Jaap Schot, 26 januari 2007
- Kijk, als ik bij alles wat mij invalt ook het reflecteren ga uitschrijven, wordt het allemaal flink langer.
- Met een aparte kleur voor de reflectie en nog weer een aparte kleur voor de reflectie op de reflectie, is het wél duidelijk te houden.
- Het is de fout van mensen die schrijver zijn (resp. willen zijn) dat ze het verhaal of de verhalen als bedoeld eindproduct zien. Het is het verkoopbare, het ‘als een boek’ verkoopbare. Maar ‘als een cursus’ is verkoopbaar: dat wat je onder woorden kunt brengen over de concrete conceptie en uitgroei van die tekst (die verhalen, dat boek).
- Schrijfles is leesles.
- Technisch lezen is: met ons geestesoor, via onze ogen, hóren wat daar staat. ‘Horen’ (ná dat met onze oren, dat met onze letters/ schrift ziende ogen, dat met braille tastende vingers) is één en hetzelfde, ervaren we precies op dezelfde manier, in onze hersens. We kunnen het zó goed, dat we er niet meer op letten, (= dat we er over heen leven’).
- Nadat we technisch hebben leren lezen, leren we op school in de literatuurles en op catechisatie de bijbel verkeerd lezen. Rare lieden, deze leraren.
- Andere leraren, gewone leraren, gaan ons met het in de tekst besproken onderwerp in contact brengen, onze aandacht er op richten, ons er ervaring mee op laten doen, maar net wat er mogelijk is.
- Als het goed is, doen leraren heel wat aan openlijk reflecteren, wat neerkomt op het de leerlingen laten zien wat er daar in de les gedaan wordt. Ook moet duidelijk zijn waartoe dit vak en deze lessen gegeven worden: omdat de wetgever het beveelt, waarmee onmiddellijk de vraag komt waarom die dat doet en of en waarom wij, leraar en leerlingen aan het gehoorzamen zijn of dat wij als vrije mensen de gelegenheid die de wetgever schiep consumeren voor onze eigen entelechie. [Moet er ook weer uitgelegd worden wat dát is.] Ons onderwijs moet geen Veerdonckeren worden!
Waarom niet? Omdat als je je kinderen als slaven behandelt (upgrading the workforce), je zelf een slavenhouder bent. Als je, in plaats van een uittocht, een carrière voor je kind (je volk) plant, ben je anders bezig dan Mozes. “Nou èn?”, kan iemand zich nu best vragen. Inderdaad: het is een keuze: ‘ván de wereld’ = carrière of slechts ‘ín de wereld’ zijn. Kies nu heden wien gij dienen zult: God of de Mammon (het geld, de carrière, het meespelen, het zich in de rangen ergens plaatsen). God dienen is maatschappelijk irrelevant zijn. Vreemdeling en bijwoner zijn.
De apostelen lieten de keuze aan de toehoorders. Tot grote irritatie van de bezetters (de Romeinen, duizendjarig rijk onder een reeks Hitlers en Stalins, waarover tot op de huidige dag lovend wordt gesproken) kozen velen voor God. Hoogst irritant, want de keizer verloor er zijn macht niet door, maar kreeg van deze godsdienstigen geen gezag toegekend. Erkennen van macht ≠ toekennen van gezag. Er is niets terechts aan het recht. Het is niet verstandig je aan te melden, te etaleren, als aanhanger van zo’n gezag ondermijnende (subversieve) sekte. Pilatus had dan nog wel geen schuld gevonden in Jezus, maar de subversieve kracht (werking) van de waarheidsvinding en verwoording, was na drie eeuwen de keizer wél duidelijk geworden. Ware het anders, dan was er geen roomse kerk gekomen. En áls een keizer al één god achter zich had willen laten plaatsen, om de ‘spelen’ (het vermoorden van wilde dieren en gladiatoren en gevangenen) te laten ophouden (waarom zóu hij dat willen?), dan had hij, bij vrije keuze zéker niet déze genomen. Met deze god van de joden en deze Jezus, was écht geen staat, geen rechtsongelijkheid tussen de mensen, geen bevoorrechtingssysteem, logisch in elkaar te knutselen. Van het eerste begin af aan, kraakte elke roomse volzin in zijn voegen. Je moet een enorme hoeveelheid bagger verzinnen om Jezus’ woorden: ‘Mijn rijk is niet van deze wereld’ te handhaven, tot heilige schrift te verklaren zelfs, en dan God vierkant achter de keizer te laten plaatsnemen, eerbied (uitgelegd als gezagstoekenning, niet alleen als paraat staan met vlaggetje, hoedje en toeter) voor de overheid eisend.
En hier ben ik weer terug bij het onderwijs dat ik genoot:
In plaats van zoals de andere leraren, die ons met het in de tekst besproken onderwerp in aanraking gaan brengen, gaan de leraren ‘literatuur’ en de godsdienstleraren (catechismuslesgevers) ons resp. met vorm en stijl en met genoemde bagger (‘theologie’ genoemd) bezighouden.
Kunnen wij literatuuronderwijs aan slechts lézers (consumenten) ervan ‘Veerdonckeren’ noemen. Is het niet veel eerder heerlijk (in de oorspronkelijke betekenis: van en voor heren, mensengebruikers, déze als gedrag kenmerkend, tot uitsteken boven de massa gebruikten brengend), dat lezen? Is de schrijver niet de dienaar, die op schrift voor troubadour speelt? Ja hoor, zo is het. Maar hoe dan literatuurconsumptieonderwijs (lessen literatuur consumeren) tussen het veerdonckeren?
Het antwoord ligt voor de hand voor wie de vraag werkelijk heeft. ‘Werkelijk’ in tegenstelling tot retorisch, of nog erger: voor een dictee of voor zinsontleding gevormd. Of als onderwerp voor de leerlingen om er een opstel over te schrijven, dat dan niet op inhoud, maar op stijl en grammatica wordt gecorrigeerd en beoordeeld.
Het past allemaal, als dragende muurtjes, in het vigerende systeem van binnensoortelijk parasiteren (txaenzvampirisme). Dat systeem gebruikt de consument. De consument, die immers middenklassefiguur is (iemand dus die in het ‘vrije’ deel van zijn tijd heerlijk aan het consumeren, en in dat andere deel van zijn tijd voor geld aan het dienen is). Het de consument – werknemer van morgen aanleren ‘heerlijk’ te consumeren is puur veerdonckeren. De slaven leren manieren aan om dat wat ze zouden kunnen gebruiken om zich te bevrijden (hun txaenz en hun geld) te verdoen aan ‘heertje spelen’ aan ‘heerlijks consumeren’. Niet de slavenhouders dienen nu deze heerlijk consumerende slaven (die vooral in zelfbezit, zelfeigendom gaat te ver, moeten zijn, opdat de slavenhouders geen slavenhouders, maar geheel niets doende parasieten zouden kunnen zijn, ja zelfs hun bestaan als zodanig, als slavenhouders, parasieten, vampiers kunnen ontkennen). Nee, deze slaven met een heerlijk leven, dienen elkaar en er worden juichende boeken geschreven over dit systeem (Heinsohn bijvoorbeeld prijst wat weg in zijn ‘Söhne und Weltmacht’).
Kijk, zoals boven, zó valt het me in.
Het is heel goed voor míj gebleken om nu al zo’n jaar of 40 zo ‘wat me invalt’ uit te schrijven. Aanvankelijk waren het brieven aan een vriend, brieven die ik na enige tijd niet meer opstuurde, omdat ze niet op hém, tot hem, gericht waren, er niet waren om gelezen te worden, maar om geschreven te hebben. Het schrijven is het doel, niet het geschrift. Het schrijven zoals ik dat doe, zonder te oordelen, is een vorm van functioneren, zoals ademhalen en spijsverteren dat ook zijn. Die ga je ook niet keuren. Niet zolang je geen last hebt.
Wacht met publiceren niet op de juiste (verkoopbare) vorm, let niet op de vorm. Wacht tot je iets neergeschreven hebt dat waar is. Als dat er stáát, onverhuld, niet mis te verstaan, dan is het iets om te publiceren. Dan is de vorm de vorm die deze ware uitspraak heeft. Soms is de vorm een verhaal dat de relaties bevat, die je niet kunt benoemen, die met geen woord in de anderen (de taalgenoten) op te roepen zijn. ‘Animal Farm’ van Orwell is een schoolvoorbeeld. Dat gáát niet over pratende huisdieren. Dat gaat over het mislukken van revoluties door het nu eenmaal niet als vrije mensen (dieren) gaan LEVEN van de door de revolutie bevrijde geciviliseerden (en in het verhaal: huisdieren). Na de Franse revolutie en na de Russische revolutie beide gebeurde dit, dit uitblijven van ZELF GAAN LEVEN.
Mensen zijn dieren en dieren zijn “lui”, zoals de slavenhouders de verzadigbaarheid van slaven noemen. Verzadigbaarheid, het stilvallen als de noodzaak voorbij is, dát is waar het binnensoortelijk parasiteren niet door gebroken, maar wel door beperkt (geremd, begrensd) wordt.
De armoede als durende toestand kwam bij de mensen doordat ze niet meer weg konden trekken uit de streek (het ecosysteem) waar ze woonden en die/dat nu hen niet meer kon ‘dragen’. Armoede is een gevolg van gevangenschap. Gevangen zit wie niet weg mag van hier én wie niet welkom is (weggehouden wordt) elders. De Engelsen spreken zelfs van ‘forbidding’ (klimaats)omstandigheden, om aan te duiden dat wie weg wíl uit een (bijvoorbeeld) verwoestijnende streek. Terwijl wíj in het Nederlands ‘verbieden’ toch sterk als een bezigheid van een machtige opvatten.
Vluchten, weggaan, is heel normaal gedrag voor dieren (dus voor mensen). Maar we zien dat er geen ‘Amerika’ meer is (zoals Brel zong). Er is geen ruimte waar je heen kunt gaan, om de armoe te verlaten.
Hoe zeg je dat nu literair (in een verhaal)? Wel, je maakt gewoon apocriefe hoofdstukken van ‘Robinson Crusoe’ en vertelt hoe Robinson en Vrijdag het eiland opdeelden, ieder een helft ervan voor zích claimden. Als ‘gevangen zitten’ voelde het ‘niet van zijn (stuk van het) eiland af kunnen’ nu ineens aan. Al was het deel van Vrijdag dát deel waar Robinson nooit heen ging, voor Vrijdags komst, er was nu ineens iets in de beleving veranderd. En zo voorts.
Of je nu opgesloten of buitengesloten bent, je bent gevangene. Die negers mogen weg uit Afrika, maar ze mogen niet Europa in. Ja, ze kunnen niet op zee wonen. Ze zitten dus gevangen. In dit geval in hun armoe.
Die armoe komt doordat ze niet voor elkaar, door te dienen voor geld, het nodige (1) en de MOTIVERENDE luxe (2) scheppen. Dit scheppen zou neerkomen op het gebruiken en verbruiken van wat nu al eigendom (= met bedreigen met wapengeweld tegen gebruik door die negers beschermd bezit) is van ‘ons’.
Heinsohn schrijft dat het noteren van het bezit de kern is, maar dat is onzin, een goed geheugen, en getuigen is ook o.k., het gaat enkel en alleen om doeltreffende (= die van de niet eigenaars overtreffende) wapens. Elke macht is overmacht. Gelijkheid van macht is gelijke machteloosheid. Machtsevenwicht is machteloosheid. De USA en de USSR konden militair niet vechten, dus moesten ze (= waren ze téchnisch gedwongen tot) economisch, in het geniep (spionage en zo) en via anderen vechten.
De politie moet altijd waken, tegen plunderen (diefstal, stropen, nemen zonder betalen en zonder tegenpresteren) door daartoe onbevoegden (niet genoteerd staand als eigenaar van aandelen en banktegoeden). Nemen zonder tegenpresteren is het ideaal van de ware ‘kapitalist’: coupons knippen. En dan op het land wonen en dan dichten: ‘hoe genoeglijk vliedt het leven des gerusten landmans henen’.
Het geven van ‘ontwikkelingshulp’ genoemde aansporingen tot dat ‘geld verdienend zelf gaan voorzien in wat de armoe opheft en de ongelijkheid brengt’ heeft niet geholpen. Het werd ook niet duidelijk uitgelegd.
Schaamte en politieke correctheid en geheimhouding en propagandataal voorkómen doel treffen. Die negers snappen het net zo min als de indianen vroeger (nu zijn er indianen die de goklust van de blanken exploiteren: juich, juich. Eindelijk. Een goede vervanging voor de wraak van Montesuma: het zich de kanker roken met sigaretten.
Als je schrijver wilt worden, moet je uitschrijven wat je invalt en dat alleen lettend op ‘of het waar is’ lezen, zoals je teksten van anderen leest (in die gevallen dat je naar het onderwerp van die ander bent gegaan en nu hem controleert).
Velen zijn afgericht geraakt als tegenwerper en standpuntinnemer. ‘Debatteren’ noemen ze dat. Een truc van het systeem: zet de mensen tegen elkaar óp, dan komen ze niet aan samen onderzoeken toe.
Het systeem is veel en veel intelligenter dan zijn ingezetenen/ gevangenen/ verdedigers/ gebruikers. Het is dezelfde ‘intelligentie’ die zo bewonderd wordt bij het zien van ‘de levende natuur’: hoe dat allemaal in elkaar past. Ja, het past vrijwel volmaakt, waar het onvolmaakt is, zijn de betrokkenen aan het creperen. Daar kíjk je als natuurgenieter en mysticus niet naar, je ziet het geheel en de bloei. De door ‘verdrongen worden’ verpieterde plantjes ónder de bloeiende rozenstruik, krijgen niet de aandacht. Dat is de hele truc.
Bronowski met zijn ‘the ascent of man’ is zo’n rozenkijker en struikroemer.
Het is niet waar dat ‘de mensheid’ een eenheid is, zoals een rozenstruik dat is, die wortelcellen heeft, die zonder licht volledig functioneren en dus gelukkig zijn.
Er ís niet zoiets als ‘society’ (die rozenstruik) zei Thatcher ooit.
Onze samenleving is meer een vuilstortplaats: een hoop composterend en brandend afval van het gebeuren dat we ‘de evolutie’ noemen.
Het gaat er bij schrijven alleen om dat er voor jou verstand (een ondubbelzinnige en volledige verwoording van door jou tijdens het schrijven gekende) waarheid staat.
Waars heeft altijd de juiste vorm. ‘Waars’, is van woorden gemaakt, waarheid niet.
Vormen zoals sonnetten zijn kinderspeelgoed. Oneigenlijk taalgebruik, zoals Lingo en Scrabble en klankdichten en spannende, boeiende, amuserende, erotiserende verhalen.
“Traditionally we don’t believe in higher education “ zei het sektelid (Mennonieten/ Hutterites) bij Dr. Phil.
Dát is nu juist de zwakte. Uit traditie geloven “wij” daar wel in. En dát is zwak. Ik kan wel uitleggen, zonder énig geloof, wat er juist is aan die tradities en wat niet. En dat moeten álle betrokkenen (zich) leren.
Een grondfout is het als gesloten systemen, oorspronkelijken, daders, i.p.v. als doorgankelijken, resp. via aangeleerds hun txaenz bestedenden.
De kreet van wie nog enig gevoel hebben bij hun kennen is: waarheid is het geneesmiddel. Nu is ‘fairtrade’ een reclamewoord van goedwillenden, maar in feite is het een woord met een ingebouwde contradictie. De hele religie van de wereld is niet langer dat een verlosser het elftal te hulp schiet en aan doelpunten helpt. Nee, de hele wereldreligie (= de sport) is: ieder (elftal) voor zich tegen andere elftallen (de competitie om de hegemonie, om de heersende kampioen te worden). Al dat vechten o, zo geregeld, maar: nergens een samenwerkingsspel te bekennen. Samenwerking vindt binnen het elftal plaats en nergens anders. Binnen de wereldreligie is er het nastreven van heldendom.
Buiten deze wereldreligie, de sport, is er het popsterrenwezen: die relatief weinigen die extreem aandacht trekken [bij vrouwen door zich vertonen (al of niet consumerend) en bij mannen vooral door lawaai (“muziek”) maken], dat in natuurfilms en dierentuinen ook van met hormonen vol zittende chimpansees te zien is.
De nationale staten zijn te vergelijken met geladen geweren, die op gebruikers liggen te wachten. De sport werkt als conserverende (= van het bestaan overtuigd houdende) verpakking voor die nationale staten: Nederland wint van Spanje ‘kopt’ dan de krant, en de gewone mensen weten over welke sport het gaat. Maar het gáát helemaal niet over (enige) sport (welke dan ook): het systeem bewaart de nationale staten, dat is wat er gebeurt.
Ze zeggen van een kind dat het competitief, ambitieus, hebberig, aanhankelijk of zo ís. Terwijl het hier aangeleerds betreft. En leren dóe je niet, het overkomt je, het gebeurt, zoals ademhalen je overkomt, gebeurt, een voorbeeld van jouw functioneren, niet een (manier van) doen is. ‘Wat je aanleerde’ liep je op, zoals je de mazelen oploopt of een andere besmettelijke ziekte. Het besmette kind, de besmette mens, hééft de besmettelijke ziekte: zo is dat tegenwoordig bij ons, vroeger wás je melaats, nu héb je lepra. Lepra dat genees je gewoon, dat reken je de patiënt niet aan. Onlangs nog hoorde ik een programma over vorsten in Spanje in 19zoveel. Een koningin door wie een ziek gen was overgedragen voelde zich schuldig. Dat mens had (die mensen hadden) het niet in de gaten dat ze gewoon gebeurden en dat het aanleren van die waan dat ze dader waren hen overkómen was. Die waan is de basis van de aanpassing door verwarring. De gezag toekennende, verwardheid, die doet gehoorzamen en van opstand weerhoudt, zónder intimidatie, met eerbied in plaats van angst. De verwardheid die (≈ het valse bewustzijn dat) door de priesters en juristen in de plaats gesteld werd van het openbaar mishandelen en doden om de macht van de bovenlaag te tonen. In de plaats dus van het in de ‘spelen’ intimideren, zoals dat in het Romeinse Rijk, vóór het tot staatsgodsdienst maken van het Christendom dagelijkse praktijk was.
Wat wél moest blijven was het gevoel van (bij / in) de gebruikten hun ongunstige, ja ongezonde positie verdiend te hebben, terecht te hebben. De gebruikten, dat zijn de erfgenamen van de verliezers (in mijn verhaaltje: de Weigeraars, let wel: erfgenaam ≠ afstammeling). Het hele verhaal van de roomse kerk is dat de maatschappelijke orde juist is, door God ingesteld, voor de mensen niet ter keuring.
Je txaenz is
- waar je bij ziekte (teveel om nog volledig te gebeuren als genencombinatie, entelechiestorend veel dus) van verliest,
- wat ze door veerdonckeren
- als product vergroten door aangijpen op diverse factoren
- op kwalitatieve door het aanleren van vaardigheden, waaronder herkenningsvaardigheden
- op kwantitatieve door gezondheidszorg, dat is: door het bestrijden van
- slijtage en
- andere txaenz-aftappers naast de a.s. eigenaren/ bazen/ werkgevers
- voor anderen grijpbaar maken,
- als product vergroten door aangijpen op diverse factoren
- wat je, tegen de propaganda in kunt beschrijven / opvatten als: door god gegeven aan jóu voor jouw, door Hem geschreven entelechie (= van de genencombinatie de natuurgegeven, ten diepste chemische eigenschappenverzameling ≈ wat de affiniteit is voor de atomen.
0 Reacties