Verhalen, 2006

Categorieën: Overige teksten

Trefwoorden:

Jaap Schot, 30 december 2006

Gunnar Heinsohn

Het boek ‘Söhne und Weltmacht’ Terror im Aufstieg und Fall der Nationen. Van Gunnar Heinsohn © 2003. Kreeg ik ter lezing te leen van Pieter.

Het is een tijdschriftartikel qua kwaliteit, maar de schrijver heeft de ruimte (180 blz.) genomen. Met die extra ruimte heeft hij meer aangrenzende onderwerpen aangeduid, maar hij is aan de oppervlakte en binnen de gangbare bestaande begrippenverzameling gebleven.

Het is een illustratie van het overbekende feit dat er zoiets als ‘strategisch’ denken, denken zoals generaals en maarschalken dat doen, plaatsvindt. Het is niet oninteressant om nu eens iets over niet geheime overwegingen van deze denkers te lezen.

Actuele (= kortgeleden verzamelde en/of geverifieerde) cijfers en oude “wijsheden” (zoals het geciteerde: ‘als je geen oorlog wilt, moet je je op oorlog voorbereiden’). Hoe wijs, hoe wijs. Voeg eindelijk eens toe dat in de minstens 16 eeuwen dat die kreet geslaakt wordt, er ongetelde oorlogen zijn geweest, dus níet voorkómen, maar voorgekomen. Het is dus ampel gebleken dat er meer nodig is dan in deze spreuk gezegd. Nou, denk dan dáár (ook) over na of wijs minstens de lezer op dit ontoereikende karakter van die wijze, oude raad (aanbeveling, vermaning).

Het is mooi één van de vele voorwaarden voor iets te vervullen, zolang het niet gebeurt, zijn er nog onvervulde en die moeten dan ook nog. [Let op: er bestaan geen niet-noodzakelijke voorwaarden. Pas als aan alle voorwaarden is voldaan kán het gebeuren, en dan gebeurt het ook. Want er is niets buitennatuurlijks, een vrije wil of een gevoel van erbarmen of zo, dat wat kán gebeuren van gebeuren weerhóudt (← weerhouden kan).]

Het spreken in termen van bedoelen en willen (‘de intentionaliteit van alle menselijk handelen’ e.d. dure woordreeksen zijn dan te vinden) is net zo’n bespreekbeeld voor ‘wat gebeurt’ als het grof-mechanische wereldbeeld van de oude natuurkunde, waar ‘we’ nu zo van af zijn.

Een timmerman zal over een lat nooit zo spreken als deze zoon van Hein spreekt over ‘dingen’ (niet meer dan eigennaamdragers, bestaand gedacht omdat die eigennaam er is, in gebruik) als ‘Afrika’. Dat doet zo’n timmerman niet, omdat hij nu juist onder andere lattenveranderaar is.

Heinsohn spreekt over de naties en werelddelen als over een stel op en tegen elkaar vallende latten. Een vallen, dat hij met een tijdloep bekijkt, door even het feit te verwaarlozen dat hij blind is voor de toekomst, zoals wij allen dat zijn.

Een schoolvoorbeeld ter illustratie van deze opmerking wordt gevormd door de toekomstvisies uit de jaren zestig. De daarin gebruikte begrippen en scenario’s zijn dérmate nooit iets anders geweest dan MODIEUS, dat een verdenking passend zou zijn in die richting ook t.a.v. het inhoudelijke van het huídige strategische denken. Het zou een reeks proefschriften kunnen zijn waarin werd nagegaan welke cruciale gebeurtenissen nu hoe en wanneer voorspeld (in de betekenis van uitgerekend, niet in de betekenis van ‘mogelijk verklaard’ en/of geraden qua tijd, ongeveer) en verrekend werden.

Voor míjn doel (LEVEN, dat is: mijn txaenz voor mijn entelechie beschikken / “gebruiken”) heb ik die voorbeelden niet nodig, ik KEN

  • het feit dat ik wat ik hoor zeggen (lees, op televisie krijg) slechts als informatie, van horen zeggen dus, heb en
  • het feit dat ik op basis van kennis (← actuele eigen waarnemingen) dien te handelen. Op basis van waarheid dus, en wel van zoveel waarheid als ik heb. Dat ik, áls ik mij (door een arts bijvoorbeeld) láát waarschuwen, mij volledig bewust moet maken van dat ‘mij uit angst op buitenbesturing zetten’.

IK LAAT ZIEN (MERKEN) HOE IK VAN MIJZELF MOET LEZEN. Ik kijk wel uit om iemand anders, welke lezer dan ook dus, aan te raden of hoe dan ook te motiveren om óók zo te (gaan) lezen. Geen gedáchte van: in deze grootse tijd in deze voorgeraakte Beschaving, hebben ze elkaar de goddelijke eigenschap (oftewel het goddelijke voorrecht) van soeverein zijn toegekend/ toegeschreven. Iedereen moet (om als beperkt mens kwetsbaar te zijn voor reclame en propaganda vanwege de parasitaire soortgenoten, de txaenzvampiers) zelf weten wat hij met dit of met dat doet. De beperkende bepaling dat de soevereiniteit van de ander door dat doen niet mag worden ingeperkt is een losse flodder: klank waarmee niets bedoeld of aangewezen wordt: sussende muziek.

Zondag 31 december 2006

Dit jaar is ook weer voorbij gevlogen. Er is verleden noch toekomst, alleen het niet voorbijgaande heden. Het heden gaat niet voorbij, er is niets dat buiten de tijd is en waaraan dat heden dus voorbij zou kunnen gaan, zoals een rijdende auto voorbijgaat aan een gebouw.

Dit is alleen maar een voorbeeld van even een uitdrukking tot je door laten dringen. “De tijd sleurt ons mee” zou je kunnen zeggen, maar ook daarin zit weer een suggestie van ‘eigenlijk buitentijds, stilzittend, eeuwig zijn’.

Soms zal het voor iemand ineens van belang zijn dit te beseffen. Gewoonlijk maakt het niets uit. Alles gebeurt zoals het gebeurt, zonder dat er alternatieven waren, zijn of komen voor ‘wat hier nu gebeurt’. Er kán niets anders. Ook wij, de dieren, wij gebeuren,wij doen niets. Alleen als we onze angsten overwinnen en tegen onze eerste neigingen in gaan, slechts dán ‘doen’ we even. Berekenend gedrag is het ene, moedig, dapper gedrag is het andere. Twee varianten van ‘even niet zomaar gebeuren’. Schijnbaar en voor ons gevoel treden we daar (vrijwel zeker onder aanmoediging van een innerlijke stem) even buiten het natuurkundig vast staande (sorry, Heisenberg). Dat de rest van ‘wat gebeurt’ inderdaad van vrijheid en vrijheden verschoon bleef, is een vooronderstelling van de (= onze) natuurwetenschap. Stellen wij iets anders, dan kunnen we nog slechts “plaatselijk” (binnen bepaalbare grenswaarden) “op theoretisch verantwoorde wijze” verwachten. Waarbij we dan (ongelijk aan wat het geval is bij de ook al ‘slechts binnen grenswaarden geldende’ natuurwetformuleringen van nu) ook die grenswaarden als onvast zullen moeten opvatten.

Er zal, wat ook de uitkomst van verdergaand bestuderen van ‘wat gebeurt’ en de daarin formuleerbare regelmatigheden zij, op het niveau van bruggen bouwen e.d. grove mechanica niets veranderen. Ook de intra- en interatomaire ruimte maakte de hamer niet onbruikbaar.

Zo is het ook met ‘doen’: voor het dagelijkse gebruik een prima oneigenlijk werkwoord. Wat konden we zónder veel minder zeggen. “Dóe wat!”, is een belangrijke uitspraak. ‘Wat gebeurt’ is het gevolg en dus afhankelijk van het vervuld zijn van alle voorwaarden ervoor, voor dat gebeuren. Alle voorwaarden, inclusief de laatst vervulde, die we vaak ‘oorzaak’ noemen. En op basis van het voldoen aan die laatste voorwaarde, - het overhalen van de trekker (trigger) -, beschúldigen we dan ‘wie het deed’ als de dáder van de verdere afloop van het hele gebeuren. Schoolvoorbeeld: de democratisten- nationalisten behouden met overtuiging de vaderlanden en de interne organisatie daarvan, die mensen op plaatsen (in posities) macht geeft. Als die mensen dan ‘in oorlog gaan’ of ‘verwaarlozen wat onderhouden moet worden’, achten deze isten hén schuldig. Nee, die nationale staten liggen gereed als doorgeladen handvuurwapens. Ze ‘liggen te slingeren’, zoals dat heet. Zolang er alleen volwassenen en verantwoordelijken in de buurt van die dingen zijn, goede mensen, die ook nog eens hun aandacht bij iets anders hebben, dan kan het daar als presse-papier liggen te dienen van die wapens geen kwaad. Maar dat op hun plaats houden van die papieren, ondanks de tocht (de wind, de luchtverplaatsing), dat kan ook met andere ‘dingen die flink wat wegen’. Die nationale staten (en ook die concurrerende ondernemingen) moeten gewoon wég. Ook al worden ze nu alleen voor schijngevechten e.d. gebruikt (de sporten en andere competities, die voor de wereldlijke machtsgeneratoren zijn, wat de heilige mis is voor de machtgeneratie via de roomse kerk).

Het is met deze opmerking als met de poging van Mozes om de Israëlieten uit te leggen dat er geen goden bestaan (aan te treffen zijn). Er zijn geen goden, ook niet één, zo legt hij uit. Lees maar. Er zijn er geen, maar dat betekent niet dat er niet met godenconcepten gedácht kan worden, geageerd zelfs, tegen propaganda in, en met propaganda van de vijanden onderling méé. Zo kreeg hij (Mozes) ze immers ook ‘het diensthuis uit’. Er kan niet terecht in goden geloofd worden. Aan een Samaritaanse vróuw zelfs wou Jezus het uitleggen, hoe ze zélf kon komen aan ‘waarheden zoals de Zijne’, waarheden waar ze naar vroeg, in ruil voor water.

Jezus wijst aan dat de priesters daar dan het gebruiken van het concept ‘God’ richten tegen de eigen gelovige, het goed bedoelende, bevolking: zij parasiteren. Dát aanwijzen wordt zijn dood.

Hij is de zoon van God, zoals (de man die hen daar op wees was Samuël geloof ik) de Joden de onderdanen zijn van God (en dus géén koning over zich dienen aan te stellen: geen Saul, geen David en geen Salomo, helemaal geen, nooit).

Dát aanwijzen wordt zijn dood, en niet een groot eeuwig plan van God, in diens strijd met de duivel. Dat is geneuzel. Er zijn evenmin duivelen als goden aan te treffen. Ze zijn bedacht en om zoeken te voorkomen in de hemel geplaatst.

Wanneer worden de atheïsten volwassen en komen ze het tegenover de gelovigen op diezelfde hoogte staan te boven: waar sprake van is, dat ís er nog niet. Van goden en duivelen is sprake. Er is zelfs zinnigs mee te zeggen: tegen Jezus: Gód is je vader, tegen het volk Israël: Gód is je koning. Je hoort bij elkaar doordat je elkaar zo lief hebt als jezelf, niet doordat je hetzelfde paspoort hebt: lees maar na hoe volgens de Mozaïsche wetten de Israëlieten om moeten gaan met vreemdelingen en bijwoners.

Elkaar zo lief hebt als jezelf, dat is: elkaar de ruimte laat om entelechisch te gebeuren:

  • elkaar álle ruimte laat, die je zelf niet NODIG hebt en
  • elkaar op binnenbesturing laat.

Het goede voorbeeld geven en waarschuwen, dát is goed gedrag. Dat en helpen waar de ander het tijdelijk (incidenteel, niet structureel!) niet redt, is goed gedrag. ‘Goed’ is dat wat in de loop der tijden het overleven en LEVEN (= entelechisch gebeuren) mede bracht. Mede, niet als énige oorzaak, er bestaat niet zoiets als een eenzame, enig, losse, absolute oorzaak van wat dan ook.

Manieren van lezen

Wie rooms leest, wil het gebeente van Jezus van Nazareth niet gevonden zien worden. Wie democratistisch leest, laat wat hij leest bij de schrijver: als diens respectabele ‘mening’ (≈ als diens afscheidingsproduct i.t.t. gemeld aangetroffens, waar hij als lezer naar toe moet met zijn aandacht). Het melden is een dienst, waar hij als lezer voor betaald heeft, direct of indirect. Hij hoeft als lezer hoe dan ook níet naar de genoemde zaken zelf om ze zonder vooringenomenheid en zonder nog aan de schrijver te denken te bestuderen: zelf er kennis van te nemen en als hij dat niet kán dan ook VAST te STELLEN dat de tekst die hem verwees LEEG was. ‘Leeg’ in de betekenis van ‘voor/door hém, de lezer, niet te vullen. In sommige teksten zat nooit wat, dat zijn bijvoorbeeld de teksten van de boeiende fantasierijke vertellers. Er is over die teksten wel wat te zeggen, maar het zijn geen wegwijzers naar wat aan te treffen is (= wat je kan raken en/of wat jij kunt aanraken).

Naast

  • ‘rooms lezen’ en
  • ‘democratistisch lezen’ is er dus blijkbaar ook
  • ‘consumerend lezen’: je lekker aan het griezelen laten maken, je lekker láten wegdromen, je laten boeien, je laten voelen alsof je denkt.

Sentimentele gevoelens

Sentimentaliteit is het zingen van Kerstliederen aan het front, in beide vijandige loopgraven, sámen (in koor) met de vijand zelfs, volgens het verhaal. Zó is het altijd en overal met sentimentele gevoelens. De genencombinatiesoorten zijn met elkaar in gevecht door een gebrek aan ruimteoverschot, zo is de schepping geworden. Zo gebeurt het: óórlog is een mensenspelletje met anderen, gebruikte mensen als ‘pionnen’. Oorlog moet ophouden en daartoe alle staten en concurrerende ondernemingen en alle aanleren à la Skinner van competitie. Dit zijn duivelse verzinsels en gewoonten.

Anarchisme is geen verzinsel maar een constatering: er is geen rang aan te treffen, gezag toekennen is niet waardiger of wijzer dan ‘gaan voetballen en een scheidsrechter aanstellen’.

De tijger

Hoe houd ik mijn gebeuren binnen mijn entelechie. Dát is het probleem dat elk dier moet oplossen, tot dát doel moet hij zijn gedrag kiezen. Planten kunnen er niets aan doen, hen overkomt beide hun genencombinatie én hun omgeving ( = het hen omgevende en al of niet rakende gebeuren). Dieren kunnen zich als geheel en/of gedeeltelijk bewegen: zij kunnen er wat aan doen wat hen raakt, zij kunnen gáán naar wat hen nog niet raakt en weglopen (beter: vluchten) voor wat hen schadend dreigt te gáán raken.

De tijger gaat lopen in zijn territorium, want hij loopt dat doende de meeste kans om een lekker maaltje of een tijgerin tegen te komen of een indringer in zijn gebied. Een tijger laat zich de kaas niet van zijn brood eten, het eten niet van zijn bord.

De honden die het asiel ter adoptie aan baasjes aanbiedt, worden nagekeken op het hebben van de vereiste eigenschap – gewoonte – conditionering dat ze zich door ieder méns wél uit hun bakje laten eten (nu ja, wegnemen). Voor een roedeldier als de hond is dat binnen zijn natuur, zijn entelechie. Wat honden niet echt kunnen is: in geval ze geen leiding krijgen, nalaten de leiding te nemen. Want dan zou er helemaal geen leiding, geen rangorde, zíjn en dan raakt de hónd, als hond, met díe entelechie vanwege het hondengen, in paniek.

Er zijn mensen die het hondachtig zijn hebben aangeleerd. Van nature zit het niet in ons, wij kunnen verschillende ‘manieren om te reageren op onze omgeving’ léren. Sterker nog, we doen dat altijd, we dóen ons leren niet, het gebeurt, net als het verteren van ons eten gebeurt, zo gebeurt het lering trekken uit wat ons raakt (en wij dus gaan verwachten bij de volgende aanraking met ons wéér zo te zijn. Lokkend en dreigend, tot prettig leidends en tot net zo’n schrik als vorige keer, dat zijn van die ‘associaties’, die samen de interpreterende en taxerende massa aangeleerds vormen. Als dader benoemd: de persoonlijkheid. Als structuur benoemd: het karakter. Zo ongeveer.

Het eenvoudige, natuurlijke gedrag (voedsel en beschutting zoeken onder andere) van het dier dat ieder mens is, is niet meer het antwoord op de vraag hoe aan het lonende endorfine te komen, waaraan we als dieren aflezen dat we goed binnen de entelechische eisen zitten: dat we goed gebeuren.

Maar hoewel ons kostje gekookt is en ons huis vast (1) en als voor en/of van ons genoteerd (2) staat, wij zitten nog steeds met dat dierlijke gedreven zijn die endorfineafscheiding te voelen (= te lézen, te merken, te ervaren dat we het goed doen).

En hier komt een centraal punt: wij zijn ook nog niet er op bedacht (er voor gewaarschuwd) dat wij hier nu niet kunnen toepassen ‘dat wat wij aanleerden’ aan dáár toen succesvol (→ tevredenheid / veiligheid /verzadiging leidend → endorfine gevend) gedrag. Want dáár toen tussen die mensen was ‘wat je leerde’ wel het juiste, passende, maar hier nu, tussen déze mensen PAST dat gedrag vrijwel zeker niet.

LET OP: dat de móde veranderd is, dáár heb je geen last mee. Want dat valt onder de algemene aangeleerde instructie: volg de mode (‘om niet gepest te worden’ of, bij foutief aangebracht zijn van deze instructie ‘om je goed te voelen’). De soldaat die zich lekker en goed valt als hij zich als struik vermomd, zonder gedachte aan zijn veiligheid die veiligheid optimaliseert, is verknipt. Hij gaat gegarandeerd niet die duizend andere maatregelen die aan overleven bijdragen niet nemen. Zoals modieuze kinderen ook in de kou aan te treffen zijn met volstrekt inadequate kleding. Navel vrijlatende truitjes als bovenkleding in de winterkou. Het kan zelfs nog wel zo zijn, - ik weet het niet en alleen het hen vrágen is niet de juiste manier van onderzoeken -, dat ze zich goed voelen bij dit zich objectief minder dan optimaal kleden.

Keuzevrijheid is een vrijheid, gevangenen dienen er blij mee te zijn en dat zíjn onze aangepaste tijdgenoten dan ook. Guttegut wat een groot goed van onze hooggeëerde democratie. Maar los is het een onbruikbare vrijheid (onbruikbaar ≠ niet te consumeren). Om positief te zijn moet die keuzevrijheid er tegelijk met entelechisch juiste criteria voor keuze zijn, anders schaadt het vrije dier zichzelf (die vreemde uitdrukking van ‘zijn entelechie’).

Beter goed door moeder aangekleed dan in volle vrijheid met verkeerde kleren aan op straat in de kou. De identificatie met het aangeleerde wordt gepropageerd door de adverteerders, die ons het volgen van hun suggesties aanbevelen, laat dat ‘aan-‘ maar weg. De pestende leeftijdgenootjes maken wel dat het een bevel is, uit te voeren om aan gepest te ontkomen.

De natuur, - vóór (Frans: avant, in de tijd beschreven vóór) cultuur en civilisatie dus -, vestigde met het geheugen als stoffelijk vorm daarvan, in ons de neiging om het geleerde toe te passen.

Wíj, mensen, kunnen dat geleerde hoog abstract formuleren en dus afzien van concreet (aangeleerd) gedrag. Wij kunnen ‘laten weten’ denken in plaats van ‘zeggen’. En die abstracte uitdrukking liet ‘de mens’ zoeken naar alternatieven voor ‘zeggen’. En “we” vonden gebaren, seinen en schrijven.

Het is voor buitenstaanders, nieuwkomers en observatoren van andere planeten vreemd dat “wij” dit niet systematisch bedrijven en er onze kinderen in (laten) oefenen.

Waarom zégt niemand ons dat we een entelechie (ieder een eigen en ze zijn niet precies eender) hebben en dat het gebeuren dáárvan (en van NIETS ANDERS, dat is: en niet van iets anders) het levensdoel, de levenstaak van ieder van ons is. Ieder zijn eigen leven. En dat geluk beleven [← endorfinen, éndorfinen, geen exomorfinen oftewel drugs; endorfinen afgescheiden] in reactie op gezond geluk hebben en gezond slagen en niet afgescheiden als nood-injectie bij extreme belevenissen (bungy jumpen bijvoorbeeld).

Met of zonder God

Zonder God is er geen beginnen aan, aan het als o-o, solitair dus, LEVEN tussen de chimpo’s. Kijk, niet alleen als werknemer e.d. maatschappelijk, maar ook “emotioneel tussenchimpig zijn ze geplaatst: gerelateerd, met onderlinge bindingen behept. Ooit overleefden en LEEFDEN ze zo. En dus ervaren ze het nog steeds als ‘goed’. Maar sommige kinderen groeien lang genoeg op in die omstandigheden waarin ze mentaal op Orang Oetans gaan lijken: solitair, onbetrokken, ongebonden, ongerangschikt, ongeordend. Er is niets mis met die manier van leven en overleven en LEVEN. Er is met geen enkele duurzame manier iets mis. Overigens met niet-duurzame manieren is ook niets anders mis dan dat ze niet duurzaam zijn en door wie duurzaamheid positief noemen, dus als ‘mis’ worden opgevat.

Er is met niets wat gebeurt iets mis. Als er een fout gemaakt wordt, dan is dat door iemand tegen zijn eigen entelechie. Er is geen allen of zelfs maar twee omvattend plan van de status van de entelechie. Die status is uit te drukken als ‘godgeschreven’ of ‘natuurlijk’. Alle andere plannen zijn van niks gemaakt, zijn niet in iedere cel aanwezig. Dit is een manier om aan te duiden dat er voor wie geen deelnemer aan het spel is, aan de regels ook niets te beleven is. Chimpo’s spelen, verspelen, verdoen al spelend, verdoen met woorden met slechts gebruiksgewoonten hun txaenz. Wat ze doen heeft geen enkel nut, voor henzelf. En dat, nut voor henzelf (= hun entelechie) is vereist.

Maar ze hebben, - als gevangenen van hun systeem -, niet meer de mogelijkheid (gelegenheid maal vaardigheid) om bevredigend te functioneren (→ voldoende endorfinen → geluk/happiness) in het doen van het voor hen daar dan nodige via het omgaan met het daar dan voor hen hanteerbare. Ze móeten wel spelen om aan voldoende spanning en verrassingen te komen.

Als iemand zijn verstand gebruikt, komt hij tegenwoordig hier wel zonder moeite het leven door. Op school je best doen. Geen wensplaat naast de werkelijkheid houden. Door het gebeuren “lopen” als een tijger door zijn territorium: oplettend of er niet iets bruikbaars, nuttigs, goeds aan te treffen is. Zo men dat liever heeft, is ook de ijsbeer een goed voorbeeld van een solitair levend dier.

In ‘Walden II’ heeft Skinner gewezen op de mogelijkheid om in de chimpomassa in overzichtelijke wederzijds kennen mogelijk houdende groepen in dorpen te wonen en ‘het vaderland’ (bewust, besprekend, er bij sprekend) te bejegenen zoals elk dier “zijn” ecosysteem: om van te leven en om er deskundig en dus niet vandalistisch mee om te gaan.

Vandalisme is een uiting van ondeskundigheid. Ook in zijn vrije tijd en door alcohol ontremd doet een schaker bepaalde dingen niet met schaakspullen, een timmerman niet met timmermansgereedschap. Tenzij hij ongelukkig is in en met zijn vak, zijn sport, zijn hobby. Vandalisme blijkt dus ook een uiting van ongelukkig zijn te zijn. Ongelukkig door het ervaren van het ware karakter van al dat boeiende en die gebondenheid, verbondenheid, die vastheid van vaste relaties.

Hoe goed ze het ook hebben qua eten en drinken en al die in het wild schaarse zaken, ze zijn niet gelukkig, de als gebruiksvee door elkaar via het systeem van txaenzparasitisme gevangen gehouden en gebruikte chimpo’s (socialen, gesocialiseerden, betrokkenen op en bij elkaar). Om toch maar de verveling (van zichzelf en/of van anderen) te verdrijven doen ze aan extreme sporten en worden daarvoor betaald door verkopers van die beelden van ongelukken.

Je zou als chimpo, - van je status als stuk gebruiksvee af willend -, - dat kán in je opkomen -, van een enig kind een o-o kunnen maken, door het de omstandigheden te geven waarin het uitgroeit tot een jonge o-o; vanzelf (het kán niet anders dan “vanzelf”, alle gebeurt gewoon, leren wordt niet gedaan) het vindt plaats.

Kinderen leren, zoals olifanten onder de modder komen te zitten bij het nemen van een modderbad, zo komen kinderen aan een apperceptieve massa aangeleerds in hun denkhoofdjes.

De propaganda die de reclame begeleidt, roept de mensen toe dat ze hun apperceptieve massa zíjn en er recht op hebben deze verzameling toevallige aankleefsels als hun persoonlijkheid, mening voor mening vertegenwoordigd te krijgen waar er voor het algemeen nut wordt besloten en gezorgd.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *