Spontane summatie en bewuste bundeling

Categorieën: 1986, 1 april – 1989, 31 december | Archief | Opstellen | Overige opstellen

Trefwoorden: bewuste bundeling | geredigeerd | Marx (Karl) | spontane summatie | Stirner (Max)

Jaap Schot, 5 november 1986

Dit opstel gaat over

  1. spontane summatie,
  2. bewuste bundeling op middenniveau, en
  3. het bijdragen aan het wereldgebeuren op het allerlaagste niveau van macht, omvang en doordachtheid.

Het gaat er mij in dit opstel om vast te stellen dat het wereldgebeuren mede, gedeeltelijk, wordt samengesteld uit het 'doen en laten' van mensen, en de gevolgen daarvan.
Het andere samenstellende deel bestaat uit

  • de niet-levende natuurgebeurtenissen, zoals vulkanisme, en
  • de, de wereld binnendringende, gevolgen van het bestaan en van het 'doen en laten' van dieren. Bijvoorbeeld sprinkhanenplagen en het optreden van virussen, zoals die voor griep en voor AIDS.

Wat ik wil constateren, is dat de kleine daden der losse enkelingen 1 zich uiteindelijk bijeen­voegen tot grote dadenverzamelingen. 2 Evenals de kleine – samenstellende – daden der enkelingen, hebben ook deze dadenverzamelingen, veel meer gevolgen dan de daders er doelen mee hadden.

Ook van deze massale gebeurtenissen geldt,
dat de doordachtheid en bedoeldheid ervan
op geen enkele wijze ter zake doen.

Wat mensen bij hun doen en laten denken, voelen en zeggen, doet aan de gevolgen van hun 'daden en nalatigheden', niets af of toe. Wat gedaan wordt, gebeurt, en wat nagelaten wordt, blijft uit. Niet wat gedacht en bedoeld wordt.

Bespreken en doordenken

Binnen de daden van een mens kan worden onderscheiden tussen

  • hetgeen iemand doet omdat het nodig is voor zijn eigen leven en welzijn, en
  • hetgeen hij doet zonder dat het zijn leven en welzijn bevordert.

Ook deze onderscheiding doet echter niet ter zake. Ze betreft slechts het bespreken van eigen en andermans doen en laten. Met dat bespreken en doordenken kan iemand als doel hebben het veranderen van gedrag: eigen gedrag, of andermans gedrag.

Dat doordenken – en indelen in goed en kwaad, in verantwoord en onverantwoord – van 'doen en laten', gebeurt op een 'tussenniveau'. Een niveau tussen de daden der enkelingen enerzijds, en 'het wereldgebeuren' anderzijds.
Het wereldgebeuren is het – objectief 3 , gegeven – gebeuren van de gezamenlijkheid van deze daden en nalatigheden. Dat is een proces, een evolutieproces.
Een proces, een verschijnsel, wordt anders ervaren dan een daad van iemand anders.

"Iemand anders" is een bedenksel, dat zich van alle 'onpersoonlijks' onderscheidt doordat die iemand aanspreekbaar, verbiddelijk, is. Zowel de Heer als de Knecht, zijn – met gebruikmaking van woorden, taal, uitspraken – te manipuleren, te hanteren. De knecht is gebruikersvriendelijk gemaakt, de heer is te verbidden. Er is zelfs een voorbeeld in de Bijbel waar met God wordt afgedongen op het aantal rechtvaardigen dat nodig is, om Hem af te houden van een plan om een stad – een 'civilisatie' – te vernietigen. 4

Doordenken, bespreken met eigen begrippenapparaat

Het doordenken enzovoorts, gebeurt als een pogen het doen en laten van groepen mensen te beïnvloeden. Het doordenken van de gevolgen van eigen, en andermans, 'doen en laten' gebeurt met het oog op de grote bewegingen en gebeurtenissen, die door spontane summatie uit al die gekozen gedragingen en nalatigheden voortvloeien.

We kunnen wel stellen dat iedereen ook zijn eigen doordenken waard is. Dat het, met andere woorden, de moeite waard is heel goed iets te kunnen zeggen bij wat je doet en laat. Het geeft inderdaad enig plezier. Dat wel.
Het helpt je niet aan mogelijkheden om iets te veranderen aan wat je bespreekt. Het helpt bij het afweren van suggesties van anderen,

  • via het eigen verleden, en
  • vanuit de eigen huidige omgeving, de omstanders, de omwonenden, de tijdgenoten, anoniem optredend als de media.

Bedoeld zijn hier de suggesties om hetgeen gebeurt, op een gebruikelijke wijze op te vatten en te bespreken. Het zichzelf verschaffen van een duidelijk, eenduidig, weldoorwrocht eigen begrippenapparaat – om waarheid mee te scheppen betreffende wat men zelf ervaart en waarneemt – demystificeert, ontgoochelt, ontnuchtert, desillusioneert. 5 Een mogelijkheid voor wie dat wil.

Die grote bewegingen, gebeurtenissen en processen oefenen beslissende invloed uit op de omgeving waarin wij leven. Voor, of tegen, die invloed willen wij kracht uitoefenen. Dat kunnen we niet in voldoende mate in ons eentje, als enkeling. Daarom proberen we aan anderen naast ons, onze inzichten en overwegingen en dat wat wij waarnemen als alternatief – mogelijk ander 'handelen en nalaten' – voor te stellen.

Beïnvloeden en aanspreekbaarheid

Al dat doordenken, begrijpen, analyseren, uitschrijven, herformuleren, redigeren, uitspreken, publiceren en bespreken heeft een vooronderstelde zin. En wel, het kunnen beïnvloeden van het besproken gebeuren, door het aanspreken van de aanspreekbare ander, de verbiddelijke massa.

De ervaring leert dat de anderen in onze wereld
massaal onaanspreekbaar zijn.

Er is een overmaat aan vertekenen nodig om te denken dat welke teksten en getuigenissen en argumentaties dan ook, invloed hebben gehad op het tot een eind komen van heksen­vervolging, kettervervolging, oorlog, slavernij, mensenhandel, kindermishandeling, dieren­mishandeling of natuurvernietiging. Deze verschijnselen kwamen niet tot een eind.
Met andere woorden gezegd: de civilisatie, dat geheel waarvan de bovengenoemde verschijnselen delen zijn, kwam niet tot een eind.

Dit uitblijven van gevolgen, toeschrijven aan minderwaardige kwaliteit van de teksten in kwestie, is niet vol te houden. De enkelingen in de hedendaagse civilisatie constateren dat zij geen invloed hebben. Niet in hun eentje, en niet in vereniging. Als het hele Nederlandse volk als één man achter een bepaalde verzameling gedragsbepalende ideeën zou staan, stonden ze daarmee in de wereld als met z'n 15en in een dorp van 5000 inwoners. De invloed van zo'n vijftiental eensgezinden weet echt niemand in te schatten als 'beslissend' en "de opofferingen waard".

Machteloosheid vroeger en nu

Alle woorden – toespraken, boeken, betogen, wetenschappelijke rapporten enzovoort, enzovoort – zijn tot zinloze klankenverzamelingen geworden. Alle politieke streven is tot het maken van gevolgenarme gebaren geworden. Als het ballen van de vuisten tegen een aanstormende tornado.
De machteloosheid die men vroeger in de jonge civilisaties voelde tegenover de vorsten en hun heersende militairen, voelt men nu tegenover het wereldgebeuren. Het wereldgebeuren dat als een boemerang terugkomt bij ons, de veroorzakers ervan. De veroorzakers zijn niet in staat het gebeuren in kwestie te (laten) besturen. In sommige naties hebben de ingezetenen de luxe dat er een heersende klasse – of stand, of kliek – is, die verantwoordelijk kan worden gesteld. Echter, zonder dat ze dat is.
De verantwoordelijkheids­stelling waarover het hier gaat, vooronderstelt een mate van besturingsmacht ten opzichte van wat er gebeurt. Die besturings­macht is aantoonbaar niet gegeven, aan welke machthebbers dan ook.
De gevoelens van machteloosheid brengen belangstelling voor, en geloof in, allerlei verhalen over buitenmenselijke en buitenaardse besturing van het wereldgebeuren.
Bijvoorbeeld, oktober 1986: leiders van 12 wereldreligies houden een samenkomst om te bidden voor de vrede. Minder dan veertig jaar na Auschwitz.

Ten diepste is menigeen 6 niet in staat er belang in te stellen
of er na hem nog 3, 30, 300 of 3000 generaties
mensen, dieren of planten van andere soorten zullen zijn.

Het wereldgebeuren heeft geen stuurman

Al doordenkend, bij gebrek aan andere bezigheden en onderwerpen, hierover kan ik (nog?) niet verder komen dan dit constateren van de onbestuurdheid van het wereldgebeuren, dat een deel is van de evolutie van het leven op aarde. Ik geloof niet in buitenbesturing en ik ben er vrijwel 1000 promille zeker van dat er geen enkeling of complot de wereld bestuurt.

Alleen al het – al of niet – laten komen van kinderen bijvoorbeeld is zo'n ingrijpende factor, en toch zo totaal buiten de beheersing van wie ook. Kinderen waarvan alle welwillende mensen willen dat deze het net zo goed – of beter – zullen hebben dan hun ouders. En dat deze ouders en deze kinderen zeker 40 jaar tijdgenoten van elkaar zullen zijn.
Deze welwillenden willen dus – onbedoeld(!) – economische groei. Want "het goed hebben" betekent, bezitten (wat mede inhoudt het aan anderen onthouden van het benutten ervan), gebruiken en verbruiken.

Ontelbare onderwerpen worden ingevoerd die de aandacht afleiden van het boven­beschreven gebeuren. Het besteden van tijd, aandacht energie, vaardigheden, toewijding, geld enzovoort aan "verstrooiende", afleiding gevende, onderwerpen, maakt op zichzelf weer deel uit van het gebeuren. Dat besteden aan andere onderwerpen, maakt dat deze tijd x aandacht x enzovoort niet besteed wordt aan pogingen tot besturen of remmen.

Mijn conclusie is: alles is zonder gewichtigheid.

Totale ontmoediging

Wat wij ook doen, alleen of in vereniging, alles verloopt toch zoals het verloopt. Het wereld­gebeuren en de evolutie waarvan dat deel uitmaakt.
Het is onnodig te denken dat alle gebeuren is voorbestemd door een 'voorbestemmer'. Maar die gedachte is er wel. Zij induceert een gevoel dat erg goed past bij de concrete situatie waarin wij ons bevinden.
De gedachte dat er een voorbestemmer was – zeker als die nu nog belang stelt, stuurt en/of beoordeelt – levert een ander gevoel op, dan de gedachte dat er achter het gebeuren een random-tabel, een dobbelsteen, de god Kans, Vrouwe Fortuna, het Toeval zit.
Door die verschillende gevoelens die ze genereren, verschilt de 'verkoopbaarheid' van verhalen over krachten buiten de spontaan summerende gevolgen-gevende 'daden en nalatigheden', en natuurgebeurtenissen.

Bovenstaande constateringen en het beschreven ongeloof, resulteren in een totale ontmoediging. Die ontmoediging berust niet slechts op het bovenstaande, maar is er ook de vooronderstelling van.
Het niet aanspreken

  • van het geven van een voorbeeld, en
  • van het publiceren van een argumentatie

is voorondersteld, niet gemeten. Zo zou men kunnen tegenwerpen.

Wie echter heeft er nog iets te zeggen,
dat nog niet is gepubliceerd?

Nergens heb ik 'het grote gesprek' kunnen vinden waar dat wat aan oorspronkelijks en waars ooit ergens is gezegd en gepubliceerd,

  • wordt gekend, en
  • in stuurpogingen wordt omgezet ten aanzien van het wereldgebeuren.

Dat wil zeggen, ten aanzien van het doen en laten der enkelingen in het uitoefenen van hun soeverein beschikkingsrecht over hun tijd, aandacht, voortplantingsvermogen, geld enzovoort.

De media zijn vol van de reeds eerdergenoemde, de aandacht hiervan afleidende, onderwerpen: 'verstrooiing'. De (technisch) best verdedigde voorrechten zijn juist die op

  • soeverein, en
  • ondoordacht, en
  • zich amuserend, zijn aandacht verstrooiend,

zelf besteden van zijn tijd, energie, vaardigheden, vermogens en vermogen.
Los, en als vermenigvuldigings­product. Alleen, of in vereniging.
Deze best verdedigde 'vrijheden' geven en bewaren het aanzien van ontelbare bewegingen, die elkaar grotendeels of grootstendeels wederzijds uitdoven, elkaars gevolgen tenietdoen. De preoccupatie met soevereiniteit die men bij staten openlijk kan zien optreden, is evenzeer aanwezig bij de enkelingen binnen de civilisatie.

  • Op het niveau van de staten,
  • op het niveau van de (politieke en sociale) bewegingen,
  • op het niveau van de enkelingen,
  • en op alle niveaus daartussen: zoals stammen, families en gezinnen,

overal vindt men deze 'eis van soevereiniteit' voor alles.

Onaanspreekbaar voor anders verwoorde argumenten

Soevereiniteit – zelf moeten weten wat je doet met wat van jou is, jouw tijd, aandacht, kunnen enzovoort – komt neer op onaanspreekbaarheid voor argumenten, geformuleerd in een begrippenapparaat dat niet van jou, van jouw groep is. Soevereiniteit sluit redelijkheid uit.

Redelijkheid vooronderstelt gemeenschappelijk begrijpen.

Redelijkheid hoeft het hebben van een gezamenlijk begrippenapparaat, niet te vooronder­stellen. Het behoeft alleen maar het begrip te omvatten dat elk begrippenapparaat een vat is om waarheid mee te scheppen. Waarheid, echte waarheid. Niet DE waarheid, niet alle waarheid, zoals men met een vat water schept. Echt water, niet HET water, niet alle water. 7
Redelijkheid vooronderstelt het besef dat het bolle waanzin is te zeggen dat het – met dit, of dat, begrippenapparaat verkregen – deel van de waarheid "slechts waarheid is voor diegenen met wier begrippenapparaat dat deel van de waarheid werd verkregen" (= geformuleerd, gevonden, geschouwd). Zo min als het water dat ik met mijn vat schep, slechts voor mij water is, omdat het met mijn vat is geschept.
Redelijkheid houdt niet per definitie in, dat men de bovenstaande metafoor aanvaardt. Maar wel dat men bij eventueel verwerpen ervan, poogt een betere fundering en argumentatie te geven.

Het alsnog, na het eerste deel van dit opstel,
beginnen over redelijkheid en waarheid, is een 'bewijs'
van mijn toch nog niet geheel dood en actieloos geworden zijn.

Ik val hun argumentatie aan

Geloof, hoop en liefde ontbreken me. Maar evenzeer weiger ik het nemen van soevereine macht, door iedere – of, enige – ingezetene van de civilisatie, zonder protest te aanvaarden. Dat protest geef ik de vorm van het aanvallen van de argumentatie die de soevereinen – daartoe geprest – geven voor hun macht-grijpen. Dat is, voor hun 'zelf wel uitmaken wat ze met het hunne doen en laten'.
Ik geloof niet dat dit aanvallen zal helpen. Ik heb al lang geleden alle hoop laten varen. En ik heb totaal geen liefde voor de kleine man, die toch ook zijn minimale hoeveelheid soevereiniteit wil hebben. Dat wil hij om althans gedeeltelijk te compenseren voor de grote hoeveelheid buitenbesturing waaraan hij onderworpen was, is, en blijft. Wil blijven ook, schuw voor het kennen van medeplichtigheid en schuld.

De kleine man en de staat

Laten we eerst de situatie waarin de kleine man zich bevindt, schetsen: de staat heeft het monopolie op fysiek geweld. De staat beschermt met dat geweld de mensenrechten, en de stand en gang van de verdeling van de voorrechten – inclusief het bezit, de eigendom, geld, rechten op inkomen, banen, posities – onder ons. Wat we hebben, wordt ons niet afgenomen. Er bestaan legio toegestane manieren om aan meer voorrechten te komen. Legio, vele, ontelbare, maar niet voor allen voldoende.

Het verdelen van voorrechten
=
het ongelijk verdelen van rechten.

Velen – onder anderen, werklozen – kunnen buiten hun schuld geen gelegenheid vinden om hun tijd x aandacht x energie x vaardigheden x leervermogen x toewijding enzovoort om te zetten in geld. Of anderszins in voorrechten, of voorwaarden om wat aan mensenrechten te hebben. Het is oninteressant of

  • de planeet aarde te klein is,
  • de hoeveelheid mensen te groot is, of
  • het aantal sterkere, onnodig-veel-eisende, tijdgenoten te groot is.

Die kleine mens is, onder dat gemonopoliseerde geweld, gedwongen zich te schikken in zulk een situatie van geen-gelegenheid-hebben (/kunnen nemen, krijgen). Logisch en consistent redenerend, heeft hij er recht op dat de staat hem alles geeft wat hij nodig heeft voor zijn leven en welzijn.
De staat kent immers de doodstraf niet voor zwakte of kwade kansen. En zij kent honger, dakloosheid, kou en slechte kleding niet als straf voor het niet hebben van gelegenheid om met succes te vechten voor het nodige voor eigen leven en welzijn.
De staat in de civilisatie, is echter evenmin aanspreekbaar als de massa. Zo leven er in Frankrijk bijvoorbeeld ongeveer een miljoen mensen zonder werk en zonder uitkering. Velen met veel minder dan dat wat nodig is voor hun leven en welzijn.

Het effect van het 'doen en laten' van de kleine man

De kleine man heeft mij teveel plezier in het vechten, het zien vechten en het laten vechten. De kleine man doet wat hij doet, of hij zich er nu veel van bewust maakt, of niet. Wat gedaan wordt, komt onontkoombaar als deel in het grote gebeuren terecht. Wat nagelaten wordt, blijft onontkoombaar uit dat grote gebeuren weg.

Iemand kan zich afwenden van de vraag of hetgeen hij doet en nalaat, uitwerking zal hebben: merkbaar, en in de richting van zijn wensen. Zo iemand kan zich opvatten als een los wezen dat zich ontplooit en zich uit. Of hij kan zich opvatten als een schepsel 8 dat door zijn alwetende schepper individueel en apart wordt opgemerkt, en ooit zal worden beoordeeld.
Er zullen wel meer opvattingen mogelijk zijn die het iemand mogelijk maken om, zonder enige illusie omtrent – of, belangstelling voor – het uiteindelijke effect van zijn doen en laten, toch anders dan

  • als een kip zonder kop,
  • redeloos,
  • zomaar,
  • meedoend,
  • ondoordacht,
  • soeverein

het zijne te besteden.

Afleidende onderwerpen en besprekingen

De kleine man kan een uiterst hoge positie bekleden. Uiterst ver van – en, vooral voor zijn gevoel, 'boven' – het platvloerse gebeuren waarvan een kant (een gevolg) natuurvernietiging is. Vernietiging van de natuur in – en, om – de mensen.
De kleine man bevindt zich met zijn gedachten tussen dat platvloerse enerzijds en het wereldgebeuren anderzijds. Hij bemoeit zich met geen van beide.
Juist de onderwerpen die tussen het kleine concrete en het alomvattende concrete staan, zijn het die de aandacht afleiden van wat nodig is. Niet voor latere generaties ooit, maar voor de levenden nu. Evenals deze tussenonderwerpen, leiden ook de – slechts, aspecten en delen omvattende – besprekingen de aandacht af.
Een derde oorzaak van het niet, met het denken, raken aan het geheel van wat is, is gelegen in de gewoonte om te denken aan enkele van de gevolgen (de doelen) van eigen 'doen en laten'. En niet, of aan alle gevolgen, of aan geen enkel gevolg.

Tot slot

De psychoanalytici hebben natuurlijk gelijk. Ook ik ben bezig een heel oud ritueel op te voeren, een ritueel uit mijn jeugd: ik vraag aandacht voor wat ik bedacht, begrepen heb. Aandacht en begrip en medewerking bij het er wat mee doen. Ik weet me nog te herinneren hoe ik daarop aandrong bij mijn moeder. Ik weet nog dat ik, toen ik pas werk had en zelfs als student, mijn teksten mondeling en schriftelijk onder de aandacht van anderen bracht.
Uit ervaring weet ik dat de anderen onaanspreekbaar zijn. Dat er geen gesprekken tot stand komen, gesprekken die uitmonden in plannen, plannen die uitmonden in daden. Geen gesprekken zelfs die ook maar uitmonden in het gezamenlijk hebben van hetzelfde begrijpen. Een begrijpen dat genuanceerder en anderszins beter is dan wat ik in mijn eentje kan bereiken.

VOETNOTEN

 

1) Zoals het maken van een reis, het rijden in een auto, het plukken van een wilde bloem, het laten komen van een kind, enzovoort.

2) Al of niet via bewuste bundeling door ondernemers, leveranciers en politici.

3) Dat is, als een verschijnsel.

4) [red.] Verwijzing naar het verhaal over Abraham en de stad Sodom (Genesis 18:16-33).

5) [red.] Uit Jaap's Inleiding op definitief boek (zie, het nog niet geredigeerde, "Mijn 'definitieve' boek"), citeer ik de volgende alinea:

Ik schep (lepel, put) enige waarheid uit de veel grotere “voorraad” waarheid, ik schep waarheid met behulp van mijn begrippenapparaat zoals ik water schep met een lepel, een schep, een emmer, een vat. Ik put de voorraad water niet uit als ik water schep, ik schep nooit het water, nooit alle water, ik schep water, echt water. Wat ik vatten kan met mijn begrippenapparaat is echt waar. Het sluit echter andere ware uitspraken niet uit, uitspraken die met behulp van andere begrippen, door anders begrijpen, anders mentaal betasten, verkregen zijn.

6) [red.] In de oorspronkelijke versie: 'Ten diepste is men (menigeen) niet in staat [...]'.
Conform Jaap's noot bij "Onvrijheid" (zie hieronder), heb ik gekozen voor 'menigeen'.

Menigeen: ik schrijf vaak ‘menigeen’ omdat ik niet ‘men’ wil schrijven, omdat men daar altijd tegen argumenteren kan: “niet iedereen”.
Eigenlijk zou ik van deze polemische ondertoon af willen.
De lezer kan toch wel begrijpen, opmerken en geloven dat ik best inzie dat ik de wereldbevolking niet restloos heb onderzocht. Zo kan toch geen zinnig mens zijn opmerkingen bedoelen, ik dus ook niet. Dit is de onwelwillende lezer, die als dag‑ en nachtmerriefiguur uit mijn verleden in mijn ziel achtergebleven, rondspookt tijdens mijn uitschrijven.

7) [red.] Net als bij voetnoot 5, volgt nu een stukje tekst uit Inleiding op definitief boek. Voor een goed begrip van Jaap's teksten raad ik aan die inleiding in haar geheel te lezen.

Ware uitspraken verhouden zich tot de waarheid zoals druppels zich verhouden tot de plas water waaruit ze komen. De druppelvorm is niet kenmerkend voor water. De volzinvorm is niet kenmerkend voor waarheid. De taal veroordeelt ons ertoe dat wat wij aan waarheid willen uitzeggen volzin voor volzin uit te zeggen. Dat is een stand en gang van zaken alsof wij water slechts druppel voor druppel konden doorgeven.

Het is echt waar, het is echt water, het is echt waarheid, maar die druppelvorm, die volzinvorm, die is onontkoombaar maar onbedoeld.

8) Dat is niet exact gelijk aan een ondergeschikte, een geknechte, of iemand die van een bankiergod met een som gelds – een talent – moet woekeren.

Gerelateerde teksten

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *