe zij
uit zichzelf niet komen?
Dat waartoe ze uit zichzelf komen, daartoe hoef je ze niet te
bewegen. Wie voor een functie, baan, verzameling te verlenen
diensten, gevraagd wordt, treft de sollicitatiecommissie aan in
beweging in zijn richting, in beweging op hun eigen kracht en op
hun eigen initiatief. Hij, de gevraagde, is het zelf die in
beweging moet komen, c.q. gebracht moet worden.
Hier doordenk ik het geval dat er geen sprake is van gevraagd
worden.

ALLE DIENSTEN DIE IK KAN VERLENEN kunnen vele anderen ook, even
goed en vaak zelfs beter, verlenen. Er is een overproductie aan
dienstvaardigheden, er werd en wordt zoveel opgevoed, geschoold,
opgeleid en geïnstrueerd dat wie op een dienst ZIJN BEST doet
daarmee nog niet vaak deze dienst ALS BESTE verricht.

'De vraag' is ten eerste de vraag naar de beste kwaliteit.
Daartoe zijn ook de mogelijke verleners met elkaar in
concurrentie/ wedijver/ competitie geplaatst door middel van
het feit dat er van hen tevelen aangemaakt zijn. De minst
presterenden kunnen hun vaardigheden niet als diensten verkopen,
ook al zijn hun prestaties voldoende goed, zoals door hen is
aangetoond voor hun examinatoren. Over wie onbevoegd meedingen
naar een plaats als dienstverlener spreek ik hier niet eens.

'De vraag' is ten tweede de vraag naar de goedkoopste dienst,
de dienst dus waarvoor de geringste wederdienst wordt bedongen.
In onze samenleving die er een is van bevoorrechting is voor
oudere verleners van een dienst een hoger loon bedongen dan voor
jongere verleners van diezelfde dienst. Zo kreeg wie in de
maatschappij niet weg kon komen van zijn plaats als verlener van
die dienst, toch een voorrecht, alleen doordat hij ouder werd.
Dat stelde enigszins tevreden wie niet weg kon, maar heeft nu als
resultaat dat wie jongere medesollicitanten heeft niet de
voorkeur krijgt op basis van goedkoopte.

De oudere sollicitant moet dus op de sollicitatiecommissieleden
de indruk maken kwalitatief beter te (zullen gaan) presteren of
er moet een andere beweegreden(verzameling) voor de genoemde
leden zijn.
Het gaat er om een indruk te maken, te suggereren, te doen
geloven. Van enige objectieve, verdedigbare basis voor die indruk
is geen sprake. Waar op basis van suggestie wordt besloten,
wordt, om het maar bot te zeggen gegokt resp. geknoeid.
Om kennis te kunnen nemen van beter en minder presteren moeten de
te vergelijken presteerders / prestaties onder overigens gelijke
omstandigheden bezig, aan het werk, bestudeerd worden. Dat doen
sollicitatiecommissies niet en dus blijft het geknoei en gegok.

De oudere potentiele werknemer, de sollicitant dus, kan niet eens
op eigen initiatief en vanuit eigen bevoegdheid afstand doen van
een deel van zijn recht op een hoger loon dan een jongere op de
omworven positie (in het baantje in kwestie). Zo'n vrije markt
voor loonarbeid zou alles teniet doen wat de vakbonden hebben
bereikt, met name ook de rust op het sociale front, de
afwezigheid van wilde stakingen, van sabotage enz.. Dat mag en
moet dus niet. Prestaties blijven duurder naarmate de presteerder
ouder is.

Wie solliciteert moet het hebben van zijn (ware) meldingen doen
geloven, van bedelen of van bedriegen. Het vergelijken van
candidaten vindt niet plaats, vergeleken worden beelden die de
leden zich van kandidaten hebben gevormd.

Daarnaast is er nog de kant van de vraag naar diensten. Ook daar
is het zo dat er geen vergelijken plaats vindt van verschillende
diensten en dienstverleners. Klanten zijn niet in de gelegenheid
en niet in staat om zich dezelfde dienst diverse malen te laten
verlenen door verschillende verleners en deze diensten dan met
elkaar te vergelijken.

Er bestaat een schema waarin het bestaan en het zo bezig zijn
van sollicitatiecommissies als verstandig en nodig wordt
voorgesteld. De sollicitatiecommissieleden werken volgens dat
schema als vertegenwoordigende belangenbehartigers van klanten en
van betalers. Alle drie die groepen mensen zijn echter practisch
blind voor hun onderwerp, omdat ze er niet naar kijken, er geen
onderzoek naar doen.

Toch heerst er diepe rust aan dit front, degenen die af en toe
wat onvrede voelen zijn 1. de niet gekozen sollicitanten, 2.
degenen die dezen als werklozen menen te moeten betalen en 3. de
consumenten aan wie teleurstellende kwaliteit diensten werden
verleend.

Het hebben van de gelegenheid om je tijd, aandacht en bewezen
vaardigheden te besteden aan het dienen van anderen voor geld is
een voorrecht. Het bewezen hebben van vaardigheden leverde het
voorrecht op niet te hoeven solliciteren naar 'werkgelegenheid'
waarvoor die vaardigheden niet nodig zijn, met andere woorden:
waarin die vaardigheden niet functioneren, niet te gebruiken
zijn. Wanneer deze vrijstelling van niet-passende loonarbeid niet
bestond, zou een deel van de beweegredenen om aan opleidingen
deel te nemen wegvallen, wat de concurrentie en de kwaliteit der
prestaties niet ten goede zou komen, volgens de theorie (nee: de
heilsleer, de propaganda - leer) van het vrije ondernemen op de
vrije markt.

Waar het boven beschreven huidige systeem zoveel werklozen
aanmaakt en zoveel nodigs ongedaan laat, zou een ander systeem
met minder ongebruikt gelaten txaenz de voorkeur verdienen. Zo'n
systeem is er niet voor de mensenopeenhopingen (""volkeren""?
""staatsbevolkingen"" ) van miljoenen en miljarden.

Concreet naar mijn eigen mogelijkheden, vaardigheden, txaenz: ik
zou niet weten wie waar mijn teksten zou willen lezen of horen.
Doordat ik niet probeer(de) publiek te vinden weet ook niemand
dat ik besta. Op de RPD en het Arbeidsburo na. Ik hoef ook
helemaal niet, van binnen uit, luisteraars en gesprekspartners te
hebben. Die behoefte, dat verlangen, is weggevallen, weggegleden.
Ik heb anderen evenmin nodig als zij mij.

RPD en Arbeidsburo zijn door het verstand opgericht, het is
gewoon rationeel de gegevens van degenen die voor de arbeidsmarkt
beschikbaar zijn te bundelen. Als daarnaast de gegevens omtrent
beschikbare loonarbeid gehouden werden, zouden zonder
sollicitatiecommissies de juiste mensen op de juiste plaatsen
kunnen worden gezet. Niet door wie, maar met welke criteria en
hoe goed er wordt gekeken naar sollicitant en baan, is waar het
om gaat. Voor het verstand. Maar het sociale leven, het zich
rangschikken, gaat niet om juistheid, het gaat om rang, om macht.
Het verstand speelt in het geheel geen rol in het omgaan van
geciviliseerde, zich rangschikkende mensen met elkaar. Daarom
zijn er sollicitatiecommissies, om macht uit te oefenen, om te
bevoorrechten, om de lol van het op zijn beurt macht uitoefenen
te beleven. De resultaten van al wat men met elkaar doet, laten
alleen de erdoor getroffen derden niet koud. Van die derden (van
de klant dus, niet van baas en knecht) gaat soms enige druk in de
richting van kwaliteitseisen uit. Die druk voorkomen en
onwerkzaam maken is het werk van reclame, propaganda,
steekpenningen uitkeren en juristerij. Het gaat er niet om goed
te presteren, maar het gaat er om een goed cijfer te krijgen, dat
leren de aanstaande spelers in de civilisatie op school. Het hele
spel 'zich laten rangschikken door jou beoordelende anderen'
wordt op school geleerd. Daarom blijft ook het cijfers geven in
handen van dezelfde die ook onderwijst, als hoe intens fout dat
ook door het verstand wordt herkend.

Het bovenstaande is aan iedereen die lezen kan al lang bekend,
vaak ook bewust, zodra het namelijk als afkeuring naar anderen
kan worden gebruikt, weet men(igeen) het uitstekend, kort en
ondubbelzinnig uit te zeggen. Het overkomt iedereen, de
getroffenen vallen uiteen in twee groepen: de enen die hetgeen
hen overkomt als lijden op zich nemen en de anderen die op hun
beurt anderen (willen) gaan aandoen wat hen nu aangedaan wordt.
Het zijn deze doorgevers die het in de maatschappij tot iets
brengen. Een piepkleine derde groep ontstaat doordat er af en toe
iemand de kans ziet om te ontsnappen aan de druk die de
geciviliseerde in een rang, op zijn plaats, houdt. Als zo iemand
dan ontsnapt aan die druk is hij buiten spel, zonder rang, vrij
van druk, zonder te onderdrukken, hij heeft geen beurt om te
onderdrukken: om geen meerderen te hebben is het nodig geen
minderen te hebben. Slechts de allerhoogste is daarvan
uitgezonderd, maar die is als almachtige dan ook niet slechts
afwezig, maar ook ondenkbaar.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *