TAALANALYSE.
Ondertitel: op zoek naar een betekenis voor het woord 'geest'.
1. Taal opmerken en taal analyseren.
Reeds voordat de leerling zelf aan het onderwerp ('taal en taalgebruik' dus) is toegekomen en klaar is met wat hij zelf opmerkte en onderscheidde, begint de school met het aanbieden van een (zij noemt het DE) taalanalyse. Het gaat hier om de analyse van de taal in woorden en volzinnen, voortgezet met de analyse van de woorden in letters en van de volzinnen in zinsdelen (zoals onderwerp, gezegde, lijdend voorwerp). Daarnaast levert het betere onderwijs de regels voor woordvorming en zinsbouw. Dit is een vormanalyse. Het betekenisloze non-woord 'gedulm' is moeiteloos te ontleden in klanken en het is te schrijven. De volzin 'onze kachel is een aardige kerel' kan gewoon worden ontleed, wat een onzin het ook is. Ook de formele logica valt volledig binnen de vormanalyse. Ook buiten de school blijft men speels met de taal als betekenisloos geheel bezig: in de rijmelarij en in het maken van klankdichten is de taal opgevat als klinkend geheel. In de kruiswoordraadsels en in Scrabble is een woord een geschreven ding met een aantal letters.
Het komt me voor dat weinigen de taal die ze spreken spontaan zelf zo zouden opvatten. Maar niemand komt tot zelf spontaan opvatten doordat de bestaande woordenschat, de school en de vermaaksindustrie hem voor zijn. Het kind is al leerling lang voordat het in en door zijn spontane intellectuele ontwikkeling aan zulk bestuderen van de taal toe is. Woordenschat, scholing en vermaaksindustrie voorkomen zodoende ook dat ze daar ooit aan toe komen.
In de taal worden echter binnen 'taal en taalgebruik' ook andere dingen onderscheiden, zoals bijvoorbeeld BEVELEN, DREIGEMENTEN, MEDEDELINGEN, LEUGENS, BESCHULDIGINGEN, WAARSCHUWINGEN, BELOFTEN, LOFTUITINGEN, AANKLACHTEN, VRAGEN, BEDEN en VERZOEKEN. Die onderscheidingen liggen vast in de woordenschat. Er is niets geheim aan. Dit is een inhoudsanalyse en wel van de taal als communicatiemiddel, met andere woorden van de taal zoals Robinson Crusoe alleen op z'n eiland die niet gebruiken kan. We hebben hier te doen met eenzijdige VERBALE ACTIES naar anderen, niet met INTERacties. Daarnaast is er een inhoudelijke analyse in woorden ondergebracht van de taal zoals R.C. die wel gebruiken kan. Daarbij werden bijvoorbeeld onderscheiden: CONSTATERINGEN, OVERWEGINGEN, REDENERINGEN, ANALYSES, KLACHTEN, VERZUCHTINGEN, VERMOEDENS en BESCHRIJVINGEN. Ook: HET ZICH AFVRAGEN, WAT MEN ZICH AFVRAAGT. We hebben hier te doen met VERBALE ACTIES: bezigheden die iemand zonder woorden niet kan doen.
Nu we toch bezig zijn kunnen we dan ook maar enkele non-verbale bezigheden noemen, die logisch en temporeel vlak voor het verbale plaatsvinden, en die dus in de analyse vlak achter het spreken zijn aan te treffen: BEGRIJPEN, BEDOELEN en MENEN (ook DENKEN?).
2. Mens en robotcomputer.
Deze tekst schrijf ik uit naar aanleiding van het lezen een boek ('De mens van Turing') waarin de natuurlijke taal van mensen wordt vergeleken met computertalen. Dit vergelijken levert geen overeenkomsten op, maar dat ontgaat de schrijver van het boek.
BEVELEN.
Bevelen (de bezigheid) kan men alleen doen als er iemand in de buurt is die gehoorzamen kan. Maar er is iets eigenaardigs met bevelen: de iemand tot wie het bevel gericht wordt, wordt niet als een iemand maar als iets gewenst. De ideale knecht is de robotcomputer, want die kan niet weigeren en geen fouten maken in de interpretatie van het bevel. Bij de robotcomputer is bevelen gelijk aan veroorzaken. De robotcomputer is een ding, een stuk gereedschap, met name een toverstafje. En dat is precies wat de bevelgevers willen kunnen: toveren. Ze willen de ONGEKNECHTE WERKELIJKHEID niet aanraken maar er naar wijzen met hun knecht als staf en het bevel als toverspreuk. In de beeldtaal van de film ziet men dat vaak, met een vuistvuurwapen wijst de bevelgevende naar het geheel van brandkast plus bankbediende en uit zijn toverspreuk: "Hier met het geld, Kees." Het vuurwapen is de stoffelijke vorm van de macht. Als de directeur van de bank tot Kees deze woorden spreekt is het ook een bevel, is het ook een toverspreuk, de macht is hier in onstoffelijke vorm: de afspraak omtrent de hierarchische posities.
Een tekst liet men vroeger uittypen door een typiste. Tegenwoordig kan vrijwel iedereen een computer/tekstverwerker hanteren en alle fouten van typistes en correctoren vermijden (resp. deze zelf maken). De robotcomputer geeft de gebruiker alleen niet meer de gelegenheid fouten op hem af te schuiven. Schuld afschuiven gebeurt naar opzij, naar een ander mens, niet naar een ding. Wanneer we telefoneren bijvoorbeeld worden we niet meer (fout) verbonden. De schuld is niet meer af te schuiven.
De robotcomputer is de ideale, maar niet de meest gewenste en geliefde knecht, de reden daarvoor is dat deze niet-levende knecht deel uitmaakt van de ongeknechte werkelijkheid. Dat komt tot uiting in het feit dat hij eist (als nietlevend ding dus vereist) dat elk bevel volmaakt is (geformuleerd). Het initiatief van de knechtelijke mens ontbreekt: de gewilligheid, het de bevelende naar de ogen zien. Onderwerpen is de bezigheid van de sterkere bij het vechten. Zich onderwerpen is het knechtelijke initiatief van de verliezer, die het verzet opgeeft en later het verzet niet weer opvat. De tweede generatie geknechten vertoont reeds die gewilligheid. En daarnaast ook het pogen om onder de schijn van dienstbaarheid, leidzaamheid en gewilligheid de heerser langzaamaan in te pakken, afhankelijk te maken. Ook die knechtelijke eigenschap (in dit geval neiging) ontbreekt aan de robotcomputer. Het zijn de technisch ongehoord knap geworden knechten die zichzelf in de robotcomputer hebben nagebouwd. Zij schonken met die robotcomputer hun heren precies wat die wensten: een arbeider die niet wenste te staken of afhankelijk te maken. De menselijke (biologisch geproduceerde en met behulp van onderwijs geprogrammeerde) knechten worden nu gebruikt om de robotcomputers te bedienen. De levende knechten beschikken nu over een nietlevende knecht onder zich aan wie ze de bevelen van de heren kunnen doorgeven, zoals de ruiters van Dsjengis Khan de marsbevelen die zij ontvingen konden doorgeven aan hun paarden (zoals Canetti vertelt in zijn 'Massa en Macht' ).
BESCHULDIGEN
Bevelen is dus niet het gelukkigste voorbeeld van communicerend taalgebruik omdat de aangesprokene het beste een ding kan zijn. Bevelen is een verbale actie, geen verbale interactie. De taal is in de bevelen terug gebracht tot het peil van bedreigen, wat helemaal geen verbale bezigheid is; de bij bedreigen gebruikte taal is niet meer dan een stuk gereedschap voor iets waarvoor een geladen pistool veel doeltreffender is. (Ook weer Canetti.)
Beschuldigen is dan wellicht een beter voorbeeld. Een ding kan niet schuldig zijn. Schuldig kan alleen een soortgelijk medemens zijn, een groepsgenoot, een net als de spreker onderworpene, iemand die vastzit (maar even niet vasthield) aan dezelfde wetten en voorschriften.
3. Taalgebruikende actie (dat is: a/ expressie en b/ manipulatie) en interactie.
Ik wil nagaan of ik hier iets (voorondersteld of verschijnend) kan vinden dat 'geest' zou kunnen heten; anders gezegd: iets kenmerkends voor iemand, voor een mens, voor een subject (in tegenstelling tot een voorwerp, een ding, een object). Een subject is letterlijk een onderhorige, onderworpene, onderdaan, een knecht dus (uit de zoveelste generatie geknechten).
We onderscheiden:
A. het interne gebruik van taal, het ook zonder te spreken in woorden vatten van je onderwerp, als bewustmakingsmiddel, als middel om "in sterkere mate te kennen". Wat je niet hier nu waarneemt ken je niet en kun je dus ook niet (zeker) weten; je kunt je dingen die je kende herinneren (en ervan uitgaan, -erop gokken dus- dat het nu nog zo is) en dingen die je van horen zeggen hebt kun je geloven. Het onderscheid [tussen kennen, weten (let wel: 'zeker weten' is een pleonasme), herinneren en geloven] kun je verwaarlozen, maar hoe gebruikelijk dat ook is, het is niet aan te bevelen.
B. het naar buiten gerichte gebruik van taal - 1. als uiting van reactie op, gevoel bij wat je in of om je opmerkt - 2. als middel (nu ja, poging) om de ander, die medebezitter van dezelfde taal is, te hanteren, te bewegen tot wat dan ook.
Mededelen, waarschuwen, liegen, beloven, loven, aanklagen en vragen, dat zijn nog de duidelijkste vormen van taalgebruikend bezig zijn met een ander iemand. Is er geen ander, dan kan dat gebruiken niet plaatsvinden.
Mededelen/waarschuwen: een stand of gang van zaken aanduiden (= daar met behulp van woorden andermans aandacht* op richten. Dat richten kan men soms ook doen door met de vinger het beoogde onderwerp aan te wijzen). Hier neemt de mededeler de ander serieus als een iemand. Kennis is niet over te dragen, als kennende kan ik niet meer doen dan andermans aandacht* trekken naar, richten op het onderwerp in kwestie.
Buiten spel geldt: Weg met gehoorzamen, vertrouwen en geloven.
C. Met elkaar omgaan met gebruikmaking van taal:verb. interactie. Om iets mee te delen moet er wel een ander iemand zijn, maar tot interactie komt het niet. Alleen als het mededelen ANTWOORDEN is, is het deel van interageren. Hoe heet die interactie ? Het vraag- antwoord-spel, het interview, het verhoor. Dat is een interactie, maar het haalt het niet echt, het is het melken en gemolken worden. Interactie kan nog beter:
Wat ik zoek als voorbeeld is HET GESPREK.
Het vraaggesprek zoals op televisie is geen gesprek. Een van de sprekers is het onderwerp en dat deugt niet. Een groepsgesprek voeren is ongelijk aan vechten (wat in discussie en debat gedaan wordt).
Wat de mens in gesprek als waarnemend dier onderscheidt van de levenloze robotcomputer is dat hij constateert in twee betekenissen: de nonverbale en de verbale betekenis: waarnemen en de waarneming onbewerkt uitzeggen. Onbewerkt uitzeggen kan bij nader inzien niet: tussen waarnemen en uitzeggen zit het begrijpen (het gebruiken van het begrippensysteem van de spreker). Beoordelen en opzettelijk deels verzwijgen, dat kan men nalaten, maar spreken is het uitzeggen van de woorden die "namen zijn van begrippen", die "de klinkende weergave zijn van het begrippensysteem".
Wat de ongereduceerde mens onderscheidt van de speler van enig gezelschapsspel (bijvoorbeeld 'civilisatietje' oftewel 'overtreffertje met bezit') is dat hij uit kan zeggen zonder daar een doel mee te moeten dienen. Wie aan een gezelschapsspel gaat meedoen geeft zijn vrijheid op: hij erkent (dat is nu eenmaal dat wat 'meedoen' betekent !) dat de grenzen en doelen van het spel zijn grenzen en zijn doelen zijn. Hij reduceert zich. Alle geciviliseerden zijn onvrij, zij zijn namelijk spelers. Zij dienen met al hun doen en nalaten een doel, hun speldoel en het speldoel (het algemeen belang van alle spelenden, dat het spel ongestoord blijft voortduren).
Als spelers (en dat zijn ze) kunnen ze niet meer constateren. Hun waarnemen zowel als hun uitzeggen worden door het spel gedefinieerd, bepaald, gericht, gevormd.
Zonder deelnemers die uitsluitend constateren kan er geen gesprek zijn. Alles wat het constateren te buiten gaat ondergraaft (verziekt) het gesprek. Met wie speelt is geen gesprek te voeren.
Goed, dat hebben we nu. In het kader van de civilisatie verkommeren alle verbale acties en interacties. Voordat de mens uit het spel terug is in de vrijheid, is er niet mee te praten. We kunnen waarnemen dat men (= minstens menigeen) zijn meedoen in de civilisatie niet (meer? , ooit gedaan dan ?) herkent, erkent en kent als meedoen aan een gezelschapsspel.
1. we hebben pre-verbale bezigheden [zoals WAARNEMEN en BEGRIJPEN]
2. we hebben controles [ zoals BEDOELEN (waardoor we kunnen vaststellen of onze tekst onze boodschap inhoudt en of de reactie van onze gesprekspartner past bij wat wij wilden zeggen) en MENEN (waardoor we kunnen constateren of dat wat ons aan tekst invalt bij onszelf 'diepte van emotie en motivatie heeft')].
3. we hebben verbale acties [ zoals UITSCHRIJVEN, BESPREKEN, BESCHRIJVEN, REDENEREN, UITZEGGEN, VERZUCHTEN en ZICH AFVRAGEN]
4. we hebben verbale interacties [ zoals EEN GESPREK VOEREN, VRAGEN/ANTWOORDEN en AFSPREKEN ].
Zo, nu zijn we iets verder. We zijn weg bij de analyse van de vormen. We zijn niet bezig te zoeken naar de antwoorden op de vragen HOE VORMEN WE (in het Nederlands) WOORDEN en HOE VORMEN WE (in het Nederlands) CORRECTE VOLZINNEN. Ook de logica hebben wij niet als onderwerp.
Wat doen we met taal als vrije mensen, buiten het spel "civilisatie" / "overtreffertje met bezit" dus, dus buiten elke leer en elk -'isme (want dat zijn stukken speelgoed, namelijk onstoffelijke lijm voor groepen die men binnen het spel voor eigen veiligheid moet vormen doordat velen het spel voor echt aanzien en er met lijfelijk geweld en wapens in tekeer gaan)? Buiten spel zijn vooronderstelt: in het spel niet 7 maal 24 uur per week als gevangene gebruikt worden, plus in je vrije tijd, in de tijd waarin je ongebruikt gelaten wordt, beseffen dat er leven is buiten het spel, buiten alle spel.
Dat er buiten spel en nergens erbinnen vrijheid is, o.k., wat dat ook betekenen moge anders dan 'de afwezigheid van gebruikt worden'. Maar dat er buiten spel ook nog 'geestelijk leven' zou zijn, dat is toch iets waar door mij voor mij nog even wat naar gezocht moet worden. Ik kan nog steeds geen inhoud (geen aangeduid verschijnsel) vinden (waarnemen dus) bij dat woord 'geest'.
Nog een keer: wie meespeelt is of heeft zich opgesloten. Binnen zijn is grenzen (beperkingen) hebben die er buiten niet zijn. Binnen zit men zowel veilig als opgesloten. Buiten is men zowel onbeschermd, onbeschut als vrij. Binnen kan men het huis niet als huis zien staan. Wie buiten is, is het binnen-zijn vreemd en andersom. .. =/160392/=
Terzijde: Macchiavelli beschreef het hoe van het heersen (macht uitoefenen) met gebruikmaking van wapens, geweldpleging, fysiek. De Middeleeuwen leverden ook de rhetorica, de leer van het hoe van het argumenteren, het platpraten, de sociale techniek van het heersen met de tong als wapen. Een 'hogere' vorm van taalgebruik.
=/180392/=
vervolg op taalanal.txt
Een zelfstandig naamwoord heeft een betekenis voor mij als ik iets kan waarnemen waar het de naam van is. Zo ongeveer. Ik kan bij het woord 'geest' nergens wat vinden. Elan vital of zo, maar dat kan ik wel levensvreugde noemen. Nee, 'geest' is en blijft een onbruikbaar woord voor mij.
Als iemand het woord 'geest', dat 'adem' betekent, gebruikt in het kader van het spreekbeeld: de schepping, alles om mij heen, de kosmos is een levende eenheid net zoals ik dat ben; ik micro- kosmos ben net als de macro-cosmos waarvan ik deeltje ben, nou, o.k., waarom zou dat spreekbeeld niet mogen. Zodra en zolang iemand volledig weet dat hij twee dingen met elkaar vergelijkt als hij een spreekbeeld gebruikt en slechts enkele overeenkomsten wil aanwijzen door middel van dat beeld in plaats van ze aan te duiden met namen van relaties en delen (bijvoorbeeld omdat hij die namen niet heeft), dan is er zodra en zolang de lezer/hoorder dat ook volledig weet, geen bezwaar tegen welk beeld dan ook. Maar oh wee als dat weten verloren gaat.
Dan krijg je woorden als geestloos als naam voor levenloos in de betekenis van niet-levend, mechanisch, machineachtig, robotachtig. De winnende wetenschap zoch en vond geen levend heelal, men duidt in die wetenschap een melkwegstelsel dat men ziet niet als een (lichaams)orgaan van de kosmos. Die duiding zou passen in dat oude beeld micro-cosmos--macro-cosmos beeld.
De scheppergod was eerst een tovenaar: hij sprak zijn toverspreuk 'er zij licht' en er was licht. Geen geknutsel, toveren. Even verderop in het scheppingsverhaal zit hij al te boetseren, handenarbeid, zoals de schrijver en de lezers het kenden. En een hele wetenschappelijke ontwikkeling later spreekt men niet meer over een schepper, oftewel over een daad, maar precies even ver als men zelf technisch is: over informatie (vastgelegd in natuurwetten oftewel eigenschappen en in genen) en programmering. En wat niet binnen dat kader van voorspelbaar geachts valt, wordt verklaard met de altijd op de achtergrond voorradige duisternis van het toeval, het lot.
Maar het spreekbeeld 'menselijk lichaam' is buiten gebruik gesteld, de kosmos wordt niet langer als levend beschreven. Overigens is ook uit (ons wetenschappelijk beeld van) de mens het leven verdwenen. Leven is een (zeg maar DE) bezigheid maar die is verdwenen, vervangen door 'bediend' worden, door de soortgenoten/tijdgenoten gebruikt worden zoals eerst gebruiksvee en later machines en tegenwoordig robotcomputers. De mensvormige robots (van bijvoorbeeld Asimov) uit de science fiction zijn veel "menselijker" dan de "levende" (=biologisch geproduceerde en met onderwijs en opleidingen geinformeerde en geprogrammeerde) specialisten-functionarissen die wij achter de loketten en beslissingen kunnen aantreffen. Die robots zijn menselijker omdat ze een afstelling hebben die hen bindt, hen in wat ze aan gedrag kunnen kiezen beperkt, anders dan mechanisch beperkt. Daaruit volgt gewoon het gewetens-gewriemel waar de romans (Dostojewski en vele anderen) zo vol mee staan. Die robots hebben duidelijk een ziel, ze ademen niet, ze hebben geen geest.
Voor ons, de biologisch [in voortplantingsvrijheid als diep 'recht van de mens' (dus in het wild)] geproduceerden geldt, dat is voor iedereen duidelijk, dat het geweten een op ons zenuwstelsel geschreven, ons als persoon maar niet als individu eigen wensenpakket is van de anderen als onze cipiers. Onze cipiers die zich niet als zodanig willen herkennen en dus spreken van hun gezamenlijkheid als van 'de cultuur' of 'de civilisatie' of 'de beschaving' of als ze zich als levend in een subgroep willen vertonen als van 'de leer'. De leer van christenen en mohammedanen als voorbeeld wordt geschreven op de zenuwstelsels van kinderen die 'van nature' minstens onwetend worden geacht, vaak ook 'zondig, gericht tegen die leer'.
De echt bestaand robotcomputers zijn niet mensvormig. Evenmin als de echt bestaande maaksels uit kinderen dat zijn. Bij die maaksels uit kinderen is er geen geweten te vinden en ook geen geest, geen leven. Wel activiteit, namelijk het doen van zetten in het vechtspel waarvoor ze geschikt gemaakt zijn, waar ze zonder tegenzin aan mee zijn gaan doen of waarin ze in gebruik genomen werden en gehouden worden. Als arbeiders zien we die maaksels uit kinderen datgene doen waarvoor ook (alleen maar nog niet goedkoper) ook robots kunnen worden aangemaakt. Wat we ze in hun vrije tijd zien doen is gehoorzamen aan (zo men wil: ingaan op) enige van de massaal via alle media (pers, radio, televisie, politieke of religieuze bijeenkomst) omgeroepen suggesties-tot- handelen. Het geld dat en de tijd, aandacht, energie en vaardigheden die besteed worden in het volgen van die suggesties wordt opgestreken door degenen die als leiders daarvan leven.
Van leven is in het ingaan op die suggesties evenmin sprake als in het uitvoeren van voor zichzelf hier en nu onnodige bezigheden door arbeiders. Leven is bezig zijn het nodige te doen om binnen de gegeven natuurlijke omstandigheden te voorzien in wat je hier en nu nodig hebt. Geld en ook geruilde specialistische activiteiten staan tussen het hier nu voor wie doet nodige en de gegeven werkelijkheid in. Wat je hier en nu nodig hebt wisselt (al komt het ook weer altijd terug, vaak zelfs tot je dood er een eind aan maakt) en in een overal ongelijke en voortdurende veranderende natuurlijke omgeving levert dat de genetisch nu als nodig en positief-prikkelend ervaren afwisseling en spanning. Die afwisseling en spanning ontbreekt in het robotwerk, in de routine en die spanning die het vechtspel oplevert is van een andere en dus verkeerde soort. Vinden en slagen zijn van nature leuk, het overwinnen en uitbuiten van je soortgenoten is dat niet. Maar het vechtspel zet alles daarin om. Nu nog, na zoveel eeuwen civilisatie vindt men 'idealisten' die allerhand uitvinden en ontwikkelen 'voor de mensheid'. Diep in willen vele ex-kinderen nog steeds niet vechten tegen alle anderen, ook niet tegen alle anderen buiten de eigen groep. Ieder kind wordt tot nu toe als een nietvechter geboren; maar de genetische manipulatoren zullen daar ongetwijfeld wat op vinden. Ergens in een of ander organisme moet toch een in menselijke embryo's in te planten vechtgen te vinden zijn. En zo niet, dan moet in 's hemelsnaam het geweldplegend africhten van kinderen maar nog sterker ter hand genomen worden.
..210392
Als aanhanger van een openbaringsgodsdienst (in de loop van zijn Christelijke geschiedenis) heeft de Westeuropeaan zichzelf beschreven zoals wij nu een computer moeten beschrijven. Ik doel hier op de analyse van het gebruiken van de taal. Met name de analyse van de vormen. Het zoeken naar de antwoorden op de vragen HOE VORMEN WE (in bijvoorbeeld het Nederlands) WOORDEN en HOE VORMEN WE daarin CORRECTE VOLZINNEN. Daarnaast beschreef men ook als vorm de logica. Ver van het zelf constateren hield men zich ook bij het dichten in vele vaste vormen (sonnetten en rondelen bijvoorbeeld) met vijfvoetige jambes en dat soort spelvormige beperkingen die men zichzelf oplegde. VORM, VORM en nog eens VORM.
Men kon de volmaakte preek aanmaken zonder zelf ook maar een glimp waar te nemen van dat waar de verwerkte "geopenbaarde" basistekst een beschrijving van was.
Met andere woorden de knecht heeft zichzelf in de computerrobot nagebouwd. Mijn computer werkt als volgt: ik type een tekst in, de computer bewaart die in zijn geheugen en op mijn bevel geeft hij aan de printer opdracht bewegingen te maken die sporen nalaten op een papier. Dat is nou precies zoals een door God geinspireerde (die de heilige geest door zich heen voelt waaien) zijn spieren opdracht geeft iets expressiefs te beitelen uit (of in) steen (Mozes). Nog sterker geldt het voor de gelovige prediker die Gods woord zoals dat door de genoemde geinspireerde op schrift kwam blind en onkritisch, zonder enig doordenken, in vormen perst, procedures en regels toepassend.
Er is in de knecht niets dat oorsprong is, zo min als in mijn computer. Zo min als mijn computer mijn teksten ook maar probeert te begrijpen of ze zich eigen probeert te maken, tot kennen van het in die tekst besprokene probeert te komen, zomin taalt de knecht ernaar profeet, ziener, begrijper, oorspronkelijke, de mythe gebruikende zelfstandige, vrije, wilde mens te zijn. Integendeel, de knecht is blij te kunnen dienen als een toeter waardoorheen de heilige geest roept.
Ik vind het om je (me dus) dood aan te ergeren. Als die knechten in Europa dan hun geloof in die God, die heilige geest, kwijtraken, dan wordt het inspireren, analoog aan het intypen, gedaan door de volksziel, door het collectief onbewuste (volgens die meneer Jung, die die moddervloed van occultisme in de plaats van psychologie aanbood en met succes) of door de geschiedenis (Marx). Maar eenmaal knecht, nooit weer mens.
Kunstenaars, die ze (en zich) dan oorspronkelijk noemen geven uiting aan het geheel of een deel van de door niemand bedoelde massa toevallige sporen van hun verleden, hun ervaringen, hun persoonlijke, private geschiedenis; vandaar het eeuwige gezeur over hun jeugd en over hoe dit of dat op hen overkomt, wat het in hen wakker roept aan reacties. O zo eenmalig, zo uniek, zo voor deze persoon kenmerkend. Zum kotzen, het enige dat zij nalaten is het veronderstellen dat er achter het geheel van sporen in hun geheugen een schrijver, een bedoeler, zat.
Als klant is iedere individuele keuzevrije geldbesteder precies zo'n expressieve kunstenaar, die zich uit in zijn aankopen.
Het verleden was van belang doordat God, (de heilige geest) de bedoeler en dader was van wat er geschiedde. Het weglaten van de bedoeler en het ooit als bedoelde opgevatte belangrijk blijven noemen is nog steeds dezelfde onzin. Het is de terugtocht van de knecht onder bedreiging van de argumentatie die hem zijn baas ontnam. Knecht zijn zonder baas dat kan niet.
Waarom hebben ze die baasgod verzonnen? Om te ontkomen aan het ellendige gevoel dat een aan hen gelijk wezen, gewoon een mens, op eigen kracht hen geknecht had en hield. Veel beter psychisch evenwicht was te bereiken met een nog hogere (God dus) die boven de heerser (be)stond [en achter de heerser als steun]. Hoe prettig voor de knechten te denken dat ook de vorst een onderworpene was en hoe prettig voor de vorst dat er met aanzienlijk minder wapengeweld door priesters angst kon worden ingeboezemd bij de knechten. In plaats van naar waarheid 'ik ben bang' leerden de priesters aan de mensen te zeggen: 'de heerser heeft gezag, van God gekregen'.
Bevelen werden al veel eerder tot wetten gemaakt, vastgelegd, zodat ze niet herhaald hoefden te worden, en de afzender niet iedere keer in beeld kwam, de vernedering niet iedere keer gevoeld werd. Nou, dat is ook duidelijk genoeg: de wetten komen van God of van wijze mannen of als dat wijze niet meer te handhaven is: van mannen die geheimen kennen, die wegens staatsbelang geheim moeten blijven. Als God noch de vorst die mannen aanstellen en er ook geen wijsheid of verstandigheid of geleerdheid meer als criterium te vinden of te verkopen is, dan gaat het volk die mannen zelf kiezen en wel op basis van hun vertrouwenwekkendheid, of nog weer even verder, op basis van wat ze aan voordelen beloven (belastingverlaging enz.) en tenslotte op basis van hun uiterlijk en gedrag zoals vertoond in tv-spots.
Maar knechten blijven knechten en dat wil zeggen: er moet een baas boven hen staan. Dan kunnen ze hun spelletjesbestaan voortzetten: gehoorzamen en ontduiken. Hun spelletjesbestaan noem ik dat omdat er hier met anderen gespeeld wordt zonder contact met de ongeknechte werkelijkheid, zoals die van nature gegeven is. Ze zijn niet bezig te voorzien in wat ze nodig hebben maar ze eten voor de smaak en ze kleden zich tegen het buiten de mode vallen. Ze komen niet in aanraking met enig natuurlijk gegeven maar altijd met bewerkte natuur.
Als ze ooit ruig(!) 'een strandwandeling in de echte zeewind' gaan maken is soms zelfs wel hun hele gezicht bloot en soms zelfs hun handen. Zoveel aanraking met 'de natuur' zoeken ze soms wel.
De knechten hebben zichzelf in de computer met randapparatuur nagebouwd. In hen noch in die computerrobot is iets te vinden dat oorsprong is van wat dan ook: er zit geen geest in dus. Erbuiten hebben ze ook geen geest kunnen vinden, maar dat hoeven ze zich niet onder de aandacht te brengen, ze wijden al hun tijd, aandacht, energie, vaardigheden enz. aan het onnodige, het spelen met elkaar: 'overtreffertje met bezit' heet dat spel.
Nu er geen baas blijkt te zijn buiten de mensheid hoeven ze niemand meer te gehoorzamen, dat klopt nog. Maar ze kunnen niet anders dan bevelen opvolgen, dus gaan ze meedoen aan allerhand afsprakenclubs, die als groepen bestaan binnen het grote gezelschapsspel: de civilisatie, overtreffertje met bezit. Als knechten hebben ze beperkingen nodig om te weten wat ze moeten doen (lekker zeker, lekker veilig, er is een doel met je) en om iets te hebben om te ontduiken (lekker spannend, lekker stout).
Voor knechten heeft de constatering dat het bestaan doelloos, zinloos, zonder enig kader, is, een negatieve gevoelslading. Daardoor is er vraag naar zingeving, er is dan ook nu een markt vol kraampjes, waarop ontelbare zingevingen en levensstijlen te koop zijn. Een markt vol wanen en perversies. En de leveranciers zowel als de klanten eisen dat net als op de markt voor dingen er ook op hun markt ruimte is voor elk artikel: vrijheid om overal reclame voor te maken en een verbod om reclame tegen andermans aanbod te maken. 'Alternatieve geneeswijzen' in plaats van 'zalfkwakkerij'.
--------- voetnoot * .. AANDACHT
Aandacht is een factor uit het vermenigvuldigingsproduct txaenz. Het is geen spul, ook al spreken we van bijv. het besteden, geven, schenken, richten, erbij brengen en vragen ervan. De bezigheid in kwestie is DENKEN AAN (= als onderwerp hebben). Denken aan iets, je aandacht hebben bij iets, hoeft niet samen te gaan met het bespreken van dat iets; samenvallen met bespreken doet het in ieder geval niet, bespreken kan heel mechanisch gedaan worden, met de gedachten elders, bij iets anders. Onderwerpen komen vaak uit je onbewuste op hun eigen initiatief. Verder doet (het opmerken van) het een of ander je zonder dat je dat kunt voorkomen denken aan. Daar kun je weinig tot niets tegen doen. Vervelend is het dan ook wanneer iemand je wijst op onaangenaamheden (bijv. geluiden, gezelschap, schaduw, licht) die je zelf met succes niet opgemerkt hebt, maar voordat ze je bewust werden als storing hebt weggelaten. Die onderwerpen die uit je onbewuste op eigen initiatief opkomen, moet je, noodgedwongen eerst onschadelijk maken voor jezelf; je moet ze eerst doordenken, dooddenken.
0 Reacties