Staatsreligie of wetenschap

Categorieën: 2000, 1 januari – 2004, 31 december | Archief

Trefwoorden: Descartes (René) | geredigeerd | Locke (John)

Jaap Schot, 23 september 2004

Als we afzien van de duizend vormen waarin het geuit (inclusief uitgezegd) wordt, blijven twee uitgangspunten over:

  1. de staatsreligie: om te bestaan is het voldoende (en/of noodzakelijke voorwaarde) dat er sprake van dat iets in kwestie is
  2. de wetenschap: voor het al of niet bestaan (nu ja, gebéuren is wat we aantreffen) van iets is het gekend en/of benoemd en/of besproken worden ervan irrelevant.
    Dat er sprake van is, is niet alleen geen voldoende voorwaarde of zelfs maar kenmerkend, het is zeker niet eens nodig en het helpt niet: praten, denken (‘denken’ hier bedoeld als: met woorden zinnen maken zonder die meteen of zelfs ooit uit te spreken of uit te schrijven) raakt niets aan, veroorzaakt niets, schept niets. De goden, de fabeldieren, het flogiston, enzovoort, als schoolvoorbeelden.
Locke of Descartes, dát is het tweetal voorvechters bij deze keuze.

Descartes was en bleef rooms

Verzinsels zijn er, bestaan, waar sprake van is, dat ís er, enzovoort enzovoort. “Ik wauwel dus ben ik”.
Wat zei ik: zelfs als ik mijn mond hou, ben ik; door het gedenk dat uit mijn tekstaanmaker naar mijn geestesoor gaat en daar gehoord wordt. Aldus spreekt immers de taal, ín mij zoals om mij heen. En waarschijnlijk binnen in die anderen, mijn taalgenoten.
En als een oudtestamentische profeet zegt Descartes: alzo, zoals ik het in mij hoor, spreekt ‘God’. Hij zegt niet “de Heere Heere”, want dat is de vertaling in de volkstaal. En die las Descartes natuurlijk niet, die was voor de onontwikkelde protestanten.

Locke was protestant en werd dús ‘wetenschappelijke’
‘Dus’, want er hoeft aan ‘dat er verzinsels en leugens in omloop zijn’ niet getwijfeld te worden. Met logica en grammatica is leugen niet van waarheid te onderscheiden.
Dus moeten er andere manieren worden toegepast om tot het kennen van waarheid te geraken. Kijken en hanteren en apparatuur gebruiken. En dat niet in je eentje, maar zo velen als mogelijk erbij betrekken en de waarnemingen bespreken.
Niemand zal een god, een daad, een waarde, een recht, een norm of een eenhoorn waarnemen. Dus, wie daarover doorpraten staan buiten het “wetenschappelijke” gesprek.

Terzijde, ter illustratie

Luijpen ‘Fenomenologie van het natuurrecht’ 1966 [Aula 1969] blz 46: “het specifieke cogito van de fysicus levert steeds een maatgetal op. En ook niets anders!”.

Deze man is absoluut niet onintelligent of onwetend, maar disputeert. Hij weet, maar laat onvermeld dat het hele wetenschappelijk bezig zijn (het operationeel definiëren van begrippen is daar een kern van) aan het tellen en ‘getallen verwerken’ vooráfgaat. Waar dat kan, is het tellen aan apparaten uitbesteed en het uitvoeren van berekeningen en statistische toetsingen natuurlijk ook. Wiskunde is woordvrije logica. Zo ongeveer. Luijpen schuwt Locke. Dat is de kern.
Zijn boek is een oproep en een bezwering en een klacht. En een gebed zelfs, om vrede en gerechtigheid. Guttegut, wie kan daar tegen zijn? Nou, ik niet. Maar het is gevoel en gepraat in de leegte: er zijn nergens daders. Niet in de godenwereld en niet in de mensenwereld.

Alles wat gebeurt, gebeurt slechts

Nergens steekt er een gebeuren als daad af tegen wat we reeds als gebeuren durven zien. Het stukgooien van de dijken van Walcheren door de geallieerden in WOII, was net als het door­breken van de dijken in 1953 daar: een gebeuren. Ook bij dat laatste waren wel daders te zoeken (het Deltaplan kwam te laat: regeren is vooruitzien). Al dat gepraat over willen, de vrijheid daartoe, de daad en de bedoeling daarmee, schuld en verdienste. Het is puur gepraat: in beweging gebrachte lucht. Emotie wekt het: adrenaline en zo, zegt men. Ik heb dát, van die stofjes, van horen zeggen.

De wetenschappelijke blijft altijd alleen en beperkt tot wat hij daar, dan, waarneemt.  Geloven wat anderen zeggen, doet hij evenmin als vertrouwen op zijn geheugen. Altijd als hij op basis van ‘horen zeggen’ of van ‘zich herinneren’ handelt, kent hij het feit dat hij gelooft/ vertrouwt, dus: GOKT. Soms is dat onvermijdelijk, duizenden keren is het dat, steeds weer.
Maar daarom juist moet je het WETEN (het telkens weer tot je laten doordringen = door je tekstaanmaker aan je geestesoor laten zeggen). In je hersenpan verandert er daardoor iets: de aanmaak van emoties en gevoelens vermindert en wel zeer, zeer sterk. De verwarring is weg. Het verleden is z’n greep op je kwijt en daardoor zijn je tijdgenoten hun ‘psychogreep’ op je kwijt. Ze blijven aanwezig. Ja, zelfs als bedreiging, als gevaar.

Roofmensen en prooimensen

Zoals de roofdieren rond de ‘grote grazers’ in de Serengeti (zie de natuurfilms op tv). Die grote grazers denken ook geen “wij zoogdieren”, daarin, in dat wij, de roofdieren – die hen als prooi beschouwen – betrekkend.
Het denken met zo’n ‘wij’, “wij mensen”/ ‘de mens’, dat dringt het systeem ‘civilisatie’ óns wel op.

Mensengebruikers (vorsten) en gebruikte mensen werden door de Roomse Kerk samengevat in één mensheid onder één god, die de erfelijke ongelijkheid ingesteld zou hebben en zou afdwingen. De rechtsstaat van ons hier is de voortzetting van de Roomse Kerk, maar dan zonder God.
De heilige schrift van de rechtsstaat is de grondwet. En ook daarin vinden wij dat bevel tot het opvatten van mensengebruikers en gebruikte mensen als één groep, waaraan wij te denken hebben als aan ‘wij’. Ongelijkheid qua rechten (bevoorrechting dus) bewerkstelligen, is het recht van een ieder en het veronderstelde doel van ieders streven. Bevoorrechting is geen kwestie van Gods gunst, maar vindt plaats op basis van persoonlijke prestatie. De sport­manifestaties zijn de heilige missen van de godloze (wereldlijke, seculiere) staat.

Denken gebeurt consistent

Daar kan niemand wat aan veranderen.

  • Wie het gezag van iemand (van énig hooggeplaatst persoon, bijvoorbeeld dat van de paus) verwerpt, verwerpt in zijn volgende gedachte álle gezag, elke rangschikking van mensen.
  • Wie met het geloven in énig verzinsel (Sinterklaas, zeemeerminnen, goden, of ‘de Ene God’) ophoudt, houdt meteen ook op met geloven. In welk verzinsel dan ook.
  • Wie het begrip ‘spel’ leert kennen, intellectueel, echt, kan gewoon doorgaan met schaken. Wie het geheel van grondwet en wetten van het Koninkrijk der Nederlanden herkent als verzonnen, en zo hol als de spelregels van voetballen, en daarbij nog écht doorheeft dat voetballen niet nodig is, kan toch een goed staatsburger blijven. Deze Staat eist geen geloof. In Nederland Nederlander blijven, zoals Robinson Crusoe op zijn eiland bleef. Ondanks het feit dat hij er geen fruitbomen en ander begeerlijks aantrof en had.

Iedereen moet blijven opletten

Het ophouden met ‘geloven’ en met ‘gezag verlenen’, verandert niks aan je omgeving, maar wel iets fundamenteels aan je eigen reageren daarop. Het (oudtestamentische) geloof dat het vertonen van het goede (in de Tien Geboden, én duizend kleinere wetten en voorschriften, beschreven) gedrag voldoende is om de kinderen het goede voor te leven, is een vergissing. Kinderen merken die holheid op. De angst voor mishandeling naar aanleiding van door anderen (sterkeren) ongewenst gedrag dat zij jou zagen vertonen; die angst is echt en aanstekelijk, want voorgeleefd. De mode zorgt ervoor dat het te vertonen gedrag ononderbroken verandert. Iedereen moet dus blijven opletten, om niet op school en op kantoor gepest te worden met ‘afwijken’. Het is niet de Staat die dit meedoen afdwingt, maar het zijn de anderen, de ‘peers’ van al degenen die ‘aan het maatschappelijk leven deelnemen’.

Het is beter je kop te houden en je degelijk te camoufleren: nadoen, meedoen, ook doen, napraten, meepraten, doorpraten (als je gegevens op zijn, maar je nog weet wat je zeggen moet ‘van horen zeggen’). ‘Je minder hoeven te camoufleren dan anderen’ is “een vorm van vrijheid”, “een stuk ruimte”.

Televisie is onderwijs

Televisieprogramma’s – tussen de reclameblokken in – veroorzaken leren in de kijkers.
Dat is onvermijdelijk. Televisie wordt niet als onderwijs benoemd en ervaren, maar het is het wel.
Technisch is het het beste onderwijs dat we hier nu kennen. Eindeloze, steeds gevarieerde herhaling en zonder woorden, zodat er geen tegenspraak ontstaat.
Sport en politieseries zijn puur propaganda. Soaps idem, met name voor ‘oordelen en voelen in plaats van objectief waarnemen’. En muziek doodt elk functioneren van woorden. Op z’n best is het wat ‘Free Cell’ en dergelijke spelletjes op de computer zijn: ‘verstrooiing’ – het tenietdoen van de concentratie op het voorgaande onderwerp van aandacht. Het voorkómen van frons-hoofdpijn.

Naast ‘wat gebeurt’ een wensplaat houden is DE manier om ongelukkig te zijn. Meteen, dus niet: te wórden. Die wensplaat is een verzinsel: een flard van Luilekkerland of van de koesterende couveuse voor alle leeftijden.
Bij de overeenkomsten van, en de verschillen tussen, ‘wensplaat’ en ‘wat gebeurt’ (‘wat het geval is’) worden de gevoelens aangemaakt die het leven zo rijk maken: dankbaarheid, blijdschap, verontwaardiging, verdriet enzovoort. Honderden woorden uit de lijst van meest gebruikte alleen al.

Uitschrijven helpt

Dat ik dit allemaal ‘denk’ (= dat het uit mijn tekstaanmaker komt en in mijn geestesoor klinkt), daar kan ik niets aan doen. Ik kan het overstemmen met muziek en zo, maar ik schrijf het uit.
Het heeft me geholpen. Tig jaar geleden heeft het me áfgeholpen van mijn woede op mijn buren die mij hinderden en onaanspreekbaar waren. Het heeft voorkomen dat ik emoties aanmaakte bij ‘ontslagen worden’ en zo.
Kortom, het heeft ‘evolutionair voordeel’ voor me. En dus bleef het niet slechts, het ‘ontplooide’ zich. Dat gebeurde en gebeurt.

Dit is dus een antwoord op de vraag hoe het met me gaat, hoe het me vergaat, of hoe ik het maak. Om dit antwoord nou te publiceren alsof ‘de potentiële lezers’ die vraag hadden gesteld, dat gaat wel erg ver. Zo ver ben ik dan ook niet gegaan. Ik ben er niet ‘om den brode’ toe gedwongen.

Klik op afbeelding om te vergroten.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *