Technieken van tekstverkrijging

Categorieën: Overige teksten

Trefwoorden: onbewerkte versie

Jaap Schot, 30 april 1985

Een opstel waarin ik hetgeen ik doe weer eens van een afstand bekijk en beschrijf.

  1. Mijn onderwerp, waarover ik mijn teksten schrijf, die ik later in een boek samen wil stellen en eventueel zelfs publiceren.

Dat onderwerp is : dat wat ons aller sociale omgeving is en ons allen overkomt. Geen enkele gespecialiseerde kennis of eenmaligheid. Bij voorbeeld: dat we kopen hebben we gemeenschappelijk, niet wat we van wie waar wanneer waartoe tegen welke prijs enz. kopen.

Kopen is dus een onderwerp voor mij.

Dan ga ik niet dat kopen bekijken als een uiting van de koper z'n ziel, maar ook niet als de oppervlakte van het diepere 'stromen van geld'.

Ik zoek orde, samenhang en samengang in sociaal-psychologische verschijnselen.

Ik probeer mijn inzichten in die orde, samenhang en samengang zowel in de vorm van schema's te tekenen als in de vorm van teksten uit te schrijven.

  A. ik breng mijn inzichten in verschillende teksten onder woorden, teksten die zich van elkaar onderscheiden doordat ik er centraal verschillende soorten woorden in gebruik. 

A1: ik breng mijn inzichten onder woorden in een opstel waarin ik de WERKWOORDEN gebruik. Ik zeg wat ik te zeggen heb uit in werkwoorden:

A.1.1  operationeel, in werkwoorden die namen zijn van dingen die je kunt doen.
Ik verhinder Jan deze fiets te gebruiken.

A.1.2. verschijnselen benoemende werkwoorden, dingen die je kunt zien gebeuren, dat is hier dus: gedaan kunt zien worden.
Jan trapt Piet.  

A.2 ik zou de sociale gebeurtenissen kunnen benoemen als het optreden van 'ismen, uitingen van de Xistische sociale beweging; Xistische standpunten. Die mogelijkheid duid ik alleen maar aan, anderen gebruiken deze steno-stijl al genoeg.

A.3 ik zou de sociale bezigheden kunnen beschrijven als gevolgen (werkingen, uitwerkingen, doorwerkingen, resultanten) van krachten in de mensen (drangen, dorsten, driften, zuchten, neigingen, verlangens enz.). ook deze mogelijkheid duid ik alleen maar aan en ik verwerp deze even, op grond van het mechanica-model dat er als spreekbeeld in gebruikt wordt. Alle beelden zijn slechts beelden en gevaarlijk suggestief als ze ongereflecteerd worden gebruikt.  Ik zoek naar een beeldloos beschrijven, NAAST veel beelden. Beelden heb ik nodig om naamloze relaties aan te wijzen. 

A.3 ik verwoord mijn orde-inzichten door het subsumeren van allerlei onder categorieen als 'IETSen, -ismen en -ocratieen.' Dat subsumeren geeft meteen een heel hoog, ver, overzicht brengend standpunt, gezichtspunt. Zoals Kouwer in zijn "Spel der persoonlijkheid" door het naast elkaar zetten (inventariseren)  van persoonlijkheidsleren definitief een eind maakte aan alle verantwoordbaar gebruik ervan, zo maak ik van die inventariseertechniek gebruik om de ismen en ocratieen te ontkrachten. Dat kan heel kort gebeuren, ik kan me de opsomming en de korte beschrijving van ismen en religies en ocratieen besparen. Iedere lezer hoeft slechts zijn eigen brein te louteren van de onedele rommel die er al in zit. Ik hoef er dan ook niets bij te voegen. 

B. ik teken een kaart van de life-space van ons allen à la Lewin van                            het leven,   het wild/de hemel/het paradijs  ---   de wereld/de samenleving                                      de cultuur -- de civilisatie                                               de maatschappij                                           (=de industrieen)                            de bewustzijnsind. -- goederenind.n 

C. Ik herleid en maak pijltjes-diagrammen / schema's:         --------             ------------          --------------         grond-                                     wat op de b.v.    stof                  product              markt komt         --------             ------------          -------------              -------------->           ---------->              verwerken                 verpakken  

D. ik beschrijf, reflecterend, mijn beschrijven en uitschrijven. 

E. Ik beschouw de context van min  beschrijven/uitschrijven:

E.1: van uitschrijven wordt ik in 'hogere mate' bewust

E.2: uitschrijven is een voorbereiding op publicatie = aan inkomen komen

E.3: uitschrijven is een reactie op de dagmerriefiguur in mij van de onwelwillende lezer, de verdediger van het geweldssysteem  dat de bezittersmaatschappij is, en de aanvaller van mijn      woordgebruik, mijn schrijven, dat onthult. 

F. Ik reflecteer op de taal: 

F.1.1: ik onderscheid echte werkwoorden van schijnwerkwoorden, echte zijn namen voor bezigheden, onechte hebben allen de vorm van vervoegbare taalelementen. Praten en schrijven noem ik echte werkwoorden, opvoeden en straffen vindt ik onechte. Straffen is gewoon wat het is: slaan, toeschreeuwen, vastpakken, opsluiten, mishandelen dus, zij het dat dat ook al een schijnwerkwoord is, omdat er een beoordeling in verpakt is. Slaan is slaan en blijft slaan, los van alle bedoelingen en opvattingen. Slaan is een echt werkwoord.

F.1.2: hetzelfde geldt voor zelfstandige naamwoorden . Een zelfstandig naamwoord is de naam voor iets wat zelf staat en staan zal, bestaan zal ook als alle mensen het vergeten. Zo bestaan de dingen ook al denken de mensen ze niet, maar het rode kruis bestaat evenmin als welk IETS ook als de mensen het vergeten of als de mensen er niet meer zijn. De suggestie van zelfstandigheid die zit in het gebruik van termen als 'de staat' en 'de kerk' is duidelijk en moet geacht worden bedoeld te zijn, Dat suggereren moet geacht worden als gevechtshandeling door mensen te worden gedaan..

F.2: ook in woorden die namen van krachten achter doen en laten zijn (drangen, zuchten, dorsten enz. b.v. en 'factoren') zit een suggestie, namelijk van een mechanistisch beeld van het sociale gebeuren, waarachter het bezitten verborgen wordt. ZOWEL HET IETS (I.C. EEN BEDENKSEL) OM OF VOOR DE VERSCHIJNSELEN PLAATSEN, ALS HET ER ACHTER PLAATSEN VAN EEN DRANG, REDEN OF OORZAAK OF DOEL, RESULTEERT IN HET AFLEIDEN VAN DE AANDACHT VAN HET VERSCHIJNSEL IN KWESTIE. DAT AFLEIDEN VAN DE AANDACHT IS EEN DOEL. HET VERDRINGEN VAN DAT DOEL UIT HET BEWUSTZIJN EN HET MAKEN VAN DAT AFLEIDEN TOT EEN GEWOONTE, DOET AAN DAT FEIT NIETS AF. 

F.3 Om de aandacht af te leiden van het centrale verschijnsel bevelen worden ook de uitspraakvormen verwisseld: vragen worden de vorm voor bevelen (Jan, doe jij het licht uit? betekent: jan, doe het licht uit>) naast het bevel: drink Coca-cola, waar de kortheid van de bevelvorm gebruikt wordt om te veroorzaken i.p.v. overwegen van het voorstel waarschijnlijk te maken.   

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *