Ten geleide

Jan Schot

De afkorting EBB betekent Eigen Begrippen Boek, en verwijst naar een project van Jaap dat, voor zover ik weet, nimmer voltooid is. Vraag is of het überhaupt ooit “af” zou kunnen geraken, al was het maar omdat taal altijd in ontwikkeling is.

De afkorting txaenz (spreek uit, “tijd maal aandacht enzovoorts”) is een neologisme van Jaap, dat hij al uitlegde op de eerste website die hij rond 2000 in de lucht liet brengen.

Ook geestesoor is één van zijn nieuwe begrippen en doet uiteraard sterk denken aan het welbekende geestesoog.

Het onderwerp van onderhavig essay is ook weer een neologisme.

tekstaanmaker

Jaap Schot, 9 februari 1999

Ik maak tekst aan zoals ik spijs verteer: het gebeurt in me door een deel van mij en als je het mij vraagt: ik weet niet hoe ik het doe. Ik vind het zelfs wat bedrieglijk om te spreken van ‘ik doe het’.

Om van het spijsverteren wat te weten te komen kan men wat men eet vergelijken met wat men uitscheidt en dan is er via de verschillen althans iets te zeggen. Zo, en nog op vele andere wijzen is men wat te weten gekomen over spijsverteren.

Ook over het aanmaken van tekst (door dat deel van mij dat die tekst aan mijn geestesoor laat horen, waarna een ander deel van mij die tekst dan kan redigeren en uitschrijven, zoals ik nu doe) is het een en ander gesteld en geconstateerd en in de begrippenapparatuur terechtgekomen die wij via het leren van onze moedertaal ons eigen maken.

Mijn tekst is een uitscheidingsproduct en als zodanig geen afbeelding van het onderwerp waarover die tekst gaat. Bij een melding bestaat dat onderwerp en wordt daar dan door de sprekende opgemerkt, waargenomen, begrepen, bestudeerd en besproken. Waar het onderwerp bestaat uit herinneringen en/of verzinsels bestaat het onderwerp niet in het echt. In de tekst is dat wel of niet bestaan vaak niet duidelijk aangegeven. Ook in de vorm zijn teksten over verzinsels niet te onderscheiden van meldingen, er wordt gesproken in dezelfde (vast-)stellende vorm. Als men een sprookje begint met ‘Er was eens..’, dan doet men alsof men een eigen herinnering verwoordt of een melding doorvertelt. Geen van beide suggesties is terecht.

“Maar dat geeft toch niks.”

Nee hoor, dat geeft niks, het laat alleen wat na, namelijk:

het als een alle mensen omvattend ideaal voorleven van:
zorgvuldigheid met alles wat je zegt, totale exactheid, volstrekt streven naar volledige overeenstemming van tekst en onderwerp. 

Als ik de teksten die mij ingevallen zijn bestudeer, dan kan ik waarnemen / concluderen / constateren wat de tekstaanmaker in mij heeft gedaan.

Ik kan mijn teksten nagaan op het voorkomen (= gebruikt-zijn) er in van: 

  • eufemismen
  • synoniemen
  • woorden die een antoniem hebben
  • modellen – paradigma’s
  • spreekbeelden beeldspraak
  • (termen en flarden uit) begrippensystemen
    (bijvoorbeeld het periodiek systeem der elementen)
  • begrippenapparaten / begrippenapparatuur
  • ’t (nalaten van) het geven van een eigen naam aan een begrip
  • partijdigheid / partijkeuze
  • belangstellen – opmerken – negeren
  • haten – liefhebben – geboeid (geïntrigeerd) zijn
  • obsessief, geïnteresseerd, teleurgesteld, afkerig zijn
  • positief of negatief bevooroordeeld zijn.

[Zie de desbetreffende trefwoorden in het EBB]

Het is gemakkelijker om deze verschijnselen in andermans teksten te bestuderen, en daarna is het technisch zelfs voor degelijk geciviliseerden [= tot zich rangschikken afgerichten] gemakkelijk op te brengen zich de anderen als minderen aan te schaffen door zelf alle fouten en onvolkomenheden uit de eigen tekstaanmaker te bannen, door ze niet langer te accepteren (dat betekent: te laten horen/lezen).

Helaas is dat technische gemak niet voldoende, want geciviliseerden zijn niet op waarheid maar op winnen bij strijdgesprekken (debatten) gericht. Taal gebruiken is voor hen een vorm van vechten en niet een manier om waarheid aan te maken. Als er door ware uitspraken te doen gewonnen kan worden zijn geciviliseerden ook daartoe bereid (tot waarheid spreken dus), normaal gesproken moeten ze bedreigd worden (onder ede gesteld) om tot het spreken van waarheid te komen.

Om de bovengenoemde verschijnselen op te merken is letten op de woordkeus een onmisbare/onvermijdelijke eerste stap. Een andere stap is het letten op bijvoeglijke naamwoorden, bijwoorden, beperkende bepalingen en dito tussenzinnen.

Wanneer andermans teksten voor iets anders bestudeerd worden dan deze techniek van tekst aanmaken, dan is het zinnig dat bestuderen zo kort en extensief mogelijk te houden. Teksten zijn uitwerpselen en als zodanig niet te eten, niet om in te nemen, niet voor inwendig gebruik. De vraag voor de lezer is dus: waar kan ik het voedsel vinden waarvan deze uitwerpselen gemaakt zijn. Is het onderwerp mij gegeven, voor mij te vinden ter bestudering, om er zelf aan waar te nemen wat er aan de hand is, om er zelf mee om te gaan. Zo het onderwerp mij de lezer) niet gegeven is [c.q. voor mij niet toegankelijk] dan is het niet mijn onderwerp, dan hoef ik er ook niets over te lezen. Dan MOET ik er ook niet over lezen, want dan is mijn lezen nog slechts tijdverdrijf, txaenzverspilling.

Teksten over ontoegankelijke onderwerpen zijn buiten de civilisatie de moeite van het lezen niet waard.

Wie vrijwillig [= anders dan ‘at gunpoint’] iets van zijn txaenz in de civilisatie besteedt, moet het zelf maar weten: hij heeft smart op smart te vrezen.

Hieronder kunt u een reactie geven op bovenstaande tekst.
Het kan enige tijd duren voordat uw reactie geplaatst wordt.