Ten geleide

Jan Schot, 9 januari  2020

Een opstel van Jaap bij de correspondentie die hij en ik toentertijd voerden.

taxi!

Jaap Schot, 3 mei 2003

Een taxirit als bespreekbeeld voor gesprek en correspondentie.

Vervolg op het opstel ‘gobel’ van donderdag 1 mei 2003.
Mijn opstellen zijn ontstaan als ritjes, die ik alleen (= in m’n eentje) in mijn taxi maak.
Meestal heb ik toevallig iemand iets horen zeggen en rij ik alleen, in mijn maquette van mijn omgeving (inclusief de wereld), naar dat onderwerp toe. Onderweg voor mij uit sprekend (in feite schrijvend, dicterend aan mijn ‘dat wat ik zeg’ uitschrijvende computer aan boord) wat ik aan vooroordelen en associaties over het onderwerp heb (= vind in mijn geheugen) (= in mijn apperceptieve massa als cognitieve massa, functionerend in haar cognitieve hoedanigheid/kwaliteit).
Niet zelden kom ik helemaal niet aan bij het onderwerp waarheen ik op weg ging, omdat ik langs een mij aantrekkend, opvallend ander onderwerp kom en mij dan daar mee bezig (onledig) ga houden. Zo komt het dat de titels van mijn opstellen vaak niet slaan op de inhoud ervan. Dat kan mij niks schelen, ik rij (denk, verwoord, bespreek, beschrijf) om dat alles, die vaardigheden die daarbij nodig zijn, niet te verleren. Van mijn bezig zijn met die beoogde, of toevallig tot onderwerp geworden, onderwerpen blijven duidelijke, herinnerbare, nawerkende, voortaan als apperceptieve factoren bezige, sporen (veranderingen) achter. Het helpt, dat rondrijden, ik word er doordachter van. Kom ik later bij zo’n bestudeerd, veranderd, gestructureerd, onderwerp aan of langs, dan hoef ik daar niet weer, niet nog eens, veel txaenz aan te besteden. De sleutels steken in de sloten.

Door al dat rondrijden in vrije tijd ben ik natuurlijk bij veel onderwerpen geweest. Ik heb daar mijn waarnemingen gedaan en mijn onderscheidingen gemaakt en ik herinner mij mijn ansichten.

Voorbeeld
Gisteravond kwam in een telefoongesprekje het onderwerp werk(gelegenheid) weer eens ter sprake. Het verhaal gaat dat het slecht gaat met de economie en dat er straks voor vele, vele mensen weer ‘geen werk is’. Dat gelul gebruikt ‘het systeem’ zo ongeveer om de tien jaar om de gebruikten ongerust te houden. De aanmaak en het verbruiken (en daartoe kopen) van onnodige rotzooi (voornamelijk rangonderscheidingsmiddelen, mode en zo dus) ‘golft’, varieert in omvang, fluctueert. Die golven betekenen dat er meer of minder banen beschikbaar zijn voor wie zich moeten en/of willen laten gebruiken als werknemer. De werknemer, die iets onnodigs doet, die gehoorzaamt aan soevereine bevelen: de klant heeft altijd gelijk, aan elke koopkrachtige vraag moet worden voldaan, de hoogstbiedende krijgt de prestatie, de dienst, en is dus in de gelegenheid om aan anderen te tonen hoeveel en welke kwaliteit van ‘vreemde txaenz’ hij voor zich kan (c.q. heeft kunnen) laten besteden door een gehoorzamende en door dat gehoorzamen dus minder blijkende, vernederde loonslaaf/slaaf in zelfbezit (Ik-b.v., zoals bij voorbeeld Ivo Niehe ‘heeft’ of is).
Dat fluctueren van werkgelegenheid (gelegenheid om als loonslaaf txaenz om te zetten in geld) heeft dus met die werknemers niks te maken. Niks met hun geschiktheid om enig werk te doen of om zonder werk door het leven te gaan. Het overkomt iedereen, dat gegolf, er is nergens schuld of verdienste (merite, lofwaardigheid) in dezen.

Dat is het centrale punt.

Maar het is niet het enige centrale punt. Dat kan bij besprekingen zo gezegd worden, het beeld van de cirkel is namelijk totaal niet echt in gebruik, er wordt daarvoor veel te snel gepraat. Ook nu, zojuist, door mij. Ik kan me er nog uit praten door over een ellips te beginnen. Zo gaat dat en diep in is dat niet erg, zolang de aandacht bij het onderwerp is en blijft. Aanvallen op dit slordige spreken mag best, moet zelfs, bij de taalles. Maar niet bij het vak ‘economie’, als de lezer begrijpt wat ik bedoel. Bij (tijdens het gesprek, binnen) het vak ‘economie’ daarover beginnen, is subversief.

Ik ga terug naar het tweede centrale punt: niemand heeft werkgelegenheid nodig. Nee, nodig zijn:

  1. gelegenheid om te functioneren, met al je organen, in bezigheden die je van nature hebt of hebt aangeleerd gekregen, en
  2. geld om te betalen bij het nemen van wat je nodig hebt voor en bij dat functioneren. Geld is nodig om de winkelbewakers te kunnen afkopen dus, om er ongehinderd mee naar huis te gaan, met de boodschappen. Om er ongehinderd van te kunnen gebruikmaken, van de bibliotheek of het terminale (Grapje. Het bad in die grensplaats was gewoon een warm bad, maar werd verkocht als ‘thermaal’, maar diverse mensen kenden dat woord niet en vroegen een kaartje voor een terminaal bad) bad, bijvoorbeeld.
    Voor een opsomming van en uitleg over de diverse onmisbare ‘zaken’, zoals eten, drinken, rust, veiligheid, enzovoorts, zie Maslow.
  3. Het derde nodige is het inzicht dat alles wat iemand ooit nodig kan hebben in bezit (ja, eigendom, dat is: politioneel beschermd bezit) is (= door hem wordt aangetroffen) van ‘de kapitalisten’. En dat je dus wegen moet zoeken om buiten dat bezitbaars om te functioneren, je uitkering volstaat voor dat waarbij dat ontlopen van de bezitters/eigenaren niet mogelijk is. Elke mode, alle populairs, dringt je naar die bezitters, die hun ‘klanten’ kunstjes laten doen in ruil voor wat die klanten wensen te hebben, (want) zich hebben laten suggereren nodig te hebben om mee te functioneren. LET OP: de mensen om je heen zijn bezitters/eigenaars van hun txaenz en elke keer dat jij een beroep op een ander doet voor iets van diens txaenz schiet die ander, die maar één enkel schema kent (dat van koop en verkoop namelijk), in de rol van de winkelier en eist van jou een tegenprestatie. Ze zeggen het zelf hoor, voor televisie: “wij zijn allemaal kleine kapitalistjes en neo-liberaaltjes”, tuig dus. “Het kwaad zit in ieder van ons”, zeggen ze. Ik geloof ze niet alleen, ik zie er ook af en toe mooie voorbeelden van. Niet mee omgaan dus. Ook niet proberen hen tot bekering te brengen, als ze zouden “willen” veranderen. Als er daartoe krachten in hen werkzaam waren die sterk genoeg waren, dan veranderden ze ‘vanzelf’. Nu niet, dus ze hoeven niet van binnen uit, ze kunnen niet, ze moeten niet. Het voetbalveld is ‘de wereld’ van de 22 voetballers die aan het spelen zijn: het is hún wereld, niet de mijne. Ik ben niet eens een geïnteresseerde toeschouwer, laat staan een partijdige. Laat staan iemand die hen tot het beoefenen van een andere, of geen, ‘wedstrijdsport in teams’ zou wensen te brengen, te bewegen. ‘De grote wereld’, de echte, is van de op elkaar betrokkenen, de met elkaar bezigen, van hen die elkaar nodig menen te hebben. Bijvoorbeeld om elkaar te keuren en te rangschikken, zich en anderen te achten en te bewonderen en om samen derden te kunnen verachten. Die wereld beslaat het hele aardoppervlak en alle nodige goederen zijn er in gebruik zoals de bal in het voetbal in gebruik is. Ze, die goederen, worden gebruikt om mee te spelen. Aan alle nodige dingen is dat ‘daarvoor in gebruik zijn’ te zien. Opzichtige statusgevende merken op kleding en schoeisel, bijvoorbeeld. Of men onderwijst elkaar dat “zien”. De echte spelers is de statusgevende kracht bekend van elke auto, elk horloge enzovoorts, enzovoorts, .
  4. Je moet een aantal manieren vinden om, zonder lastig gevallen te worden door spelers, op het aardoppervlak (dat zij als hun speelveld zien) volledig en harmonieus te functioneren als wat je bent. Een levend dier, EEN SCHEPSEL, GEEN MAAKSEL VAN DE ANDEREN, een exemplaar van de diersoort ‘mens’. Van nature net zo min op, en bij, en in het spel in kwestie, betrokken als het eekhoorntje betrokken is op het bos waarin het leeft. Je bent gedoemd te leven van de omgeving, waarin je geworpen werd. Voor ons is dat die wereld: dat levert echter geen betrokkenheid erop op. Het bos is er niet voor het eekhoorntje, en andersom. Het eekhoorntje verspreidt “zonder erg” zijn mest en per ongeluk ook wel eens enkele begraven, en vergeten, nootjes. Daar moet het bos het mee doen. En dat lukt. Wat je als mens niet moet doen is: de propaganda dat jij erbij hoort blijven geloven. Ze (de binnensoortelijke parasieten, bezitters, eigenaars, mensengebruikers, eisers van kunstjes) bedoelen dat wie daarin trappen door hen zullen worden ontdaan van een deel van hun txaenz en dat zij, de parasieten, dat zeer goed vinden. Jij wordt er niet beter van, van dat erbij horen, maar zij wel. Als je erg dom bent (nu ja, als je dat liever hoort: handelt, doet), trap je er zelfs in als ze zeggen dat het je recht is om erbij te horen. Propaganda is het: bedrog!

Een gebruikte is niet méér waard dan zo’n wild, vrij, zelf levend, los dier. Een gebruikte is een stuk gebruiksvee. Sedert zo’n 5000 jaar al, volgens de verhalen in de boeken over ‘beschavingen’, leven er mensen als gebruiksvee, als ‘slaven’, als loonslaven, en (zogenaamd VRIJ): als slaven in zelfbezit, VERPLICHT ZICH (= HUN TXAENZ) TE VERKOPEN OP DE ARBEIDSMARKT,

  • als werknemer, via een ‘werkgever’ genoemde werkdoorgever, waarbij ‘werk’ de bovengenoemde afgedwongen kunstjes doen is, of
  • als ‘vrije ondernemer’/entrepreneur, waarbij je met zulke kunstjes langs de deur bij de betaalkrachtigen/koopkrachtigen gaat LEUREN.

 Dat alles wordt gebracht als vrijheid en menselijke waardigheid en dat (zo te brengen) is bedrog, veehouderstechniek, propaganda.

Terug naar de taxirit

Terug naar de taxirit in de maquette als bespreekbeeld van ‘opstellen maken’, gesprekken voeren en corresponderen.
Bij corresponderen: als lezer ben ik de taxichauffeur in mijn eigen stad (maquette van mijn omgeving door de jaren heen, mijn eigen Madurodam) en ga ik naar de plek (het gebouw, de wijk, de straat, het plein) van de genoemde naam. Ik gaf die naam aan een, nu onderwerp geworden ‘ding’, in mijn stad, mijn maquette, niet van mijn actuele omgeving, maar een Madurodam vol ooit nagebouwde waargenomen ‘dingen buiten’. De naam-ding-combinatie die mij leidt bij mijn rit naar wat ik denk dat het onderwerp is waar de ander het over hebben wil, die combinatie heb ik samengesteld. Mijn nabouwsels met een door mij gegeven naam. Dat is het immers wat ik als opgegeven doel (onderwerp) onder het woord van de schrijver / correspondent versta. Hij kan niet anders bedoelen dan zijn nabouwsel met ‘zijn’ (dat is in dit geval: de door hem eraan gegeven) naam.

Zo, met deze situatie als gegeven, gaan we dan gezellig ‘communiceren’. Dan moeten we dus heel erg de problematiek die in deze situatie zit, herkennen als technisch. Technisch en gegeven, in tegenstelling tot: om er een spel met gelegenheid tot vechten en winnen van te maken, ingebouwd en bedoeld. Dit gegeven probleem is met geen begrijpen uit de situatie te halen. Hoe je het probleem ook begrijpt, met een theorie of model, benoemt en bespreekt, het blijft bestaan. Niet over theoretiseren dus en niet op slordigheden wijzen zodra, zolang en in zoverre het lukt om het gezamenlijke onderwerp te vinden. Dat onderwerp te vinden in de omgeving, daar, buiten beide deelnemers aan het gesprek, te vinden via de maquettes, de denkbeelden, die beide besprekers ervan hebben, ieder het zijne wel en dat van de andere niet.
Als er niet iets (een gebeuren, een groep verschijnselen) is, daar buiten beiden, dan is het beter het zwijgen ertoe te doen.

De maquettes zijn geen mogelijk onderwerp, een voor een, ze zijn er bij wijze van spreken en introspectief is er iets waar ze in die wijze van spreken ‘voor staan’, iets wat in die wijze van bespreken met ‘die maquettes’ bedoeld wordt. Niemand kan andermans maquettes waarnemen, dus zijn die ‘dingen’ onbespreekbaar, een voor een. Als categorie worden ze hier besproken. Dat wel. Het zijn verzinsels, die staan voor iets niet toonbaars, niet aanwijsbaars, zelfs slechts indirect aantoonbaars.

Terug!
Waartoe nou dat bespreekbeeld met die taxi?
Ter verheldering van onze situatie als wij proberen een gesprek en/of een correspondentie te voeren.

Ik merkte dat de onderwerpen waar mijn opstellen over gaan, onbesproken bleven. Dat leverde mij (dank, dank, dank) dit bespreekbeeld op.
Vandaar.

Hieronder kunt u een reactie geven op bovenstaande tekst.
Het kan enige tijd duren voordat uw reactie geplaatst wordt.