Van taalbederf tot sociale identiteit

Categorieën: Onder de loep Jaap's teksten

Trefwoorden:

door Jan | 1 reactie

Jan Schot, 27 januari 2023

Een eerdere bespreking "Een verdoezelwoordenboek op de snijtafel" eindigde met de woorden wordt vervolgd. Dit artikel is dat vervolg. Het is niet per se noodzakelijk om voorgaande bespreking te kennen om dit artikel te lezen. Temeer daar het einde van de eerdere bespreking hier, in enigszins gewijzigde vorm, het begin is.

Verdoezelen en andere vormen van taalbederf
Ik beschouw verdoezelen als een vorm van taalbederf, een term die vaak in verband gebracht wordt met één van mijn favoriete schrijvers, George Orwell (1903-1950). Als het gaat om aangeven wat taalbederf is, hoe verfoeilijk het is, waarom het "te vuur en te zwaard" bestreden zou moeten worden, dan is het volkomen terecht om Orwell te noemen. De essays in Why I write zijn zeer verhelderend als het gaat om de strijd tegen taalbederf. 1

Iedereen zou zijn romans 1984 en Animal Farm moeten lezen. Niet alleen om in te zien dat taal macht is, maar ook hoe belangrijk een – goed werkend – eigen geheugen is. Maar ook om te zien hoe propaganda werkt, en wat het gevaar is van het continu herschrijven van de geschiedenis.
De bewering "De actualiteit van vandaag, dat is: Orwell lezen" lijkt me niet al te gewaagd. Ik vermoed dat Michel Krielaars het wel met me eens is, getuige zijn column "Het neerleggen van een olifant" (NRC, 4 februari 2021).

Wat ik me nu – in het kader van verdoezelen – afvraag: wat is de link tussen Orwell's Nieuwspraak en

  • "hedendaagse newspeak",
  • "vaagspraak",
  • "kantoor- en managerstaal",
  • "andere functies van subtalen"

Hedendaagse newspeak

Op de website Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren staat een artikel van Frans Boenders, uit 1996. Hij was één van de sprekers op het congres "Als u begrijpt wat ik bedoel" 2 dat een jaar eerder gehouden werd.

"Hedendaagse newspeak; Het jargon van politici en intellectuelen" wordt ingeleid met de volgende samenvattende tekst: In Nederlandstalig België valt het, alles bij elkaar genomen, nogal mee met het taalbederf, vindt Frans Boenders. Alleen politici en intellectuelen maken er vaak een potje van. 3 Het gaat hun niet om het toegankelijk maken van complexe kennis, maar om het leggen van mistgordijnen.

Ik citeer 4 :

Nee, als er vandaag al sprake is van taalbederf, dan komt dat uit twee hoeken: die van de politiek en die van de intellectuelen - precies de klasse die complexe kennis toegankelijk zou moeten maken voor iedereen.

In zijn hallucinerende roman 1984 roept George Orwell het beeld op van een totalitaire staat waarvan de leiding zich enkel staande kan houden door middel van haar zelfbedacht jargon, de Newspeak. Wie zulk enkel voor zichzelf en andere ingewijden bestemd jargon ontwerpt, verkracht het wezen van de taal, die immers gericht is op communicatie. Een gesloten taal is een gevangenis waarin de betekenis van de echte woorden verstikt en van waaruit de vrije informatiestroom niet kan ontsnappen. Zulk jargon negeert de vrije discussie en bedreigt de democratie.

We moeten ons realiseren dat zulk taalmisbruik onze politieke vrijheid ondermijnt en ons de gevaarlijke illusie bezorgt dat we dénken politiek te denken.

Taalbederf wordt ook hier genoemd als een term die gemunt is door Orwell. Zoals aangegeven, noemt Boenders twee groepen die zich daaraan schuldig maken. Naast de politici zijn dat de intellectuelen. Hij vervolgt met een voorbeeld waar inderdaad geen touw aan vast te knopen is. Boenders' verzuchting daarna, lijkt me dan ook volkomen terecht.

Intellectuelen - de traditionele hoeders van wetenschap en kunst - maken nauwelijks een betere beurt. Een kort citaat uit een boekje dat Erik Oger, hoogleraar in de filosofie in Antwerpen, gewijd heeft aan de Franse wijsgeer Jacques Derrida illustreert pakkend wat ik bedoel:

‘In een deconstructieve benadering anderzijds zal men erop wijzen dat het kunstwerk het supplement van het kader nodig heeft opdat het werkelijk kunstwerk zou kunnen zijn. Daar het supplement de functie heeft van te suppleren, moet het werk zelf al een zeker “tekort” in zich dragen. Wanneer het supplement “iets” moet toevoegen of aanvullen bij datgene wat er reeds is - bij het “oorspronkelijke” dus - dan is dit slechts mogelijk doordat het in zich al gebrekkig, onvolledig, onvoldoende, onvolkomen, lacunair was. Men moet toch slechts een supplement bij zijn treinabonnement betalen omdat het abonnement zonder supplement niet vol staat om de trein te nemen. Men voegt toch slechts een supplement aan zijn encyclopedie toe omdat er informatie aan ontbreekt. Het is toch slechts omdat men nog steeds een “creux” voelt, dat men na het hoofdgerecht een nagerecht wil, dat wil zeggen een “parergon”, wat het Griekse woord is voor “hors-d'oeuvre”. Op dezelfde wijze is de omlijsting een supplement.’

Tja, wat moeten we met zulke nietszeggende newspeak, waarin men goochelt met termen als deconstructie, en waarin ook woorden kunnen opduiken als fallocratie, praxis en subsidiariteit? Weg ermee, want wie zulke woorden gebruikt, dondert het échte kritische denken de vrije ruimte in, ijlings op weg naar nergens - om een Vlaamse schrijver te citeren. De uitleggers in politiek, wetenschap en kunst hebben er alle belang bij om mistgordijnen te leggen, omdat ze macht willen veroveren. Ze streven niet naar waarheid of het ontmaskeren van leugens, maar naar macht. Hun taaltje, geboren uit de frustratie geen deel te hebben aan de macht, geeft zulke ‘intellectuelen’ toegang tot een selecte club van hedendaagse sjamanen, animisten en bezweerders - ongeacht of ze Joseph Beuys, Jean Baudrillard of Jacques Derrida heten of vereren.

Duistere taal in de filosofie
Hoezeer ik het ook, met de bestudering van Derrida's Marges van de filosofie, heel serieus geprobeerd heb, ik moet eerlijk toegeven eveneens grote moeite te hebben met zijn taalgebruik. Mijn ongemak heeft echter wel geresulteerd in een grote interesse in de semiotische werken van Umberto Eco, zoals De grenzen van de interpretatie en Kant en het vogelbekdier. Zo zie je maar weer, "Elk nadeel heb se voordeel".
Overigens zijn er nogal wat filosofen, die behept zijn met een dermate duister taalgebruik, dat het – in ieder geval, mij – niet uitnodigt hen te lezen. In die zin hecht ik nog immer aan de strenge uitspraak van Wittgenstein in het voorwoord van zijn "Tractatus Logico-Philosophicus":

"Wat gezegd kan worden, kan duidelijk worden gezegd"

Met hun duister taalgebruik verdoezelen filosofen dus ook. Echt niet alleen Derrida. Zo vond Arthur Schopenhauer dat het gezwets van Georg Wilhelm Friedrich Hegel in een krankzinnigengesticht thuishoorde. Ik geloof niet dat het enkel kinnesinne was. Na Schopenhauer lieten ook Søren Kierkegaard en Karl Popper zich weinig lovend uit over Hegel.
Andere notoire voorbeelden worden genoemd in Over zin en onzin in filosofie, religie en wetenschap van Frits Staal, meer specifiek in het essay Zinloze en zinvolle filosofie uit 1967. Van de filosofen waarbij toch minimaal ernstige vraagtekens worden gezet, noem ik Edmund Husserl, Martin Heidegger, Karl Jaspers, Hans-Georg Gadamer, Jean-Paul Sartre en opnieuw... Hegel. Omdat het mij, hier en nu, in deze bespreking vooral gaat om het gebruik van heldere taal, citeer ik tot slot het laatste stukje tekst van deel 3 (Analytische filosofie) van Staal's essay:

Voorzichtigheid en zorgvuldig onderzoek zijn daarom geboden. Slordig taalgebruik is verwarrend, suggestief taalgebruik is verleidelijk, woorden en zinnen zijn vallen waar men in kan lopen en over het algemeen loopt. Helderheid is daarom niet een voldoende, maar wel een noodzakelijke voorwaarde voor filosofische werkzaamheid. Pas wanneer een zekere mate van helderheid is bereikt, kan men bepalen of het mogelijk is verder te gaan. Wie die helderheid niet nastreeft, draagt misschien bij tot de kleurrijkheid van de cultuur, maar niet tot de filosofie.

Vaagspraak

De term vaagspraak kwam ik tegen in een heerlijk ironisch artikel van Sjoukje Kastelein uit 2010, dat was verluchtigd met onderstaand plaatje.

Uit "Slagen maken, infocussen, vrijmibo’s en bilaatjes; Het effect van gebakken lucht" citeer ik:

We kennen het allemaal, en in momenten van zwakte betrappen we zelfs onszelf erop; het irritante gebruik van abstracte uitdrukkingen 5 , Engelse woorden en beeldspraak waar dat helemaal niet nodig is. Het is een besmettelijk verschijnsel dat zich gelukkig alleen voordoet op kantoor en in de politiek.

Je zou willen dat vaagspraak "zich gelukkig alleen voordoet op kantoor en in de politiek", maar ik vrees dat dat een onderschatting is van de besmettingsgraad. Zo kan het eerder vermelde duistere taalgebruik bij sommige – gelukkig, niet alle – filosofen ook gerust vaagspraak genoemd worden.

Het mooie van de term vaagspraak is nu juist dat het – hoe paradoxaal! – precies omschrijft wat er gebeurt. En het mooie van tekst die in het vage blijft hangen, is dat degene die zo'n tekst heeft gebezigd er later niet op vastgepind kan worden. Als dat geen El Dorado voor politieke dieren is!
Bij filosofen begrijp ik al veel minder van het inbouwen van zo'n "ontsnappingsclausule". Dat komt omdat het in mijn perceptie bij de filosofie, in tegenstelling tot de politiek, gaat om een – bij voorkeur, gezamenlijke – zoektocht naar de waarheid. Anders gezegd, het draait om het onderscheid tussen de discussie – of, het debat – tegen elkaar enerzijds en het gesprek met elkaar anderzijds.

Even terug naar de realiteit; het gebruik van vage taal, metaforen en imponeerengels werkt in veel gevallen (echt, niet alleen op de lachspieren). Je kunt het bewust gebruiken, bijvoorbeeld als je iets te verbergen hebt, mensen moet overhalen of iets wilt verkopen. Een manager zegt nooit: ik heb gefaald. Nee: ‘In termen van output is een discrepantie waar te nemen tussen voorgenomen productieaantallen en omzet enerzijds en boekhoudkundige realisatiecijfers anderzijds’. En Rutte zal liever ‘vragen om een stukje flexibiliteit van de mensen in het land’ dan dat hij gewoon gaat bezuinigen. Een kwestie van tactiek dus.

Het bewuste gebruik van vage taal "als je iets te verbergen hebt", brengt mij tot de conclusie dat ook vaagspraak een vorm van verdoezelen is.

Maar veel vaker wordt opblaastaal (ook bekend als vaagspraak, kantoorlingo 6 , managementspeak of gebakkenluchtjargon) in de mond genomen zonder dat de vaagspreker zelf weet waarom.

Dat de vaagprater zelf niet weet waarom hij meedoet met het bezigen van opblaastaal, verbaast me niets. Het gebrek aan zelfkritisch vermogen lijkt sowieso typerend voor meepraters. 7  Verder geven mensen vaak toe aan de neiging tot conformeren, om er vooral maar "bij te horen".

Tot slot merk ik op dat het, door schrijfster "haar favoriete boekje over dit fenomeen" genoemde, boekje (Eric Tiggeler en Mieke Vuijk – De zwarte woordenlijst; Lexicon van modern taalmisbruik) inderdaad een aanrader is.

Kantoor- en managerstaal

Kantoorjargon
Japke-d. Bouma schrijft inmiddels al weer jaren wekelijkse columns over hoe te overleven in de kantoorjungle, wat de ergste jeukwoorden zijn uit de managerstaal die welig tiert op de werkvloer. Nu is dat soort taal irritant besmettelijk, ook buiten kantoor. Rutte is een typisch voorbeeld van iemand die managerstaal uitslaat. Maar ja, hij doet dan ook al jarenlang alsof hij de filiaalmanager is van bv Nederland. 8

Enkele opmerkingen over jeukwoorden
In De taal van de onderstromen 9 kraakt Eric Koenen een kritische noot over jeukwoorden.

Het zijn woorden die columniste Japke-d. Bouma wil verbannen – ze belast nieuwe woorden die in organisaties gebruikt worden met het stigma 'jeukwoord'. Dat is gemakkelijk, grappig en het past in een tijd waarin we via social media soms iets te snel beschimpen en veroordelen. Ze legt zeker een vinger op een gevoelige plek, maar heeft het zin om de nieuwkomers in taal en context zo snel tot ongewenst vreemdeling te verklaren? De belangrijkste vraag blijft: wat is de diepere reden voor het gebruik van verhullende woorden? Wellicht proberen ze iets dat ontluikt te vangen. Organisaties zijn complexe systemen, waarin krachten, weliswaar geluidloos, woeden als orkanen. Ontluikende taal moet niet worden onderdrukt maar uitgenodigd en onderzocht. De jeukwoorden ontstaan in het gebied van het ongemak.

Enige nuancering is vaak verhelderend, maar het gebruik van termen als woorden willen verbannen, het stigma 'jeukwoord' en tot ongewenst vreemdeling verklaren lijkt wel erg zwaar op de hand. Wat blijft bijvoorbeeld over van het geopperde stigma als de term jeukwoord door Bouma ironisch bedoeld is?
Waarom kennelijk verhullende woorden gebruikt moeten worden, blijft inderdaad de belangrijkste vraag. Enige bedenkingen tegen de term jeukwoord kan ik me wel voorstellen, maar sommige woorden die in de hedendaagse kantoorjungle gebruikt worden, maken toch echt dat je vingers gaan jeuken. Het voorbeeld bij uitstek vind ik aanvliegen, waarbij expliciet niet wordt aangegeven dat een probleem wordt aangepakt en bij mij haast onwillekeurig de gedachte opkomt: "Ik zal jou eens aanvliegen".

Gespeelde boosheid
Als je, zoals ik, op een kantoor hebt gewerkt, weet je dat het geen kunst was om te constateren dat iedereen raar ging praten, de managers voorop. Ik uitte dan al snel het vermoeden dat ze kort daarvoor een heisessie of iets dergelijks hadden beleefd. Hoewel ik ook wel wist dat het kansloos was, kon ik het niet nalaten bij tijd en wijle op te roepen tot normaal praten, weg te blijven van "uitdagingen", "aanvliegen" en "stippen op de horizon".
Het is niet vreemd dat ik altijd weer veel plezier beleef aan de stukken van Bouma, niet alleen vanwege de herkenbaarheid toentertijd. Nog steeds vind ik het prachtig om te zien hoe iemand zich op papier ergens over opwindt. Als schrijver is het zeer herkenbaar om je ergens boos over te maken, maar ik ervaar die boosheid vooral als een soort stijlfiguur. Jezelf eens lekker boos maken op papier is geen echte boosheid, het is "doen alsof".

Andere functies van subtalen

In het voorafgaande is allerlei taal de revue gepasseerd die in meer of mindere mate verdoezelen als functie lijken te hebben. Er zijn evenwel ook subtalen die een ander doel dienen. De vraag is dan waar nog gesproken kan worden van taal die verdoezelt, en waar van (sub)talen voor hen die

  • enorme haast hebben, of
  • anderen willen weren uit de eigen groep?

We leven in het tijdperk van “Vrouw Holle”
Recentelijk schreef Marijke Vos het artikel “Haast speelt jonge lezers parten” (NRC, 8 mei 2021) over een typisch hedendaags soort “afko-taal” 10 , dat met name de jeugd hanteert. Alles moet namelijk snel-snel-snel in deze, steeds rapper, accelererende cultuur. Als antidotum daartegen raad ik graag boeken van Svend Brinkmann aan, zoals “Standvastig” en ‘The Joy Of Missing Out’.

Uiteraard zal dat advies in de wind worden geslagen. Net zoals ik proefde uit genoemd artikel, lijkt er sprake van een generatieconflict, waarbij ik ook nog eens een generatie verder verwijderd ben van "de jeugd van tegenwoordig". Daar komt nog bij dat “lezen snel en doeltreffend moet”, aldus Charlotte Remarque die in bovengenoemd artikel wordt aangehaald. Sterker nog, “Met lezen van fictie verspil je je tijd”.

Hoe dan ook, afkortingen als “tldr” 11 of “wbj” zijn niets anders dan een soort superturbo. Bij “Turbotaal”, de voorloper van de sms-taal, waren de afko’s nog uitspreekbaar (Aso, Brabo, Deca, Lesbo, Mayo enzovoort), maar dat is klaarblijkelijk ook al nergens meer goed voor. Al die jachtige gehaastheid die uit dit soort internettaal spreekt, leidt als vanzelf tot slordig taalgebruik. Het lijkt me dermate oppervlakkig dat het niet eens – laat staan, opzettelijk – taalmisbruik genoemd kan worden.

Sociale identiteit en taal
In juli 1987 was ik één van de deelnemers aan de Social Identity Conference, die gehouden werd aan de Universiteit van Exeter. Hoewel ik zelf daar ook een paper presenteerde 12 , herinner ik me vooral de presentatie van Howard Giles over “sociale identiteit en taal”. In zijn paper kwam duidelijk naar voren dat een bepaalde ingroup een eigen taaltje – een subtaal – gebruikt om de grenzen van de “eigen groep” af te bakenen. Natuurlijk kun je als buitenstaander – lid van een outgroup – wel proberen je de taal van die andere groep eigen te maken. Maar je zult stuiten op het verschijnsel dat die subtaal zich blijft ontwikkelen, waardoor je als outgroup-lid altijd net iets achterop ligt. Of, zoals Giles dat zo fraai in het Engels zei:

'you’re always one step behind'

Hoe dan ook, we zien hier dat een subtaal niet per se dient om iets te verhullen. Hier fungeert de subtaal om de eigenheid van de ingroup te behouden, om zodoende dat stuk van de eigen sociale identiteit te "beschermen".
Doet het bargoens – ouderwetse term voor dieventaal – niet iets soortgelijks? Ook daar lijkt het uitdrukkelijk niet de bedoeling dat zomaar een buitenstaander de besloten eigen club binnendringt. Is dat bij straattaal niet net zo?

1) Met name het titelessay Why I write en Politics and the English Language. In de bundel "Tegen totalitarisme; essays over politiek en literatuur" (2021) is laatstgenoemde essay vertaald door Thomas Heij.
Waar Orwell zich in "Politiek en de Engelse taal" ernstige zorgen maakte over zijn taal, uit ik hier mijn zorgen over onze taal.
2) De waarde voor de Nederlandse taal van de Bommel-verhalen van Marten Toonder, kan niet voldoende worden benadrukt. Naast schitterende verhalen als Het monster Trotteldrom, De bovenbazen, De sloven en De hachjes, zijn vele woorden en uitdrukkingen uit die verhalen inmiddels volkomen ingeburgerd. Bijvoorbeeld, "Een eenvoudige, doch voedzame maaltijd".
3) Wat heet "meevallen" als het gaat om taalbederf? De kritiek op politici en intellectuelen lijkt me terecht, maar waren dat toentertijd echt de enige twee groepen die zich aan taalbederf bezondigden? Waren er toen geen managers? Of spraken die toen nog "gewone mensen"-taal?
4) In dit artikel citeer ik heel wat af. Peter Bakema spreekt in zijn recensie over "De essays" van Michel de Montaigne van citeerwellust. Niet alleen een mooi gevonden neologisme, maar bij tijd en wijle geef ik me ook graag over aan diezelfde wellust.
5) Persoonlijk blijf ik me erover verbazen hoezeer hele volksstammen "communiceren met containerbegrippen". Je maakt mij niet wijs dat het onderwerp van een gesprek – respectievelijk, discussie – dan afdoende afgebakend en helder is voor beide partners – respectievelijk, opponenten. Enkele voorbeelden van containerbegrippen zijn: vrijdenken, atheïsme, humanisme, de mens, de maatschappij, de beschaving, het systeem.
6) Betekent dit feitelijk dat het volgende stukje tekst, over managerstaal, ondergebracht kan worden onder vaagspraak? Sowieso lijken de grenzen niet overduidelijk.
7) Jaap werd in zijn schrijfsels niet moe te fulmineren tegen vormen van praten, zonder dat sprekers zich bewust zijn van wat ze eigenlijk doen. In "Geciviliseerden zijn gevangenen met vrijheden" staat bijvoorbeeld:

Niet zelden is de spreker daar ook niet van op de hoogte geraakt.
Napraten, meepraten en ‘doorpraten zonder iets te melden te hebben’, zouden,
als ze zeer gingen doen, de mensheid in helse pijnen doen kronkelen.
(Gut, wat een mooi beeld.)

8) Zie ook Japke-d. Bouma's "De bv Nederland is allang failliet" (NRC, 14 juni 2018)
9) Hoofdstuk uit het boek "Taalkracht; Andere woorden, andere werelden", onder redactie van Christien Brinkgreve, Eric Koenen en Sanne Bloemink.
10) Afko is, zoals wordt uitgelegd in het – inmiddels ongetwijfeld zwaar verouderde – boekje “Turbo-taal; Van socio-babble tot yuppie-speak” (Jan Kuitenbrouwer, 1987) de afkorting voor afkorting. Een soort afkorting in het kwadraat dus.
11) 'Too long; didn't read'.
Ik maak me geen enkele illusie, de meeste van mijn – maar ook van Jaap's – teksten zullen dit lot beschoren zijn.
12) Rabbie, J.M., Schot, J.C. & Visser, L. (1987). lnstrumental intra-group co-operation and intergroup competition in the minimal group paradigm. Paper presented at the Social Identity Conference, University of Exeter, Exeter, Great Britain, July 16-18, 1987.

1 Reactie

  1. Rineke Hofman

    dat is heel veel schrijven over verdoezelen…..mij blijft het meest bij dat politici en wetenschappers de grootste boosdoeners zijn…
    en ik denk zeker ook na over het door mij verdoezelende praten om de ander in zijn waan te laten. Goed of niet goed?

    Antwoorden

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *