Jaap Schot, 7 december 2001
De ontwikkeling van taal en taalgebruik
De in groepen levende exemplaren van diverse diersoorten waarschuwen elkaar voor verschillende gevaren (slang in de buurt, roofvogel nadert) met verschillende geluiden. Het ligt voor de hand en hoort lekker aan te vertellen dat bij ons mensen de taal en het taalgebruik ook uit waarschuwen zijn voortgekomen. Van het ‘systeem’ waarschuwen maakt deel uit: het reageren op wat niet zelf waargenomen is, door te geloven dat de waarschuwer te goeder trouw is.
Voor wie spreken zijn gegeven:
* het spreken over wat afwezig is en later zelfs en dat wel zónder dat er bedrogen wordt over wat niet bestaat en
* het bespreken daarvan en
* het bespreken van dat bespreken. [Dit meta-bespreken komt wel wat later.]
‘Zonder dat er bedrogen wordt.’ Zie daarover de eindnoot.
Kort vattend: zo kwamen we aan het geloven van verhalen die verzonnen figuren en dreigingen enzovoorts bevatten. Er zijn stokstaartjes die onterecht waarschuwen en er zijn en waren mensen die onwaarheid spraken, om te boeien, zelfs die logen om te bedriegen en te bedreigen, kortom, het ligt allemaal nogal plat, zo besproken.
Het is niet zo moeilijk een draaikolk op te vatten als een tijdelijk ding van water. Het lijkt wel water waar leven in zit. Idem zo met een tornado, met de nodige wijzigingen. De hele beweging door de atmosfeer, ‘het weer’, door de eeuwen heen, kan ook best opgevat worden als zo’n ‘levend’ tijdelijk ding, een ding is bij nader inzien een gebeuren, soms een heel langzaam gebeuren, maar soms ook een heel snel gebeuren (een ontploffing bijvoorbeeld). Er zijn van die filmpjes waarin dingen (planten) worden getoond als ‘dingen die gebeuren’: van zaadje naar stukje laagveen in twintig minuten te zien.
De lezer zag het vast wel al aankomen: wat zijn wij, exemplaren van de diersoort ‘mens’ anders dan van die ‘dingen die gebeuren’ ? Het antwoord van de oude taal was positief: wij zijn iets anders, gevangen geesten en zo. Het antwoord van de moderne wetenschappelijke taal is: niks, hoe kom je bij die vraag? Je ziet het toch?
Op die oude woorden in de oude taal is en wordt gereageerd, zoals ook op (valse) waarschuwingen wordt gereageerd. Beter een keer te veel gevlucht dan een keer te weinig. (Pascal: ik geloof maar, als het uitkomt, prima, als het loos alarm is: niks verloren.)
De natuurwetenschap is de reactie op de waarschuwing voor al die valse meldingen, al dat loze alarm, dat zich in de loop van de eeuwen ‘oude taal gebruiken’ had opgestapeld. Alles wat niet BESTAAT wordt als onderwerp van bespreken buiten (die wetenschap) gehouden. Al het onhanteerbare vereist toch zeker een hanteerbaar waarnemingsinstrument. Enzovoorts.
Hier is een waarschuwing bij: deze eisen zijn geformuleerd in reactie op bedrog. Prima, maar ook die gezuiverde taal is weer slechts mensenwerk. Er is geen opzettelijk bedrog in, maar er zijn de beperkingen vanwege ons beschikken over slechts deze begrippen en slechts deze waarnemingsmogelijkheden. Deze waarschuwing is evenzeer deel van die reactie op bedrog als die eisen aan de onderwerpen dat zijn.
Zo waarschuwend zijn we weer gewoon in die oude situatie op het niveau van de stokstaartjes.
Als we willens en wetens reageren op onware uitspraken en waarschuwingen en afspraken dan zeggen we dat we spelen. Als we spelen komen sommigen is zulke prettige omstandigheden dat ze niet terug willen naar het echte leven en willen dat het spelen voortduurt. Daartoe is het goed dat die spelers met minder prettige posities en omstandigheden in het spel vergeten dat het maar een spel is of geloven dat het spel het echte leven is.
VOORBEELDEN: makkelijk te aanvaarden is het voorbeeld van de Nazi’s die natuurlijk wilden dat het Volk ‘Reichje’ bleef spelen en die dan ook erg rot deden tegen wie er op aandrongen ermee op te houden. Bij ons eigen vorstenhuis zien we dat geloof bij (door) het volk niet nodig is, het speelt graag dat er koningschap bestaat en daardoor is dat er. Zijn = net als wat bestaat gevolgen hebben, nu ja krijgen, door ( = bij de gratie van) als ‘mentaal’ speelgoed in gebruik zijn. Net echt.
==//7-12-01 12:26\\==||
9-12-01 13:23:
=======
voetnoot:
Van waarschuwen tot spelen, lang voor de civilisatie invalt:
Van waarschuwen tot spelen, tot doen alsof je gelooft in het gelden, alsof je denkt dat de spelregels WAAR zijn. Een loze verzameling regels, die echter tijdens het spelen heilig zijn, waartegen met andere woorden niet gezondigd mag worden. Het overschrijden van de grenzen wordt dan een te vermijden iets, zoals het op drijfzand gaan staan dat is. De ellende die op het overtreden volgt moet hier echter kunstmatig door de anderen de overtreder worden aangedaan. Wie spelregels volgen doen alsof ze door een moeras lopen: één stap buiten het rechte (= juiste) pad en je bent verloren.
Waarvoor is de speler dan gewaarschuwd?
Antwoord: Voor de reactie van de omstanders (c.q. in hun naam de grensrechters en de scheidsrechters).
Die reactie moet echter wel binnen perken blijven, het is nu eenmaal een spel, een besteding van overgeschoten txaenz. De spelers maken deel uit van een groep die samen leeft en ook de speler die nu een regel overtreedt is straks weer nodig om de gezamenlijke arbeid te doen waarvan als groep leeft, bestaat, voortbestaat.
Het gaat er om zich de gelegenheid te geven zonder gevaar te oefenen en het gaat dus om het leren, niet om het absolute presteren en niet om de rangschikking naar prestatie: de groep als geheel moet er van leren, er beter van worden: modern gezegd: het gaat om ‘breedtesport’. Maar het gaat oorspronkelijk helemaal niet om sport, omdat sport en civilisatiespelen onreinigbaar besmet zijn met die recordjacht en rangschikkerij, dat antagonisme, dat tegen elkaar bezig zijn, dat zich met elkaar (én het vroegere en aanwezige zelf) meten, die ziekte van de geest, die bezetenheid met die boze geest of modern: die meem (zie de memetica).
=====
De corrigerende reactie van de omstanders op het overtreden van een grens, een regel, moet binnen de perken blijven, de functie van het spelen is constructief, opbouwend, de gezamenlijke txaenz verbeterend, in kwalitatief opzicht vergrotend. Groepen die er aan bezig zijn, zijn dat om de leden de gelegenheid te bieden ‘op elkaar ingespeeld’ te geraken. Dat maakt de groep sterker tegenover de ECHTE bezigheden en daarin voorkomende moeilijkheden.
=====
Dat alles is verloren gegaan toen de civilisatie toesloeg. Schoolvoorbeelden zijn de gladiatorenspelen onder de Romeinse keizers (dat was een serie Hitlers wier rijk de duizend jaren wel haalde). Schoolvoorbeelden zijn ook de sporters en sporten van tegenwoordig. De sport is het ECHTE leven van de in de civilisatie gevangen gehouden en gebruikte sporters, die oh zo vrij zijn en zich zozeer afbeulen dat ‘we’ het van trainers niet zouden aanvaarden als bevelen. Ik heb geen zin hier verder voorbeelden aan te dragen, wie het zien wil ziet het, wie in de propaganda wil geloven, doet dat.
=========
De toeschouwer krijgt kijk op het leven (het spelend oefenen, c.q. het gebruikt worden) van die anderen die meedoen. Die kijk van de toeschouwer, daar horen begrippen en woorden bij, maar die ‘kijk’ is daar niet van gemaakt, valt daar niet mee samen.
Het gebruiken van die taal, die begrippen dus en die woorden, maakt het mogelijk dat taalgebruik weer op te merken en te bespreken en dat levert wie dat doet een ‘hoger bewustzijn’, een WETEN naast het aanwezige weten.
Het toeschouwen en het weten worden door dat WETEN als het ware ‘verbaal’, ‘talig’ hanteerbaar.
==========
Diezelfde ‘kijk’ die verkregen wordt als toeschouwer wordt dan ook de ‘kijk’ op het eigen bestaan inclusief het eigen ‘bewuste’, dat is: zelf opgemerkte txaenzbesteden. IK bekijk en begrijp en benoem en bespreek mijn eigen doen en laten met dezelfde middelen en technieken als waarmee ik de bezige anderen bekijk enz.. Ik hoor met mijn geestesoor mijn bespreking van mijn eigen opmerken enz. alsof ik een ander mij (c.q. dat van mij) hoor bespreken. Ik hoor het ‘langs binnen’ zoals ik hetgeen anderen zeggen ‘langs buiten’ hoor. Dat heet dan bewustzijn en zelfbewustzijn en zo.
Hetgeen ik bespreek van wat ik kan opmerken, dat is een klein deeltje van wat ik als lichaam met mijn txaenz doe. Ik verteer spijs, maar ik weet niet hoe. Ik wordt er moe van als mijn lever het erg druk heeft met het bestrijden van een virus, maar ik weet niet wat er daar binnen in mij gebeurt. En zo is er veel op te noemen.
Het bewustzijn betreft heel weinig van wat ik (mijn lijf en mijn apperceptieve massa als gezamenlijkheid) doe. Het is een ontzettend domme fout dat bewustzijn de leiding te geven over het geheel, daarvoor is het veel te arm aan gegevens, kennis, weten, WETEN, begrip en vaardigheden. Maar het is wel ongelooflijk arrogant.
Die arrogantie is alleen goed geplaatst ten opzichte van diegenen die zich de txaenz geheel door lijf en apperceptieve massa laten dicteren, initiëren, kiezen, vormgeven.
Dat zich laten leven door zijn apperceptieve massa is minder aan te bevelen dan zich als een IK op te stellen, dat is: als BESCHOUWER ten opzichte van die eigen apperceptieve massa en datgene waaruit die resulteert: mijn omgeving (inclusief mijn omlevenden).
Stel je je niet beschouwend op, dan ben je zonder erg bezig mee te doen, want zo tref je je aan als je begint met het beschouwen van jezelf. Dan, als je niet gaat beschouwen, word je geleefd, word je gebruikt. [Of jouw gebruikers dat nu in de gaten hebben of niet, dat verandert aan het gebeuren niets.]
0 Reacties