Jaap Schot, 18 juni 2011
Armand Verberk(?) noemde ze zo, als ik de naam van die monnik/ geestelijke universitair docent aan de RUG goed onthouden heb.
1
Ze zijn eraan gewend gebruikt te worden tegen beloning met geld en zien niet dat dat geld dwangbevel is aan hun medeslaven om op hun beurt te dienen (zich laten gebruiken, op buitenbesturing handelen, zelfs in hun vrije tijd, als koper van luxe, onnodigs). Ze leven met een vals bewustzijn. En ze zijn ervan overtuigd vrijheden te hebben, en daarmee blij te moeten zijn. Allerlei onzinnige uitdrukkingen als ‘persoonlijk’ en ‘autonoom’ en ‘subjectief’.
Subjectief betekent 'gevoelsgeleid', maar komt van dezelfde slavenhouderstaal om over hen te spreken: onderworpen, op de grond gegooid of gaan liggen uit doodsangst, vanwege het zojuist zien doden van anderen door die lui waaraan ze zich onderwerpen. Ván 'we zullen ze terroriseren', werd de uitdrukking: 'ze mogen subject zijn'.
In de tijd dat we geen gebruik ('werk') voor ze hebben, mogen ze vanuit hun vals bewustzijn aan de gang. We kunnen hen dat met een gerust hart toestaan, nadat ze zoveel generaties in terreur zijn opgegroeid en daarover verteld gekregen hebben. Ze voelen zich geen lid meer van de – door onze erflaters, onderworpen – stammen en ongeciviliseerde volkeren. Ze willen ‘wereldburgers’ zijn en ‘mensenrechten’ hebben. Rechten die het individu betreffen, het eindproduct van het verdelen (stukstampen) van de overwonnen groep, het overwonnen volk.
We hebben hen al zover dat ze elkaar benadelen en op elkaar winst maken, als totaal normaal zien. En het elkaar helpen en eerlijk delen, te zien als dwaas ideaal van sommigen.
De geslaagde ambitieuzen
Hún mening, die ze – zoals iedereen elke mening – ongestoord mogen hebben en houden, en zelfs – als ze zich niet keren tegen de civilisatie, waarin wij geslaagde ambitieuzen zijn – daaraan uiting geven.
Als ze er echter een regeling willen maken (van hun emotionele, subjectieve betrokkenheid bij hun soort- en tijdgenoten, in die vorm van wat ze ‘eerlijk delen’ en ‘humanitaire hulp’ noemen), dán moeten ze langs onze posities. Dan moeten ze er maar een democratische meerderheid voor aanmaken.
Tegen de tijd dat ze daarin slagen,
- zijn de initiatiefnemers hartstikke dood, en
- is de 'beweging' bemand door geslaagde ambitieuzen, die
- onze denkwijze als de enig juiste (voor het handhaven van het systeem) herkennen en erkennen, en
- nooit het omverwerpen van dat systeem als mogelijk, nodig, of wat anders ook dan volstrekt ongewenst, hebben leren zien.
Het systeem was het regeringsgebouw, het stadhuis, waarin ze binnen wilden komen om vandaaruit, op hun beurt, mee te heersen.
Kiezersbedrog
Schoolvoorbeeld: in ons lieve vaderland, de PvdA. Wat men ‘sociaaldemocratie’ noemt, is al een windei van de kip die ‘socialisme’ heette. ‘Socialisten’ waren al berustende herstellers van de oorspronkelijke (van vóór de inval van de koloniserende civilisatoren, de rovers die tussen de ‘raids’ niet meer naar huis gingen) eenheid van de onderworpenen.
De Volkseenheid herstellen, dat wilden die mensen van vóór het socialisme. Hun ideaal werd, generatie na generatie, verdund tot wat nu de PVDA ‘leert’.
Waarom mag "eigen volk eerst” niet gezegd worden? Het antwoord is helder te formuleren: het volk is de grootheid waaruit de positiebekleders in de overheid (= de lege structuur, zaal met stoelen, die door de bezetters verlaten werd) nu juist zich 'opwerkten'. Hun verdienste achten zij het, die massa verlaten te hebben. En dat ze riepen – bij verkiezingsspeeches – dat zij het stemvee gingen vertegenwoordigen, dat was juist zo slim, dat mensvee stonk er ín!
Democratieën en buitenbesturing
Zij wonnen: hun zetel, hun positie. En daarmee was het stemvee zijn ‘stemrecht’ kwijt, tot de volgende verkiezingen. Met verkiezingen produceer je niets, je verdeelt. Je verdeelt ongelijk, wat in de propaganda gelijk verdeeld wordt genoemd: de macht, de invloed, het beslissen voor de velen die op buitenbesturing staan.
De enorme verworvenheid van de huidige, westerse democratieën is: dat het mensvee dat erin gehouden, en (op de arbeidsreserve, de werklozen en de als ‘gehandicapt’ aangeduide onbruikbaren na) gebruikt wordt, enig deel heeft aan de dwangbevelen (= het geld) waarin de mogelijkheid om anderen op buitenbesturing te zetten (= jou te laten dienen), die de overwinnaars van ooit (bij ons: de Romeinen) zich verwierven, is ondergebracht.
2
Ja, zo staat het erg moeilijk geformuleerd en dat is ook goed zo.
Het geeft iedereen die niet geïnteresseerd is, de gelegenheid te doen alsof hij afknapt op de tekst van een ander, in plaats van op de gevoelde weerstanden binnen het denkproces in zichzelf. Er staat niets in mijn teksten, dat de lezer niet elders allang heeft horen beweren of weerleggen. De vraag “wat is die spreker nou aan het weerleggen?” dient de luisteraar (dus niet de hoorder) zich ook te beantwoorden. En dat vaak zonder hulp van de spreker, omdat die aan andermans (en/of eigen?) aandacht – voor wat er áchter zijn oneliners en zijn inspirerende toespraken ligt – 'geen behoefte heeft'. De verzwegen middentermen en de vooronderstellingen binnen de woorden, zijn zijn kleren – ter verhulling aangetrokken. Door hemzelf en/of door zijn opvoeders, scholers, enzovoort.
Bruikbaarmakers
Scholers: zij die zich goeroes, onderwijzers, opleiders, opvoeders, of wat dan ook, hebben genoemd. Maar in feite blijken zij, qua uitwerking (gevolgenpakket) van hun activiteit, bruikbaarmakers.
Nee, ze zijn niet schuldig. Ze doen zich niet, ze gebeuren. Dat is zo met ons allen, ons 'lerende dieren'.
Afgedwongen vanzelfsprekendheden
Het is voor het behoud van het systeem technisch nodig, dat het kernpakket van afgedwongen vanzelfsprekendheden functioneert in de keuze van
- de onderwerpen, en
- wat daarover gezegd wordt.
Vanmiddag, voordat ik om boodschappen ging, was er een schoolvoorbeeld daarvan op televisie (VPRO over geschiedenis, váderlandse geschiedenis). Zinnen met ‘Wij’ en ‘Nederland’ als onderwerp. Over Srebrenica en óns slavernijverleden en onze oorlog om het behoud van Nederlands-Indië. Nederland vond het normaal. En dergelijke.
Al de aanwezige historici waren stekeblind voor het verhaal, dat vanochtend nog op de Duitse televisie was verteld. Dat ‘wij’ hier – ik bedoel onze biologische voorouders – werden onderworpen en opgesloten binnen landsgrenzen en nationale staten.
En niemand bracht in herinnering hoe het ‘Nederlander worden’ ten stadhuize met baby’s aan hen veroorzaakt en genoteerd wordt, en dat daarvan alleen dat noteren te fotograferen, waarneembaar, is.
Het is onmetelijke kul om mij als IETSonderdeel van Nederland op te vatten. Oh ja, ik zie best in dat ik me erop moet beroepen om mijn pensioen uitgekeerd te krijgen. Maar een echte doordenkende duif, zal zich geen trotse Skinnerlab-duif voelen en noemen.
Gereduceerd tot dingen
Alle gebruikte mensen worden gedefinieerd aan de manier waarop ze gebruikt worden. Dat is als het ware hún ‘positie’. Bij uitbreiding is in dat zo spreken de hele maatschappij opgevat als een te bemannen erfenis van formatieplaatsen. Daarmee hadden alle werkenden minstens een afschaduwing van die ‘veiligheid als koopkrachtige’, die de geslaagde ambitieuzen dankzij hun positie en via hun coöpterende medegeslaagden ten deel valt.
Voor de gebruikte mensen – het mensvee, het stemvee en werkvolk, in liberale leiderstaal: het tuig (het gereedschap dus), de subjecten, de onderdanen – gaat dit nu veranderen. Ze worden dermate blind geacht (en terecht) dat ze niet zullen opmerken dat zij allen (mannetjes en vrouwtjes exemplaren) als baby zullen worden gereduceerd tot echte dingen.
Zoals vroeger tot militaire dienst, zo worden nu álle baby’s verplicht tot flexibele werknemers. Niet langer alleen promoveren, nee ook demoveren
3
, omlaag in de rangschikking, staan hen te wachten. Het enige alternatief is: uitstappen en buiten het arbeidsleger, zelf als ondernemende zonder personeel zijn diensten ‘op de markt brengen’ en proberen te verkopen.
Daarin slagen is puur onmogelijk: het is en blijft een gok, alleen deze lage lieden, krijgen niet
- die erkenning, en/of
- de straffeloosheid bij ‘niet winnen’,
die aan de spaargeldbewaarders (“bankiers”) uitdrukkelijk en vanzelfsprekend wordt gegeven door de geslaagde ambitieuzen die ‘bezettertje’ over ons spelen (= ‘de overheid vormen’, = de formatieplaatsen vullen van de staatsstructuur, de organisatiestructuur van de bezetting, vanaf de Romeinen).
Deze lage lieden draaien met grote kansen op armoe op voor de risico’s die zij nemen. Eigen schuld, hadden ze zich maar niet moeten proberen te onttrekken aan de slavernij met de soeverein als slavenhouder en de werkgevers als houders van ‘slaven in leen’.
Slavernij een toegestaan onderwerp?
Met deze begrippen mag dit niet gevat worden. De slavernij, het houden en gebruiken van mensen als vee, waarover door anderen beschikt wordt, moet en zal worden besproken als verleden tijd en ‘bij anderen en hún met elkaar omgaan’.
Het onderwerp is dermate pijnlijk en dermate helder en ruim met voorbeeldmateriaal uit eigen waarnemen te illustreren, dat ‘je’ er je mond over moet houden. ‘Het blijvende’, waar dit bij hoort, en ‘het niet oppervlakkige’ en ‘wat niet gedaan wordt’, het zijn allemaal geen toegestane onderwerpen.
Jaap Schot, 18 januari 2013
Onze ouders waren gevangenen in die nationale Staat, die wij als ons geliefde vaderland moeten zien. Wij zijn zelf als baby ‘aangegeven’ en geregistreerd als bezit van die Staat – of hoe de soeverein ook wordt genoemd. Die soeverein, die dienen ze, die landgenoten die als cipier functioneren.
Die soeverein heeft alle macht. En alle recht zit ondergebracht in eigendom, wat geld en goederen betreft. Erfelijke macht via geboorte resteert nog sporadisch van heel vroeger, en in de vorm waarin het houden van mensvee wordt gedaan. Vorstendommen en zo.
Wij werden als baby genoteerd als onderworpen aan het regime, de vormgeving aan 'mogen en moeten'. Wij waren slechts vrij tot dat noteren, een dag of wat dus.
Onderscheiden is niet de bedoeling
Vrij, zoals wij uit handen van de – nu, qua bestaan, ontkende – schepper kwamen. Die schepper is er niet, bestaat niet. Dat wordt ons heel erg duidelijk gemaakt, opdat wij geen hoop zouden hebben. Er is niets buiten het aangetroffene, en wat we aantreffen, is echt en onaanvechtbaar. En die eigenschappen betreffen wereld én aarde.
Dat het bestaan (= het rekening moeten houden met de dingen) van de wereld gespeeld wordt, en ‘de natuur’ géén artefact is, dat wordt ons
- binnen de leerplicht niet uitgelegd, en
- buiten school niet voorgeleefd.
Het is niet de bedoeling van de soeverein, dat wij dat onderscheiden.
Het is niet voldoende onze aandacht er niet op te richten door het regelende, ‘wet’ te noemen. Zowel als we het over de natuur hebben als wanneer we het over het bestuur van anderen hebben. En wij spreken ook van de wereld als we de aarde bedoelen, zodra dat maar even kan.
Truc is hier dus: de taal die de kinderen leren (doordat ze die om zich heen horen en lezen) ontdoen van zoveel mogelijk onderscheidingen en verhalen. In verhalen – een wetenschappelijke theorie is hier ook een verhaal – wordt bij samengaan (dat aan te treffen is), gesproken als ware het samenhangen. Allen die voldoende onderwezen zijn – weinigen dus – kennen het feit dat samenhang alleen in het geloof bestaat. Het geloof aan het ‘waar’ – dat is meldend, aanwijzend – zijn van zulke verhalen.
Het, mij ooit vertelde, schoolvoorbeeld is hier ‘de natuurlijke plek der vallende dingen’, die ene Aristoteles poneerde.
En de slavernij gaat maar door...
Zó, door
- aarde en wereld niet te onderscheiden, en ook
- schepsel en artefact niet, en
- straalhard te liegen over dat ‘over ons stellen van de overheid door God’.
God, die weer één en dezelfde wordt gedacht te zijn als de god van Mozes, die bevrijdde – uit het diensthuis leidde.
Oh, wat een ellende hè. Generatie na generatie wordt in slavernij gebracht. En meestal juichen de ouders de kinderen vóór. Bij het langskomen van een Oranje, of een ander overheidsoptreden. En niet alleen ouders die in god geloven. Oh nee, die liberalistische figuren die in de rechtsstaat geloven, zijn minstens net zo erg.
Hoe brengen ze de gevangen kinderen ertoe blij te zijn met hun ‘staatsburgerschap’?
Nou, dat lukt niet erg. De ouderen worden ononderbroken bestookt met verhalen over de ellende in het buitenland. Goed nieuws is geen nieuws, omdat het niet meewerkt aan dat ‘blij zijn dat dát mij in ieder geval niet overkomt, zonder dat ik een beroep kan doen op de rest van de Nederlanders’.
Deze functionele relatie tussen de keuze van ‘wat nieuws is en wat niet’, is mij nooit aangewezen.
Af en toe zo’n vondst doen, is een bekrachtiging voor mij om door te gaan met dit uitschrijven.
Net zo doorgankelijk als collega's-slaven
Dat het toen en daar erger was of is, maakt de gewone genoteerden – staatsburgers – tevreden. Monddood ook. Over monddood maken gesproken. Wie kijkt wat voor de kinderen van de leerplichtige leeftijd wordt uitgezonden via tv ("Zapp" van NTS), ziet dat er aan zo’n kind wordt gevraagd: “hoe maak jij verkeringen uit?”.
En ik zou het niet wagen daar een vraagteken bij te plaatsen. Waar zou ik mij mee bemoeien, als oude alleenstaande? Wat weet ik nou van de leefwereld van dit kind, dat vlot antwoordde dat ze zich ook wel eens beperkte tot sms’en? Alsof die leefwereld door dat kind – of, haar leeftijdgenootjes – wordt afgescheiden, zoals zweet of talg of zo.
Nee, jullie – brood, in gehoorzaamheid, verdienende – slaven. Die leefwereld maken jullie tegelijk – omdat je wel gek zou zijn om af te wijken – met de rest van jullie: je collega’s-slaven zonder eigen kracht.
Jullie zijn doorgankelijk, geen oorzaken, niet schuldig, niet verdienstelijk. Jullie zijn als de gaatjes in de zakken waarin je, in de afbakafdeling van de supermarkt, die geurende kadetjes meekrijgt naar de kassa.
Die heerlijke geur komt via die gaatjes, niet van die gaatjes. Jullie zijn kinderen van jullie tijd, zoals die gaatjes ‘gaatjes van die zak’.
Wij zijn geen eenheid
Er zijn manieren van spreken bij ‘wat gebeurt’, waarbij mensen ineens als daders worden opgevat. Die ‘daders’ krijgen
- een lintje en lof, of
- een sneer, of zelfs
- een boete, of
- gevangenisstraf.
Ze moeten de isoleergevangenis in. En die isoleergevangenis bevindt zich binnen deze (onze nationale) Staat, waarin wij gewoon door geboorte ‘zitten’. Met levenslange dwangarbeid. Milder gemaakt, dragelijker door allerlei vrijheden, en jawel: pensioen.
En daar moeten we dan blind zijn voor onze situatie. Daar zelfs blij mee zijn. Met die vrijheden en die milder makende maatregelen, die afgedwongen zijn door staken en volhouden. Ondanks dat politieoptreden, waarmee de erfgenamen van de bezetter de vastberadenheid en wanhoop van de arbeiders testten. En zodra het hen ‘te doen’ voorkomt, wéér testen.
Wij, landgenoten, zijn geen eenheid. Net zo min als die 22 bezige voetballers op dat veld, een eenheid zijn en samen een wedstrijd spelen. Die beroepsvoetballers weten beter. En die amateurs – die door hun bevaderaars de sport in gestuurd zijn – moeten, via hun ‘sporten’, leren ‘sportief’ in de wereld (= tussen de anderen) te staan.
Nou, dat hebben heel veel van onze medeburgers inderdaad geleerd, hoor. Zie "Bonje met de buren". Een eindeloze reeks voorbeelden van lui, die sportief elke vraag van mensen in hun buurt, opvatten als een aanval op hen, als handhavende partij. Er komt niets anders in die sportieven op dan NEE.
Dat nee komt op uit hun onbewuste, waar ‘wat ze aanleerden’ onbewust aanmaakt ‘wat hen invalt'.
Als neiging, gevoel, of zelfs – bij de 'ontwikkelden' – tekst, zinnetjes! Geweldig, lof, eer en prijs voor ons onderwijs. Het praat!
Sport is uit den boze, een duivelse instelling. Het mensvee wordt erdoor gemaakt en gehouden tot ‘een huis dat in zichzelf verdeeld is’.
Het begrip 'Nederlander' is een denkstop
Huis is hier: een verzameling mensen die ‘in hetzelfde oordeel’ zijn. Allemaal gevangenen van een idee in hun taal (→ in hun apperceptieve massa aangeleerds). Al die stakkers 'denken' – en dat is echt niets meer dan: valt als antwoord desgevraagd in – “ik ben Nederlander”.
En dat veel te velen – en die, in sportieve rangschikkerij gewikkeld – omvattende 'begrip', maakt dat die onderlinge beroving en dwang buiten de gedachtegang blijft. Het grote begrip staat het doorgaan van de gedachten naar ‘wat zijn die met elkaar aan het doen’ in de weg. Een denkstop heet zo’n 'begrip'.
Aan wie een ruim uitzicht wil, kan ik aanraden om op het wad te gaan lopen. En ga alleen en zonder je mobieltje te gebruiken. Alleen meenemen voor in geval van nood!
Dan is daar nog slechts om zich heen kijken – in plaats van, naar de gladde en ongelijke grond kijken – nodig om dat uitzicht te nemen. Dit kenbaar iets dringt zich niet op.
De 'obesitas-epidemie’
Gisteren had een leidinggevende mevrouw het over ‘de obesitas-epidemie’, waarmee wellicht het voorkomen van jongetjesanorexie bij haar klantjes ‘te maken had’. ‘Obesitas-epidemie’, ineens vallen allerlei associaties met het diagnosticeren van een epidemie weg. Bij difterie en zo, zou een aanhoestbedrijf toch niet ongemoeid gelaten worden.
De obesitas die hier bedoeld werd, wordt door reclame verspreid. Bewust en opzettelijk, een bron van werkgelegenheid. En overbekend zijn ook de omstandigheden waarin mensen deze ziekte oplopen. Van een besmetting spreken we hier niet. Nee: de helden van onze economie veroorzaken
- de consumeergewoonte, en
- de bevorderende bewegingsarmoe bij het werken,
- en er zijn ook vrij willend ‘in het spel gebrachte’ andere factoren, zoals bijvoorbeeld pesten.
‘Werken’, dat doet wie werk heeft. Het is het doen, van wat moet.
In de betekenis van: afgedwongen wordt, als dienen voor geld.
Geld, dat onmisbaar is doordat nemen zonder te betalen ‘stelen’ heet.
Dat leidt tot acties van de politie, tegen de burger – dader.
Parasiteren op de arbeiders
Die mensen die dat dikmakende voer verkopen, ‘werken’. Net als de betrokken reclamemensen. En die mensen die investeerden in die verkooppunten voor vetmakers, die staan helemáál boven elke kritiek.
Investeren is het hoogste gedrag. Hoger nog dan het plaatsen van orders bij die bedrijven waarin geïnvesteerd werd.
Investeerders en klanten samen, zetten werkmensen aan het werk. En dan pakken ze ‘rechtens’ het gemaakte (respectievelijk, het voor de geleverde diensten betaalde geld) geheel (minstens, voor een zeer groot deel) af van de arbeiders. Dat is gewoon parasiteren. Binnensoortelijk weliswaar, en dát is origineel: echt menselijk. Planmatig, volbewust.
Meedoen of 'raar' zijn
Het bizarre is natuurlijk dat wij mensen alle parasieten en ziekteverwekkers gewetenloos te lijf gaan: hier past een geweten niet. En zie toe: die binnensoortelijke parasieten zijn de voorwerpen van onze bewondering. Hun macht is ondergebracht in geld, en duur te verkopen dingen.
En wat wordt van ieder van ons, die bij zijn verstand geacht wordt, dan ineens verwacht? Dat wij mee ‘spelen’ om die verpakte macht ongelijk te verdelen.
Wie niet meer geld en onbruikbare – slechts duur te verkopen – spul en spullen, wil hebben dan hij nodig heeft om ongehinderd het nodige te doen en te nemen, is raar.
En jawel, ‘raar’ is eigenlijk niet gek, verwerpelijk of verachtelijk, maar slechts zeldzaam. Maar die oorspronkelijke – niet oordelende, maar objectief beschrijvende, benoemende – betekenis is alleen nog in het Engels duidelijk ‘op de voorgrond’.
Voetnoten
1) [red.] Jaap's studiegenoot Cor Keers herinnerde zich de (voor)naam wel goed. In zijn boek "Geloven van wieg tot graf; een studie over zingeving" (2020) schrijft hij (blz. 152):
"Mijn leermeester in de voorspellende statistiek was Amand Verberk.
Een priester die na zijn fungeren als theoloog afstudeerde in de psychologie,
en ging werken bij de subfaculteit psychologie te Groningen."
2) [red.] Jaap vindt het, zie het vervolg, "goed zo". Ik ben niettemin zo vrij deze, ineengevlochten, volzin uiteen te rafelen. Want, wat staat hier nu eigenlijk?
Wat is de enorme verworvenheid van de huidige, westerse democratieën?
- Dat het mensvee, dat daar (in die democratieën, dus) gehouden én gebruikt wordt, enig deel heeft aan de dwangbevelen.
Met uitzondering van: de arbeidsreserve, de werklozen en de – als ‘gehandicapt’ aangeduide – onbruikbaren. - In de dwangbevelen – in de vorm van, geld – is de mogelijkheid ondergebracht om anderen jou te laten dienen.
In Jaap’s terminologie: (om anderen) ‘op buitenbesturing te zetten’. - De Romeinen verwierven zich ooit de mogelijkheid om anderen jou te laten dienen.
In Jaap's verhalen worden de Romeinen – keer op keer – afgeschilderd als "de overwinnaars bij ons".
3) [red.] Afdalen op de carrièreladder; degraderen. Tegenovergestelde van promoveren. Een neologisme.
0 Reacties