Verdraagzaamheid eisen

Categorieën: 1990, 1 januari – 1994, 31 december | Archief

Trefwoorden: censuur | doorgangspunt | Robinson Crusoe

Jaap Schot, 8 maart 1992

Mensen leven in groepen, niet alleen [zoals Robinson Crusoe op z'n eiland] en niet met z'n allen in een enkele groep [zoals in de ideale wereld waarin aller mensen broederschap een feit is geworden]. Dat is toch waarschijnlijk wel voor alle lezers als waar te herkennen.

Mensen gaan en blijven in de groepen waar ze lid van zijn met een doel, namelijk: om iets te verkrijgen en/of te behouden. Het lid-zijn van (oftewel: het behoren tot) een groep brengt kosten met zich mee. Die kosten variëren per groep en per lid, ze variëren van tijd en aandacht die aan mede-groepsleden besteed moeten worden tot geld dat moet worden geofferd (betaald) en daarbinnen, daartussenin en daarnaast nemen die kosten ontelbare vormen aan.

Er zijn groepen waartoe men door geboorte behoort (gezin, familie, ras) of waarin men voordat men daar wat tegen kan doen wordt opgenomen (zoals in dopende kerken en besnijdende religieuze groepen en in indoctrinerende massa's, zoals de nationale staten).
Ook het lid-zijn van deze groepen kost het een en ander. Daarin verschillen die groepen niet van die waarin men als vrije consument toetreedt, het lid-zijn kopend.

'Voor wat hoort wat' is wel zowat het enige waar de leden van alle verschillende groepen het met elkaar over eens zijn. Wie wanneer dat laatste 'wat' uitkeert, kan variëren, maar het moet uitgekeerd worden.

Er zijn groepen (ik neem hier even de Roomse Kerk als voorbeeld) die dat uitkeren zeggen te laten doen door een verzinsel en wel na afloop van het leven van degene die het eerste 'wat' leverde. Tijdens zijn leven wordt die laatstgenoemde leverancier afgescheept met ouweltjes, goedkope wijn en goedkope woorden, maar blijkbaar kan dat het geloof niet stuk krijgen.

Deze groepen, de civilisatie-religies, hebben vrijwel afgedaan als doeltreffend middel om de potentieel-opstandige energie naar aanleiding van vernedering af te houden van hen die zich verheffen; te weinigen verwachten nog na hun dood pas hun loon in een hemel of in een gunstige reïncarnatie.

Voor alle groepen die niet die truc hebben van "na je dood en van een of andere derde krijg jij het tweede 'wat'" geldt dat de leden waar voor hun geld willen. Zoals alle consumenten dat willen. Iedereen [in (en buiten) het vrije, democratische, kapitalistische, consumentistische Westen] erkent dat als een goed recht van wie betaalt: waar voor je geld.

Een van de belangrijkste waren die je als (betalend) lid van een groep voor jouw bijdrage aan de groep eist is: het weten en voelen en door anderen (met of zonder hun tegenzin) erkend krijgen dat lid-zijn beter is dan niet-lid-zijn. De leden van de groep zullen onderling graag bereid zijn over en weer die erkenning te geven. Maar dat is niet voldoende.
Dat dat niet voldoende is volgens de leden van vrijwel alle groepen kunnen we waarnemen en wel aan hun vertonen van hun lidmaatschap naar buiten, aan buitenstaanders. [Ja, er zijn geheime genootschappen (minstens geweest) welker leden zich slechts aan elkaar als zodanig (als lid van de club dus) bekend maakten (de Vrijmetselaars uit de spannende boeken van vroeger).
Die mensen die hun groepslidmaatschap aan buitenstaanders kenbaar maken, willen positieve waardering (erkenning) of angst opmerken bij die niet-leden die hen als leden herkennen. Positieve waardering en angst zijn allebei vormen van ONDERSCHIKKING. En dat is het wat ieder lid van iedere groep van niet-leden wenst te krijgen. Leden van de gemeente van niet-discriminerenden eisen die onderschikking bijvoorbeeld van wie voor die wens uitkomen.

Een civilisatie (= een gerangschikte massa bijeenlevenden) wensen zonder achterstelling, minachting, discriminatie is even dom als het verlangen naar het bezit van een schijfje zonder achterkant. Een schijfje zonder achterkant is alleen te benoemen, alleen van woorden te maken: een vlak in de meetkunde. Het kan niet feitelijk bestaan. Evenmin kan een samenleving als de onze, maar dan zonder discriminatie (met andere woorden: met verdraagzaamheid) bestaan.

Die discriminatie, dat achterstellen, dat verachtend behandelen zal zich ook altijd tegen de zwaksten keren. Ook dat is logisch en psychologisch onvermijdelijk, de hele samenleving in kwestie berust op het voorkomen dat de ondergeschikten de energie die zij in zich beschikbaar krijgen tegen hun vernedering richten tegen hen die zich boven hen stellen. Niet in opstand mag die energie worden gebundeld (zie: daartegen immers staan de politie en het leger), wel dan uit ze zich in het lastig vallen van zwakkeren.

Tot voor kort konden de heersers in de groepen het zich veroorloven hun ondergeschikten die boze energie te laten richten tegen de leden van andere groepen. Dat kwam mooi uit want als vreedzaam binnen de groep moesten ze zich al wel voordoen: geen lijfstraffen meer, geen doodstraf.
Tegenwoordig moeten leiders zich ook al voordoen als vreedzaam naar buiten de groep. Ze moeten oproepen tegen discriminatie.

Maar waar moet die negatieve energie dan heen die zij zullen (willen) blijven (laten) opwekken? Zij willen namelijk dat het rangschikken voort blijft duren. En ondergeschikt worden verwekt in je die energie, beschikbaar voor verzet.
Die energie kan niet naar boven en niet naar beneden binnen de groep en ze kan niet naar buiten de groep. Dan kan ze alleen nog

  1. naar binnen in de geknechten (dan krijg je depressies en dus veel zelfmoorden zoals bij de Japanners) of
  2. opzij naar de concurrenten op gelijke hoogte, de mededingers naar de gunst van
    • de Baas (bijv. bij de sollicitatie en bij de werkbeoordeling),
    • Koning Klant, en
    • Jan Publiek.

Men biedt ons, [vee/gebruikten/geknechten/ondergeschikten,] in de reclame trots als koopwaar aan. Trots is het wat je koopt, superioriteit ten opzichte van de niet-hebbers van het gekochte (de auto, de merkschoen, de merkkleding, de lifestyle).
Trots is koopwaar. Soeverein, onaangevochten en superieur zijn Koning Klant z'n keus en Jan Publiek z'n opinie. Aan gewonen, (knechten, gebruikten, vee) wordt de smaak van het heersen geleerd [ want te proeven gegeven voor de prijs van bijvoorbeeld de genoemde producten (van overigens hun eigen hand)].

Om te heersen heb je minderen nodig. De laagstgeplaatsten in de massa en Robinson Crusoe in z'n eentje, die kunnen niet heersen. Heersen is: anderen minder dan jezelf achten (dat achten is voor de heerser zelf overigens puur: onbetwijfeld weten, met volstrekte, zekerheid. Heersen is: aan jouw minder achten van die anderen onder je duidelijk, ongeremd en onbeperkt uiting geven, het meerdere zijn aan anderen naast je en aan de minderen duidelijk laten merken, het hen laten voelen: discrimineren dus.
De baas-functie is (in sollicitatie- en werkbeoordelingscommissies bijvoorbeeld) nu juist: discrimineren, favoriseren, voortrekken, bevoorrechten (en anderen achterstellen is daarvan de onlosmakelijke achterkant). Dat mag alleen maar niet zichtbaar gedaan worden (dus niet op basis van ras, sekse, geloof of iets dergelijks). De schijn moet opgehouden worden dat merites, verdiensten, prestaties worden gerangschikt , en niet: personen met betrekkingen tot de beoordelaars. Een meritocratie, een prestatiemaatschappij, een massa met elkaar wedIJVERENDE knechten (dienstverleners, dienaren van Koning Klant, kunstenmakers voor Jan Publiek) wordt voorgeschoteld als een ideaal na(ast) die samenleving waarin groepsleden elkaar bevoordelen om reden van hun groepslidmaatschap. In zo'n wedijverende knechtenmassa vatten de gewonen elkaars aanwezigheid op als een uitdaging tot pogen elk de ander(en) ijverend te overtreffen al presterend wat Jan Publiek en Koning Klant willen. De zweep van vroeger is binnen in de knechten gekomen en de dreiging ervan wordt hen bewust als die genoemde uitdaging. Het opgejaagd zijn tot toppresteren heet nu ook geen overheerst worden meer.
En de gebruikten, de gewonen die geen baas zijn, die mogen niet op hun eigen houtje gaan heersen over elkaar, onderling. De neiging (of verleiding) daartoe ligt voor de hand bij die zeer velen die geen plaats krijgen in enige competitie.
Dat is er aan de hand.

Het bovenstaande is op zich al volledig.
De tekst is volstrekt duidelijk tegen de achtergrond van het hier te lande heden ten dage gebruikelijke met woorden veroordelen van het achterstellen van als anders herkenbaren [ingezetenen van het een of andere buitenland, aanhangers van deze of gene elders meest voorkomende georganiseerde religie, mensen van enig ander ras, soortgenoten van de andere sekse, noem maar op].

Wat eist iemand nu bij nadere beschouwing van mij als hij mij verbiedt mij beter te weten, mij als beter te voelen en mij als beter te laten behandelen dan lui van buiten mijn groepen?

Om die vraag te beantwoorden kan ik de groepen waartoe ik behoor noemen en dan per groep kijken - wat ik met mijn lidmaatschap nastreef en - wat het lidmaatschap mij kost en - wat het mij oplevert: wie mij ervoor waarmee betaalt.

Stel ik ben Nederlander. Dat volk levert mij dan een paspoort, rechtsbescherming, uitkeringen, faciliteiten van allerlei aard. Ik betaal voor dat lidmaatschap met contributie die men 'belasting' noemt en bijv. met het vervullen van leerplicht en mil. dienstplicht.
Ik beoog met mijn Nederlanderschap niets, ik kreeg het door geboorte.
Als ik Nederlander-zijn niet hoger mag achten dan dat niet te zijn, dan ben ik gewoon een gevangene van mijn volk, want ik zal wel weg mogen, maar de buitenlanden houden mij buiten, dus binnen Nederland. Zo welkom zijn buitenlanders hier te lande ook niet. Die buitenlanders die welkom schijnen (ondernemers en braindraining geleerden) zijn niet welkom, hun geld en/of deskundigheid is dat. Slechts als ik erg onbenullig ben kan men mij 'trots op mijn land' (op mijn lidmaatschap dus) laten voelen bij sport of denkend aan toevallig hier gevestigde technische bedrijven of hier uitgevoerde technische topprestaties (Deltawerken) of iets anders waaraan ik niets mag bijdragen omdat deze gelegenheid tot toppresteren niet mij maar anderen gegeven is.
Daar blijft dus niets van over. Geen nationale trots.
Stel ik ben Christen.
Nou, dan moet ik nederig zijn en mijn loon verwachten in de hemel, na afloop en uit handen van geen mens.

Daar blijft dus niets van over. Want let op: iedere gelovige wil tenminste als loon dat hij DE WAARHEID gelooft. Waarheid is altijd absoluut, dat wil zeggen: los van de gelovende. Niet de gelovige heeft, volgens het geloof zijn God bedacht (resp. door een voorvader voor zich laten bedenken), maar God heeft de gelovige (resp. die voorvader) gedacht en deze was: God heeft hem geschapen. Dat is waar, absoluut, niet onwaar voor de ongelovige, maar waar los van gelovige en ongelovige. Wie anders beweert zegt tot de gelovige dat hij in een bedenksel gelooft, maar dat dat mag van de spreker. Die spreker behoort tot een hogere club van intellectuelen die het primitieve volkje der gelovigen met goedhartigheid, begrijpend, neerbuigend, verdraagt.
Oftewel, zoals die intelligenten onder elkaar zeggen:
"We laten ze in hun respectievelijke wanen (c.q. overgedragen en overgenomen waansystemen) omdat deze sociaal organiserend en kanaliserend werken voor hun ijver."
Nou kijk, intellectuelen, liberalen, ik voelde zelfs toen ik nog geloofde al dat die verdraagzaamheid niet te verenigen is met het in gebruik hebben van mijn verstand.

Het maakt niets uit van welke club of groep ik lid ben, de leden van de anti-discriminatieclub verbieden mij elke trots. Wat ik ook geloof of waaraan ik ook de voorkeur geef, ik mag er geen enkel gewicht of waarde aan hechten. Dat blijkt uit het feit dat ik het niet in mijn doen en nalaten mag uiten.

Eigenlijk mag ik niet openlijk voorkeur en uiting geven aan iets buiten mij, want mijn voorkeur voor het ene is onvermijdelijk mijn achterstellen, minder achten van dit of dat waaraan een ander de voorkeur geeft. Ik mag echter zijn voorkeur niet minder achten dan de mijne.

Misschien is het wel zo:
De jongens van de anti-discriminatieclub zijn bazen. De gelovigen en de leden van andere clubs zijn hun gebruiksvee, dat zij waarschuwen toch vooral niets en niemand te minachten. Het gewone knechtenvolk waarschuwt natuurlijk met de bazen mee. Menselijk vee loeit altijd de leuzen van de bazen mee.

De bazen (de jongens van de anti-discriminatieclub) zijn volmaakt cynisch. Het gaat hen er om rust in de tent te houden. De gebruikten onder (= beneden) hen mogen alles geloven en doen, zolang het de bazen niet stoort en ook: de rust niet verstoort. Daarom mogen ze ook onder elkaar geen ruzie maken.

De gebruikers, de bazen, doorzien en verachten elk geloof, elk -isme, elke inspiratie, elke ethische keuze, elke morele keuze.

Er is buiten de natuurwetenschappen geen censuur, die het propageren van onwaarheid voorkomt; er is hier nu "bij ons" alleen de "economische" censuur, de censuur die de verkoopbaarheid van de teksten als enig criterium heeft. Voor de leiders en voordenkers hier bij ons is dan ook elke niet- natuurwetenschappelijke waarheid slechts een mening met zus of zoveel aanhangers. Als die aanhangers zich zouden verenigen, dan werd het een leer van een club, een leer als elke andere, van een club als elke andere. Voor de leiders is elke club slechts leidersruimte: gelegenheid om voorzitter, secretaris, woordvoerder, penningmeester, bestuurslid, lid van het dagelijks bestuur te zijn.
De anti-discriminatie-jongens eisen voor zich als enige het recht op om te verachten wie hen niet bijvalt.
Dat zint mij niet. Het is al te doorzichtig.

..let wel: I could not care less.

Waar is trots dan voor nodig?
Trots – het gevoel bij het menen de meerdere, de meer dan een ander succesvolle en waardevolle, te zijn – is nodig als tegenwicht binnen iemand die geknecht wordt (= gebruikt wordt binnen de groepen waar hij inzit). Gebruikt worden binnen een groep door de hoger geplaatsten in die groep levert een rotgevoel op. En dat moet als tegenwicht krijgen het lekkere gevoel beter te zijn dan die anderen die geen lid van die groep zijn.
Als het evenwicht niet in de geknechten bereikt kan worden moeten er straffen en strafdreigingen van buiten af op die geknechten/ gebruikten gericht worden. Wat in ieder geval voorkomen moet worden is

  1. dat de gebruikten doorkrijgen wat hen overkomt, en
  2. dat de gebruikten het negatieve gevoel kwijt willen in plaats van het te willen compenseren.

Dat kwijt willen (van het negatieve gevoel dat komt van het gebruikt worden) zou ertoe kunnen leiden dat ze de rangschikking binnen de groep, hun groep, zouden aanvallen en dat is bedreigend voor de bazen, de leiders.

Onwaarschijnlijker nog, maar toch mogelijk is het dat ze het rangschikken, de bezigheid en niet het resultaat daarvan zouden gaan afkeuren. Dat zou pas echt gevaarlijk zijn.
Toch zou het ophouden met rangschikken DE oplossing zijn voor het onderwerp van dit opstel.
Dat onderwerp is: 'hoe af te komen van

  • onverdraagzaamheid,
  • wederzijdse minachting van voor elkaar vreemden,
  • discriminatie,
  • het elkaar openlijk vernederen en letterlijk vertrappen
  • strijd (die in laatste instantie zelfs op (burger)oorlog kan uitlopen'.

Wat willen ze, de gebruikers, de bazen, de geriefelijk hoog geplaatsten?
Niet: iedereen alleen, want dan zijn er geen groepen en dus geen leiders, geen bazen, geen bevoorrechten. Ook niet 'aller mensen broederschap', want dan wordt er niet langer status al vechtend ongelijk verdeeld door middel van geweld plegen, bedreigen en bedriegen in ontelbare vormen.
Ze willen dat vechtspel, en qua regeling de stand en gang van zaken daarin zoals die nu is: heel veel groepen en dus heel veel plaatsen voor grote en kleine leiders (=gebruikers) van de leden en van de club. Ze willen dat omdat ze erin wonnen en weten hoe hun winst te behouden en verder te winnen.

De hoger geplaatsten zeggen tot de lager geplaatsten:
"jullie mogen niet discrimineren".
Want discrimineren is hun voorrecht, hun prerogatief.
Ze zeggen niet: "gij zult niet heersen", hoewel dat exact dezelfde betekenis heeft. Nee, er is nu ineens behoefte aan een ander woord, een woord dat de gewonen nog niet van een gevoelswaarde hebben voorzien. De gewonen die gaan protesteren tegen discriminatie keren zich gezamenlijk tegen het overheerst worden, dat zij vrezen en dat zij voor hun gelijken ook weg zouden willen hebben. Ze protesteren naar opzij: ze roepen dat de buitenlanders, gekleurdhuidigen en (anders-)geindoctrineerden 'net zulke mensen zijn als zij zelf'. En die moeten niet gediscrimineerd worden, die moeten niet vernederd en vertrapt worden. Niet op de manier waarop de lagergeplaatsten, de niet- leiders vernederen en vertrappen. Tegen de 'geciviliseerde' manieren waarop de bazen, de leiders, de hooggeplaatsten vernederen en figuurlijk! vertrappen, daar gaat hun protest niet tegen. En dat is nu precies de bedoeling der leiders.

De leden van alle groepen moeten beroofd worden van hun voordeel: trots. Want trots zijn op het ene, dat jij hebt, dat is gelijk aan het verachten, het minder achten van dat andere dat die ander heeft en waar die trots op is (= achting of angst voor eist). En opmerken dat men veracht wordt, dat leidt tot strijd, tot schade voor iedereen, ook voor de leiders, die (als cynici en leiders) aan die trots naar buiten (op wat toevallig 'hun' groepsleden kenmerkt) geen behoefte hebben. Zij hebben hun trots naar binnen de groep, op hun positie en eventueel buiten de groep in hun supergroep ('leiders onder elkaar').

Nu de afkeer van 'vernederen en vertrappen zien gebeuren' er is en bewust gemaakt is, nu moet er leiding gegeven worden aan het gekanaliseerd laten uiten van die afkeer en daarbij moet de aandacht op uitgekiende wijze een beetje worden afgeleid, zodat de 'orde' van het onderschikkingsspel dat ons samenleven is niet verstoord wordt.
Technisch knap doen ze dat he.

Zoals het gezamenlijk eten en drinken van de eerste Christenen uit de gedachten is verbannen bij de eucharistie, zo moeten nu trots ( = superioriteitsgevoel) en heersen ( = vertoon van superioriteit en manipulerend omgaan met anderen) buiten het toegestane (fatsoenlijk geachte) weten worden gebracht en gehouden bij het samenleven van de in ontelbare groepen klonterende massa; bij "ons" samenleven dus.

En dat organiseren onze leiders dus. Hoera.

In het voorgaande hebben we kunnen zien dat er gepoogd wordt het verschijnsel 'discriminatie' kwijt te raken door het doen van een moreel appel. Wie doen dat appel? Dat doet het hoger geplaatste deel der mensen in onze maatschappij (of samenleving of civilisatie, hier, in dit verband zijn die termen even volstrekt inwisselbaar). Op wie wordt dat appel gedaan? Het appel wordt gericht tot degenen die een negatief saldo, een tekort overhouden na het vergelijken van hun kosten voor groepslidmaatschap en dat wat zij ervoor terugkrijgen aan trots, want aan rang, aan eer, aan aanzien, aan meegeteld-worden.

Morele appels kosten niets aan wie ze doen. Ze kosten alleen iets aan degenen die zich erdoor aangesproken voelen en eruit handelen. Zoals altijd willen de gebruikers van de techniek 'moreel appel doen' gratis aan wat ze verlangen komen. Die techniek (het via de moraal proberen) is zo oud als de civilisatie, zo oud als het zich rangschikken. Altijd hebben de geciviliseerden (dat zijn de civiliserenden) hun rangenstelsel proberen te vermommen als moreel stelsel, als cultuurtraditie.

Iedereen die in een gezin is opgegroeid waarin de ouders geciviliseerden waren, weet van de voorrechten die er thuis waren. Eindeloos zijn de voorbeelden die zij hebben van straffen en beloningen, dat zijn de incidentele heersersdaden: bevoordelen en benadelen.
Daarnaast waart in zulke gezinnen het favoritisme rond en het tegendeel/tegenstuk daarvan: het tot Assepoester maken van deze of gene. Dat zijn de voorbeelden van duurzaam heersen: bevoorrechtingen/ achterstellingen.

Naast het slaan, schoppen, opsluiten en eten onthouden, het gewone civilisatie-gedrag, het geweld plegen jegens de zwakkere, vinden we in zulke gezinnen altijd ook het misbruiken van de nog resterende cultuur-tradities: de rechten daarvan worden slechts gebruikt voor zover ze de toch al machtigeren ten goede komen. De plichten daarvan worden gebruikt als morele middelen om de zwakkeren te laten presteren: ["eert Uw vader en Uw moeder"].

Het doen van een beroep op morele waarden kunnen we dus het beste opvatten als een teken van onoprechtheid, tot in het onderhavige geval het tegendeel metterdaad bewezen wordt.

Een tweede punt is dat het de voorkeur verdient te bestuderen waarom (resp. hoezo) deze of gene een ongewenst gedrag niet vertoont. Dat verdient de voorkeur boven het tot mislukken gedoemde onderzoek waarom de daders doen wat ze doen.

Daaraan gekoppeld is de goedkoopte van de truc om bij ongewenst gedrag de dader ineens te zien (op te vatten) als oorsprong en verzinner van zijn gedrag, in plaats van als doorgangspunt van maatschappelijke krachten oftewel als '(mede)speler-volgens-de- regels' van het maatschappelijk spel ("waaraan wij allen deelnemen").

Het is ook niet zeldzaam dat de dader wordt opgevat als lid van een groep die niet deugt. Ook dan is hij afgescheiden van lui zoals de (be)spreker.

Ik wil hier dit zeggen:
iedereen die het tot iets gebracht heeft speelt mee in het spel van de maatschappij. In dat spel wordt in en door middel van groepen gevochten door alle spelers. Ze pogen allen om meer deel te nemen (van de opbrengst aan materieels en immaterieels) dan bij te dragen (aan die te verdelen opbrengst).
Winnen (= er aan over houden) is het doel van het spel, het doel van elke speler.
En er is geen winnen zonder dat er bij anderen verliezen is.
Er is geen boven een ander komen zonder dat die ander onder je komt.

De smoes dat iedereen wel ergens kan winnen is even plat als het gepruttel over de onzichtbare hand van Adam Smith. Er zijn zeer vele mensen die tekort komen, die uitgezogen worden. En die mensen lijden en wel zeer bewust, ze verliezen en ze worden bespot. Dat geldt zolang die mensen niet buiten gebruik van de maatschappij geraken en dus blijven onder de druk van de propaganda dat verliezers moeten worden geminacht, omdat zonder dat de winnaars niet voldoende kunnen worden geacht. Er kan geen achting bestaan zonder minachting. Er zijn geen verhevenen zonder vernederden.

In iedereen die minder terugkrijgt dan er van hem wordt genomen komt energie beschikbaar om het evenwicht te herstellen. De grootte van die kracht varieert per mens en met de grootte van de onevenwichtigheid.
Hoe de keuze uitvalt waaraan deze energie te besteden is de resultante van vele factoren (krachten / variabelen): het gaan uitzoeken welke dat zijn is een truc om de aandacht af te leiden. Dat uitzoeken levert geen enkele doeltreffende aanpak van het (SCHIJNbaar gewenste) verwijderen van vertonen van heersersgedrag door de geknechten onderling. Geknechten zijn lui met zo'n negatieve uitkomst van voordeel minus kosten, baten minus lasten.

Als je de ongewenste vormen van het streven naar het verkrijgen van evenwicht kwijt wilt, denk dan eens of je het veroorzaken van die onevenwichtigheden niet kunt wegwerken.
Moet dat rangschikspel wel gespeeld worden?
Moet dat spel wel aan alle kinderen worden geleerd (met al het voor dat leren blijkbaar nodige geweld)?
Terzijde: let eens op de overmaat van spellen waarin je tegen elkaar speelt: om dat aan de kinderen te leren. Aan die hoeveelheid spellen is geen einde. Zodra kinderen met andere kinderen kunnen spelen, leert men ze tegen andere kinderen te spelen. Eindeloos moeten ze zich met anderen meten:

  • in presteren (bij sport en vaardigheidsspelen),
  • in geluk hebben (overal waar met bijv. dobbelstenen gespeeld wordt), en zelfs
  • bij het leren (dat wordt met behulp van cijfers geven geschikt gemaakt voor competitie, die niet zelden wordt aangemoedigd.

Moet dat rangschikspel wel gespeeld worden?

Wat horen wij ouders antwoorden op die vraag? "In de kille maatschappij kunnen wij onze kinderen toch niet zonder harnas laten binnengaan?"

Mijn tegenvraag is of er een sterker harnas is dan het niet nodig hebben van dat immateriële goed waarom gespeeld wordt: de achting van de anderen. Als jij de anderen niet de bevoegdheid geeft jou te definiëren, jou een rang te geven, dan heeft hun spel geen vat op jouw ziel, jouw geest, jouw zelf-zijn (zoek maar een uitdrukking uit, er zijn er zeer veel in omloop).
Wie applaus wil hebben moet zich eerst als de mindere van Jan Publiek definiëren.
Wie wil dat er vraag naar zijn diensten is moet zich eerst aan Koning Klant onderwerpen.

Maar als jij als opvoeder jouw kind die onafhankelijkheid wil laten (misschien: laten aanmaken, als ze niet aangeboren is) dan verlies jij als opvoeder de geciviliseerdenlol van het over dit kind heersen, zijn meerdere zijn: sterker, slimmer en noem al die andere overtreffende trappen waarvoor jij gevoelig bent (gemaakt) maar op.

En wat hier staat voor ouders tegenover kinderen geldt ook voor leiders tegenover geleiden (groepsleden).
De leiders van de groepen, de winnaars in de maatschappij, zouden eens wat zorg kunnen gaan besteden aan het evenwicht tussen kosten en baten bij de minsten onder hun leden.

Dat, in plaats van er bij de ondersten in de maatschappij op aan te dringen dat ze afzien van het halen van wat ze in de weinige groepen waarvan ze lid zijn (waarin ze als lid aanvaard zijn) tekort komen bij de (nog zwakkere) leden van andere, zwakke groepen.

Probeer eens tot je door te laten dringen hoe weinig een mens over moet hebben als hij zijn ras, zijn sekse, zijn voetbalclub moet invoeren als fundament voor zijn meerdere-zijn.

En als je dan toch aan het denken bent, denk dan ook eens na hoe leeg status is, waar alle spelers alle geweld voor (laten) plegen, alle bedreiging en alle bedrog voor op de koop toe nemen, zoal niet goedkeuren. Hoe leeg status, de achting van anderen, is, niet slechts hoe leeg dat bezit is dat slechts voor het vertonen van je status dienen kan.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *