Trots

Categorieën: 1973-1986 Docent lerarenopleiding, Rijksuniversiteit Groningen | Archief | Eigen boek (1984-1987) | Opstellen | Uitgangsopstellen

Trefwoorden: eigen boek

Trots is een gevoel, dat iemand heeft bij het doen of hebben van iets waaraan hij de voorkeur geeft boven iets anders, ja zelfs wel boven alle anders. Trots voelt de winnaar. Trots voelt de uitstekende. Uitstekend is het woord dat op school gebruikt wordt voor de hoogste prestatie. Sommige gebruikers van de cijferschaal van 1 tot en met 10 waarmee wij op onze scholen werken gebruiken de 10 (de beoordeling 'uitstekend') in het geheel niet en maken die beoordeling daarmee tot een onbereikbaar ideaal. Trots mag de leerling echter voelen bij een prestatie waarmee hij zijn vorige prestaties overtrof of de prestaties van klasgenoten overtrof.

De leerling wordt aangezet en zelfs gedwongen tot presteren en als tegenwicht voor dat gedwongen worden krijgt hij de kans af en toe ergens trots op te zijn. Zelfs op het mogen meedoen in deze wedstrijd alleen , ook als hij daarin nooit wint, moet menigeen al trots kunnen zijn. Aan de trots op dat meedoen alleen moet menigeen al genoeg hebben, moet menigeen al genoegen nemen, om de simpele reden dat er voor de renners in het grote peloton gewoon niets anders in zit. De opbouw van wed­strijden waarin men top­prestaties "kweekt" is zo dat de meeste deelnemers tevreden moeten zijn met het deelnemen : winnen en zegevieren is slechts voor de winnaars weggelegd. Wanneer trots onverbrekelijk verbon­den is met het verheven zijn boven anderen en niet alleen boven zijn vroegere zelf, dan moeten allen die niet winnen, de mees­ten dus, ‑ er is bij de atle­tiek‑opstelling waarmee we hier te maken hebben hoogstens een drietal winnaars‑, zich verheven voe­len boven de niet‑deelne­mers.
Kon Robinson Crusoe op zijn eiland alleen trots voelen, trots zijn ? Is trots iets wat men alleen is, in z'n eentje, of is trots een gevoel dat men krijgt door de toejuichingen van de anderen. Als een leerling een schaakwedstrijd wint van een compu­ter, in z'n eentje, thuis, en hij vertelt het aan niemand, kan hij dan trots zijn ? Komen bij trots zijn toch altijd andere mensen te pas, of kan iemand solitair trots zijn, zonder dat hij zich een publiek voorstelt en indenkt, dat applaudisseert en hem bewondert ?
Het is voldoende deze vragen te stellen. Wanneer iedere schrijver ervoor zorgt dat zijn lezer de antwoorden krijgt die de schrijver zelf daar dan op deze vragen geeft, is het in orde.
Een ander gevoel dan trots is volgens mij het gevoel dat ik heb bij het slagen in een opzet, waarbij verder geen mensen betrokken zijn, die weten van mijn plan. Als ik me voorneem een opstel te schrijven over trots en het staat na enige tijd op papier, dan ben ik geslaagd in mijn opzet. Evenzeer ben ik geslaagd in een opzet, wanneer ik een klosje bevestigd heb aan het stuur van mijn fiets om de handle van de versnelling te beschermen als ik mijn fiets tegen de muur plaats. Ik heb er geen behoefte aan andere mensen op mijn slimme uitvinding en uitvoering te wijzen, maar menig keer als ik mijn fiets tegen een muur zet, merk ik op dat het ding werkt. Het opmerken van het werken van mijn uitvinding geeft mij een positief gevoel. Dat gevoel zal wel een naam heb­ben, maar het trots noemen lijkt mij niet passend, vooral omdat we dan het superioriteitsgevoel bij b.v. het blank zijn of werk hebben of getrouwd zijn of heterosexueel zijn of Nederlander zijn, in een zelfde categorie onderbrengen als dit uitvindersge­voel. Er hoort een gevoel bij het erkend worden. Erkend of herkend worden als de beste, de uitstekende, geacht worden waardevoller dan anders of dan anderen te zijn, daar hoort een gevoel bij. Ho­ren dat men in lovende, prijzende woorden besproken wordt, daar hoort een gevoel bij. Voor velen niet slechts n gevoel, maar een mengsel van gevoelens. Zo kan het bij voor­beeld zijn dat de geprezene meteen voelt dat met deze lof hem verplichtingen worden opgelegd, dat er voortaan van hem geen terugval tot lagere pres­taties wordt aanvaard, een terugval die slechts moet moeite en gedurende betrekkelijk korte tijd te voorkomen is.
Trots hoort ook bij het erkend worden, bij het aangewezen worden door de anderen aan elkaar. Maar het zelfvertoon is een duidelij­ker verschijnsel dat samengaat met, ja zelfs een uiting is van trots, het zelf vertonen van de resultaten van eigen werk. Met het zelf vertonen van wat men bereikt, gekregen, gepres­teerd, gemaakt of gekocht heeft, uit iemand zijn trots, hij is er trots op, op datgene wat hij vertoont. Zijn gedachten zijn bij dat gaan vertonen bij de anderen, die de vertoning niet, maar het vertoon­de wel zullen zien. De bedoe­ling van de vertoner met het vertonen van datgene waarop hij trots is, is niet dat de toeschouwer hem diagnostiseert als een vertoner, maar als een presteerder, een sterke ,de speler van een glansrol, een held, een verwante of wat ook.

Dit zelfvertoon‑voor‑applaus zien we bij zeer veel mensen. Dat is ook precies wat die mensen willen : gezien worden door ons, want: door wie dan ook. Wij allen zijn publiek voor de toppresteerders in een egalitaire maatschappij. Wie in de media van de bewust­zijnsindustrie werkt, als publicist, in beeld, te horen, schrij­vend en zonder pseudoniem, die behoort in de meeste gevallen tot die zelfvertonende vragers om applaus. Voor ons applaus, onze kijk‑ en waarderingscijfers leveren zij hun prestatie. Wij gewo­nen, kijkers, lezers, luisteraars functioneren als beoordelaars, als de onderwijzers die in onze schooljeugd macht hadden en macht uitoefenden, via datzelfde cijfers geven, datzelfde uitkiezen wiens prestatie aan de anderen getoond zou worden, datzelfde vaststellen in soeverei­ne willekeur wie de aandacht zou krijgen en daarmee de kans op lof, op bewondering, op applaus of op verguizing. De vooron­derstelling bij vertoon is dat de anderen die toeschouwen zullen bepalen wat ze in me zien en dat ik ben wat die anderen in mij zien. Het gaat hier om soevereine, niet om goddelijke willekeur. Soevereine willekeur wordt door de massa aan de weinigen toegekend, het is hun soeverein. In de leer daarom­trent wordt aan God niet door mensen de soevereiniteit ge­schonken, toegekend, maar is God van zichzelf de hoogste, onafhankelijk van de mensen, God is niet van hen, maar zij zijn wel of niet van hem.
We kunnen stellen dat de maatschappij door middel van het eren van de toppresteerders heel veel prestaties uit de ingezetenen haalt, die er zonder niet van hen verwacht worden. Of die verwach­ting dat eren extra opbrengst uit de mensen als produktiemiddelen haalt, terecht is of niet, dat wordt niet onder­zocht, het eren als middel van aan het werk zetten berust op verwachtingen. Met eren komen de prestaties er uit, waarom zou men proberen of het ook zonder eren kan, de gewonen vinden het eren geen nare bezigheid en laten zich er niet voor betalen.
Vooral daar waar de vertoners door hun scholing ertoe zijn gebracht van hun vertonen een dienstverlening aan de toeschouwers te maken, is de toeschouwer/beoordelaar niet ontevreden. Als iemand die applaus wenst, mij daarvoor aan het lachen wil brengen, vind ik het best.

Begeerte.

We constateren het bestaan van de begeerte naar bezit en naar kunnen waarmee men door het te vertonen eer kan inleggen, gezien kan worden, aanzien kan verwerven, naam kan maken, bekend kan worden en zelfs beroemd .
Dit is een begeerte naar wat slechts anderen kunnen toekennen. Wie dit begeert is afhankelijk van zijn medemensen.(Een vreemde reactie op het uitblijven van de erkenning is dat de afhan­kelijke zich niet langer richt op zijn tijdgenoten, maar op de mensen die later zullen leven en de sporen van zijn werken, zijn oeuvre zullen waarderen.)
Wie in de positie is dat hij erkenning moet uitdelen, heerst over de ander die om erkenning werft. Een vrij recente nieuwe vorm van 'van applaus afhankelijk gemaakt worden' heeft zich voorgedaan in het onderwijs en in andere welzijnbevorderend geachte bezigheden. De cliënt en de leerling/student zijn als klant voor de onderwijskracht en voor de welzijnswerker en sociaal werker en maatschappelijk werker, zo belangrijk geworden als degenen VAN wie hij leeft, dat zij nu, bijpassend, de klant ook de positie van koning/keurder/beoordelaar kreeg. De klant emancipeert zich, de klant die patiënt heet, de klant die leerling/student heet en de klant die geacht wordt door de welzijnswerker geholpen te worden. Van helpen kan alleen sprake zijn als de geholpene het initiatief nam en behield om te streven naar datgene bij het bereiken waarvan hij geholpen wordt. Voor het helpen moet een reden zijn dat de geholpene zijn doel niet alleen kan bereiken. Een boeiende variant van niet kunnen is : het door anderen gedwarsboomd worden. Nog boeiender wordt de zaak wanneer dezelfde maatschappij die het dwarsbomen toestaat helpers betaalt voor de gedwarsboomden, de gefrustreerden. Evenwijdig daaraan loopt de bezigheid van de staat die het privaatbezit van wat men zelf niet nodig heeft , maar voor anderen van levensbelang is, handhaaft, en tegelijkertijd ervoor zorgt dat een minimum aan nodigs de niet‑bezitters bereikt.
Wij leven in zo'n staat en we zitten er tegen aan te kijken alsof het ons ook met z'n allen overkomt.

Aan de basis van het geheel ligt de aanvaarding door het kind van de suggestie dat het is wat de mensen in zijn omgeving het vinden. Of het kind aan die suggestie kan ontkomen, weet ik niet. Zodra, zolang en inzoverre de opvoeders het kind suggereren dat het is wat zij het vinden en dat het zonder dat het hun zin doet niet positief te waarderen is, verwordt het kind van een zelf levend individu tot een door anderen van buitenaf bestuurde persoon. De vorm van de bevelen via dewelke het door anderen bestuurbaar is, kan van kind tot kind en van verzame­ling opvoeders tot verzameling opvoeders verschillen.
Er is een zeker gemak in gelegen dat personen via confectie‑aangrij­pingspunten bestuurd kunnen worden. Zoals het ook gemakkelijk is dat een paard niet slechts door n persoon bereden kan worden en gebruikt voor alles waarvoor men een paard gewoon­lijk gebruikt.
Er is een normerend, normatief gebruik van de term 'opvoeden', dat het bovenstaande africhten voor persoonlijkheidsvorming niet toestaat. Er moet volgens die normering een verschil aangebracht worden tussen het africhten, zoals men dat bij een paard of een hond doet enerzijds en het opvoeden (individueren en persoonlijkheid vormen ) van mensen anderzijds. Het is de bedoeling van die normen stellende mensen dat de kinderen uitgroeien tot individuen die weliswaar thuis zijn tussen die tijdgenoten waartussen zij toevallig geboren zijn, maar niet het bezit of de dienaren van die tijdgenoten zijn en niet "ontworteld" zullen zijn wanneer ze elders terecht komen, tussen anderen. Waar het bij die mensen om gaat is dat ieder mens leeft als individu, dat wil zeggen : op eigen initiatief, zich van conceptie tot dood opvattend als hetzelfde individu, dat op eigen initiatief het avontuur dat leven heet beleeft. Zo'n individueel ZIJN schijnt zelden voor te komen. Het schijnt, van blijken durf ik hier niet te spreken. Men kan stellen dat PUBLICEREN een PERSOONLIJKE BEZIGHEID is en GEEN INDIVIDUELE.
Waartoe zou een individu per slot van rekening publiceren? Waartoe wordt er gepubliceerd? Men kan stellen: een persoon publiceert om medestanders en tegenstanders aan te spreken over een zaak, een streven, dat geen individueel streven is en niet binnen de macht van het individu in kwestie ligt. Waarschijnlijk geldt deze stelling zelfs al voor het gewone spreken, dat we nog geen publiceren noemen. Zo heb ik bij kinderen waargenomen dat huilen naar aanleiding van pijn door een val wordt begonnen wanneer ze binnen hoorbereik van de moeder zijn, het huilen is een mededeling, een bericht, niet zozeer een uiting. Zou Robinson Crusoe op zijn eiland enige reden vinden om te huilen als hij zich bezeerde ? Dat is de vraag : hoeveel expressie is van na­ture?
Wie zich als individu beleeft, kan zich beperken tot hetgeen hij van nature nodig heeft. Dat is al met al nog heel wat hoor en er zijn veel schaarse goederen bij, zoals schoon water om te baden en te zwemmen en te drinken, er moet dus nogal een beekje water langs stromen. Schone lucht is nodig en rust en slaapplaats en beschutting tegen afkoelen en verwarmen en zo voorts.
Het individu is niet per definitie in concurrentiestrijd om het verkrijgen van al dit nodige gewikkeld met zijn tijdgenoten/­soortgenoten. Bijna integendeel, men kan als individuen zeer veel gemak van elkaars aanwezigheid en tijdelijke hulp hebben. Bij verwondingen en tijdelijke door ziekte veroorzaak­te verminderd beschikbaar hebben van energie en aandacht en vaardigheden, kan men door anderen gered worden doordat ze je als individu door die moeilijke tijd heen helpen.
Geperverteerd, ten kwade gericht is slechts het besteden van deze zorg en hulp aan diegenen die niet weer op de been zullen komen. Deze pervertering is wel begrijpelijk, als reactie op de kunstma­tige invalidering en buitenstaatstelling van de individuen om in hun eigen onderhoud te voorzien door de heersers, die hen knecht­ten, een reactie die met het christendom onder andere gepaard is gegaan.

Als individu zie ik mijzelf en andere mensen niet als waardevol­ler dan enig ander exemplaar van enige andere levensvorm, hetzij dier of plant. Ik ben niet meer waard dan een zeemeeuw of een panda of een ui. Deze stelling komt niet neer op zelf­vernedering en ook niet op verheerlijking van andere schepse­len. Vernederen en verheerlijken zijn bezigheden in de civili­satie, niet in de natuur, de natuur waarin ik als individu ben dus spreek. De constatering van de afwezigheid van enig ver­schil in waarde is een opmerking van iemand die spreekt na in de civilisatie geweest te zijn. In wie niet door de civilisa­tie ten Oosten van Eden leerde daaraan te denken, betekent dat hele woord 'waarde' hele­maal niets. In de natuur wordt er niet vergeleken. De opmerking over de relatieve, in dit geval absoluut gelijke waarde van enig mens, enig dier, enige plant, is een bericht aan degenen die nog ten Oosten van Eden zijn. Het is een educatieve, uitleidende, de exodus, de uittocht betreffende opmerking. Deze opmerking kan richting geven bij die uittocht uit de slavernij, de functie en uit het land en de 'maagschap', de familie, de stam, de cultuur, de permanente emotionele bindingen. Er is geen terug uit de cultuur en uit de civilisatie naar het pre‑reflexieve paradijs, de natuur waarin alles vanzelfspreekt en waarin de mens paste.
Er is wel een verder dan de cultuur en dan de civilisatie. De uitdrukking "stadslucht maakt vrij" was een uiting van de erva­ring dat de civilisatie bindingen van de cultuur kan slaken, de een geperverteerde ruil waren geworden. Aan gene zijde van de intussen tot invaliderend parasiteren verworden civilisatie ligt "een beter land", geen Utopie, geen "mooi nergens" dus, maar de hemel op aarde, die kan bestaan. Wel niemand zal nog ontkennen dat de hel op aarde bestaat. Vanwaar zou men kunnen ontkennen, a priori, dat de hemel op aarde kan bestaan ?Hebben wij de hel op aarde zelf gemaakt ? Of deed de duivel, de boze dat ? Dezelfde vragen voor de hemel op aarde, maar dan met God. Zijn de duivel en god niet IETSen, die uit ons eigen doen en laten voortkomen, door spontane summatie en door bewuste bundeling van alle tijd, aandacht, energie en vaardigheden die wij besteden en de gevolgen daarvan ? Bestaan hemel en hel op aarde niet uit de (gevolgen van) onze gelijktijdige (dat is ongelijk aan gezamenlijke) daden?

Het tekent zich af in wat ik in de computer schrijf, dat ik niet zozeer wil vertellen hoe de maatschappij (de wereld der mensen) in elkaar zit en werkt, als wel : dat ik wel wijzen op de plaats van de maatschappij ten opzichte van:
‑natuur, paradijs,(Eden)
‑cultuur, hemel,
‑civilisatie hel

‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑ ‑‑‑‑‑‑­‑‑‑‑‑ |paradijs | ‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑ hemel |Eden ____ ‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑ |_____|___| | civilisatie | | ‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑ |natuur | ‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑ ‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑ cultuur ‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑ hel ‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑‑

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *