Jaap Schot, 19 maart 2008
Marten Toonder schreef en tekende verhalen om te verwijzen naar ontwikkelingen en toestanden in de wereld, waarover de lezer las in de rest van de krant. Het kwam in niemand op om in ernst te stellen dat Tom Poes bestaat. Niemand ging langs de deur om te vertellen dat Tom Poes bestaat en deze listige kater werd ook niet gebruikt in het goedpraten van onze staatsvorm. Dat de staatsvorm niet werd goedgepraat met een beroep op Tom Poes, maakte dat er ook niet door politie en justitie voor werd gezorgd dat iedereen zijn geloof in het bestaan van Tom Poes beleed in een daarvoor geijkte formule. Het verzet tegen die belijdenisdwang (misnoemd als ‘geloofsdwang’) bleef dus ook uit en er kwam niet, - naast atheïsme -, het atompoesisme.
Als er na vele eeuwen, ja millennia, mensen zouden leven die alleen nog de verhalen van Tom Poes als boeken hadden. Dan zouden ze misschien wel ertoe kunnen komen ‘roomse kerkje’ te gaan spelen. En het geloof in het bestaan van Tom Poes tot voorwaarde voor aanvaarding als burger maken. “Wij”, de Europeanen, zijn voor zoiets gek genoeg geweest.
Toonder heeft helemaal niet bedóeld te suggereren dat hij verslag deed. Hij vertelde en verwees naar iets.
Het is maar een gedachte van me,
maar misschien loont het wel de Bijbel te lezen,
zoals wij de verzamelde verhalen van Tom Poes lezen.
We zouden dan zonder veel moeite af en toe iets om ons heen zien (lezen in de rest van de krant) waar een verhaal naar schíjnt te verwijzen.
Toonder bedoelt niets meer. Wat de bijbelschrijvers al of niet ooit bedoeld hebben, is ons onbekend. Hun bedoelen is over. Ze zijn zo dood als Toonder.
De Bijbel anders lezen
Als we nou eens
- áchter de staat stichtende gebruikers van de bijbelteksten gingen kijken, en
- hun dwang om te geloven in het bestaan en waar gebeurd zijn ontgingen,
dan was die Bijbel wellicht helemaal zo’n gek boek nog niet.
Want wij hoeven niet te veronderstellen dat de vertellers van de bijbelverhalen zoveel anders (en wel: ondoordachter, minder reflectief, dwazer) waren dan Toonder. De bijbelverhalen werden pas, na generaties lang mondeling overleveren, schriftelijk vastgelegd. Het uitschrijven van die verhalen maakte dat ze ophielden, mee te veranderen met de omgeving waarin ze verteld werden.
Veel teksten in de Bijbel zijn geschreven door (van staatswege en/of door hun omgeving, hun vaderaars) tot geloof gedwongen, verleide, gebrachte mensen. Gewone mensen, die nadeden, napraatten, mee de godsdienstige begrippenapparatuur gebruikten en doorpraatten. Hoewel ze niet zágen wat ze schénen te onderscheiden, schénen te benoemen en schénen te bespreken. Ze praatten over god en de duivel, zoals “wij” over recht en schuld en rechtsstaat en mensenrechten en China en het IOC enzovoorts. Hetzelfde meepraten dat we ook in de rest van de krant aantreffen. Daar vinden we SOORTGELIJKE VERZINSELS als in de verhalen van Toonder en in de Bijbel.
Verhalen en werkelijkheid
Ík vind het belachelijk, dat menigeen in de Bijbel een sprekende slang, walvis of ezel aangrijpt om het boek op te vatten als
- een verslag van wonderen, of als
- een onzinnig sprookje, verteld door kinderlijke, naar niets verwijzende primitieven.
Zelfs al wás dat zo geweest, dan nog hebben wíj hier nu die twee dingen:
- die verhalen, en
- onze werkelijkheid.
En als iemand het probeert, dan kán hij er misschien wel iets mee: met dit verhaal kan ik verwijzen naar dít gebeuren om ons heen. Zoals Orwell met ‘Animal Farm’ verwijst naar wat er gebeurt na een revolutie. Het hóeft niet gedaan te worden, dat proberen om met oude verhalen te wijzen naar de actuele werkelijkheid. Om het analyseren en het zien van ‘relaties zonder naam’ en het verwachten van wat er komt, te vergemakkelijken.
Maar die andere dingen waar ik het over had (‘het atompoesisme’ en ‘het geringschatten van die vertellers van duizenden jaren geleden’ bijvoorbeeld), die zijn moeilijk te zien als doordacht omgaan met wat je voorhanden hebt (1 en 2 dus).
De atheïst leest de bijbelteksten, zoals de meest ondoordachte orthodoxe gelovige die leest. Jammer zou een mens dat kunnen vinden.
O.K. ik stel: dat ís jammer. Eerst dan maar de vraag in welk kader dit alles optreedt. Jiddu Krishnamurti stelde vaak voor (aan zijn hoorders, die hij meedenkers wilde laten zijn) ‘laten we daar eens diep op ingaan’. Het alomtegenwoordige schrijven en spreken wordt inderdaad gekenmerkt door het nalaten van dat ‘diep ingaan op’. Men laat elkaar daar geen gelegenheid toe. Men laat zichzelf en elkaar zo weinig spreektijd (geld, betaalde arbeid) dat er niet anders kán dan
- aan de oppervlakte blijven,
- zich snel over dat oppervlak heen bewegen, en
- debatteren.
Debatteren is een sport
In andere opstellen heb ik uitgebreid uitgelegd hoe dat schuwen van het onderwerp gaat. Dus doe ik dat hier nu eens niet.
Debatteren is een sport als alle andere,
- antagonistisch,
- al lang los van sportiviteit (een mentaliteit, die ontspannenheid vooronderstelt),
- gericht op applaus van de partijdige, voelende toeschouwers,
- gespeeld door specialisten, om de aandacht van het publiek te richten op de vorm in plaats van op het “statutaire”, “officiële” onderwerp. Het onderwerp is bij debatten, wat de bal is bij balspelen.
- functionerend in het kader van (ja, erger: zelfs áls) de propaganda voor de ‘spelregels’ van de civilisatie.
Zoals in de sporten in het algemeen wordt met debatten gesuggereerd (→ de dwaling wordt aangeleerd) dat applaus, beloning, bewondering, roem en bijval door prestatie verkregen worden. Meningen en tegenwerpingen inbrengen is voldoende om volwaardig deel te nemen. Dat is de boodschap.
- Het gaat niet om waarheid, maar om meerderheid.
- Niet om kennis, maar om kennissen.
- Niet de juiste oplossing, maar het juiste netwerk.
0 Reacties