Jaap Schot, 31 maart 1986
In het hoofdstuk Meer dan beide (van het deel VERLICHTING in het boek "De Dansende Woe-Li Meesters") schrijft Gary Zukav dat wij dode verzinsels in de plaats zetten van kennis van de werkelijkheid. De werkelijkheid wordt vervangen door de taal, de begrippenapparaten, de apparatuur waarmee wij informatie – hij noemt het, 'logos' – aanmaken. 1
Wetenschappelijke aanpak leidt tot verlichting
Wie zo tot een IETS-onderdeel wordt (en met informatie leeft die rondgezongen, nagesproken wordt), is vervreemd van zichzelf als individueel waarnemer en herinneraar. Tot dat inzicht is 'men' gekomen in de natuurkunde, op grond van de spelregel dat, in de natuurwetenschap
- verschijnselen niet worden ontkend, en
- geloof er niet in voorkomt.
Het werkt dus zoals ik vroeger al eens zei: de wetenschappelijke aanpak leidt tot de verlichting. Zoals een vliegertouw leidt naar de, in de lucht staande, vlieger. Het touw is niet deel van de vlieger. Maar een vlieger is geen vliegende vlieger zonder touw en zonder wind. Ook 'verlicht zijn' is een, door de taal apart benoemd, onderdeel van de werkelijkheid, zoals een vlieger dat is van een heel systeem.
De werkelijkheid is niet van woorden gemaakt,
ook niet van begrippen.
Onbegrepen werkelijkheid is niet onwerkelijk, de begrijpende mens is niet de schepper van hetgeen hij begrijpt. Dat de kennende mens de schepper is van wat hij kent, zelfs dat geldt niet.
Ook katten kennen afstanden en krachten en krachtwerkingen, ze springen vrijwel feilloos. Toch kunnen we gevoeglijk aannemen dat ze geen wiskunde en geen taal, geen begrippensystemen gebruiken. Ook wij doen dat niet voor die dingen die we als lichamelijke individuen doen.
Personen zouden zich kunnen realiseren hoe slecht hun uitdrukking "wat wij met ons lichaam doen" past bij de beschreven werkelijkheid, het gebeuren van het doen. Dat hebben ze zich eigenlijk al gerealiseerd. En toen zijn ze overgegaan op het gebruiken van de even vervreemde uitdrukking "onze lichamelijke processen".
Persoonlijkheidsvorming.
Personen zijn verstarde, verkorste, versteende informatie; gevormd rond hen als levend, natuurlijk individu. Nu ja, levend, laten we zeggen:
- vaak wel al geestelijk, als geest,
- maar kennelijk nog niet lijfelijk, als lichaam,
gestorven.
Beeldspraak herkennen, ontsnappen aan bedrog
Vanuit het inzicht en de vooronderstelling dat wij toch gedwongen zullen worden door te gaan met praten met onze tijdgenoten, heb ik over de taal als verzameling begrippenapparaten nagedacht in mijn teksten, en gesteld dat het de moeite loont om alle beeldspraak als zodanig te herkennen. Wat de natuurkundigen – waarover Zukav schrijft – doen, is niets anders dan het als zodanig herkennen van enkele van de geheiligde spreekbeelden: deeltjes en golven.
Mijn spelen met woorden, begrippen, begrippenapparaten, mijn uiteenzetten van conceptgroepen was – en is – niet meer dan komen tot – en blijven bij – wat men 'verlichting' noemt. Verlichting is het ontsnappen aan het bedrog, de mystificatie, de begoocheling, de illusie, die meegezonden wordt door de personen (IETS-onderdelen) die aan onze persoonlijkheidsvorming werken. Dag en nacht, vanaf onze geboorte.
Vanaf onze geboorte op z'n laatst, laten de IETS-onderdelen (de personen) die met ons in aanraking komen, ons niet met rust als individu. Ze laten ons niet groeien, maar beginnen meteen te snoeien en overmatig te bemesten.
Het grote IETS – de Trotteldrom, om met de term van Marten Toonder te spreken – wordt gevormd door de IETS-onderdelen. Het IETS denkt, in die personen, in die onderdelen, die het IETS vormen. Zoals cellen het levende lichaam vormen.
Ook de cellen in het levende lichaam kunnen worden opgevat als enkelingen. Enkelingen die zich in leven houden en door hun toevallig zo-zijn, toevallig een levend geheel vormen. Ook levende lijven hebben hun parasitaire – nergens toe dienende – cellen en zelfs hun kankercellen.
Omhoog, naar de verlichting
Mijn bezig zijn met begrippen (waarbij ik uitschreef in woorden), was niet iets anders dan het omhoog klimmen van de grond naar de vlieger in de lucht. Van de gemystificeerde staat waarin ik mij aantrof en die ik – al 'psychologie studerend' – had geprobeerd uit te bouwen (in de misvatting dat er iets te halen was, via echt studeren) naar de verlichting.
Daar, in de verlichte staat, houdt het streven op en gaat het onderhoud beginnen. Om niet naar beneden gezogen te worden, moet ik telkens weer even bezig zijn met deze inzichten.
Op grondniveau, in het rijk van de informatie,
heb ik niets te melden, niets te vragen en niets te bespreken.
Ik:
- ben daar niet, en heb dan ook niet de problemen van de informatieverwerkers.
- weet dat ik, wat ik slechts van horen zeggen heb, niet weet.
Ik weet ook dat ik het niet hoef te weten. - ben geen in het grote IETS (de civilisatie) functionerende enkeling meer.
- ben nooit een "goed" functionerend IETS-onderdeel geworden.
Goed, in de zin dat ik het onderscheid niet vergat tussen 'kennen' en 'weten/ gehoord hebben'. - vergat nooit dat ik, binnen het als een (ziek) levend lijf aanwezig zijn, ook een losse cel was geweest.
- vergat mijzelf niet als individu, als "slechts" biologisch wezen.
- behield de opvatting
2
dat
- het IETS er is/ was/ zou moeten zijn/ zou dienen te zijn, ten voordele van al de inwonende enkelingen,
- de cultuur en de civilisatie middelen zijn tot het noodzakelijke doel van de levende mensen: zichzelf, en hun milieu – inclusief, hun medemensen – tot zegen te zijn.
De mens vernietigt eerder zichzelf dan het systeem
De werkenden, produceren in het IETS – dat als een lijf is – schadelijke stoffen, gif dus, in massa. Wat delen van de biosfeer, van het milieu, van het ecosysteem, doodt, veroorzaakt de dood van het systeem als geheel. Wie gif (laten) produceren doden ons als biologische wezens eerder dan zij het IETS doden.
De mensen zijn niet zo goed op de hoogte van de samenhang der verschijnselen in de (levende en niet-levende) natuur, dat ze kunnen weten of ze schade toebrengen aan het geheel van het leven op aarde met wat ze doen en laten.
Ik heb geen reden om aan te nemen dat 'men' (iedereen dus) op zou houden met hetgeen waaraan men bezig is, wanneer vast zou staan dat de bezigheid in kwestie schadelijk is. Niet schadelijk zijn is, zo vermoed ik, geen veelvoorkomende determinant van gedrag en gedragskeuze.
Schadelijk zijn, is ook van weinigen echt een doel, vermoed ik. 'Vermoeden' is hier het juiste woord, er is geen mogelijkheid tot zeker weten in dezen.
Ik schreef hierboven dat ik vanuit de opvatting leefde dat de activiteiten binnen cultuur en civilisatie middelen waren tot het doel 'leven en welzijn'.
Ik ben er nu van overtuigd dat ik niet kan vaststellen dat die opvatting waar is.
Waarheid en beschrijvingswijzen
"Als jij stelt dat waarheid niet bestaat, mag ik dan van jou weten of leugen en/of onwaarheid bestaat?" Als leugen en onwaarheid bestaan, bestaan er waarschijnlijk ook uitspraken die buiten die categorieën – respectievelijk, die verzamelingen uitspraken – vallen. Deze niet gelogen – en, niet onware – uitspraken zou men met enige goede wil 'ware uitspraken' kunnen noemen.
Ik beweer niet dat de stand en gang van zaken ooit uitputtend besproken kan worden. Ik stel niet dat er voor elk stuk werkelijkheid 3 maar één enkele beschrijvingswijze, één enkel begrippensysteeem – of, begrippenapparaat – beschikbaar is, en/of beschikbaar kan zijn. Integendeel, ik vermoed dat er naast de bestaande begrippenapparaten, nog vele andere mogelijk zijn.
In dit verband wil ik hier nu nog iets opmerken. Wanneer ik van een vliegende vogel een foto maak, dan verander ik daarmee niets aan de gefotografeerde werkelijkheid. Ik leg er ook niets van vast, de vogel vliegt ongestoord door. Wat gefotografeerd werd, is niet meer, ook al vernietigde ik het niet door mijn fotograferen.
Slechts de bomen op de foto zijn nog betrekkelijk lange tijd nauwelijks te onderscheiden van toen ik ze fotografeerde. De wolken en de vogel zijn niet terug te vinden. De beschreven werkelijkheid was zo. De werkelijkheid is nog slechts gedeeltelijk zoals ze was toen ze beschreven werd.
De foto dient hier als symbool, als spreekbeeld voor een beschrijving, en heeft alleen aanwijzende waarde voor wat later nog zo is. Of weer zo is.
Wat is de zin, het nut, het plezier van het begrijpen, het beschrijven, het met anderen bespreken van wat is?
Nog onduidelijker is, de zin, het nut, het plezier van het begrijpen, het beschrijven, het met anderen bespreken van wat was.
1) [red.] In 1969 verscheen Der Teil und das Ganze van Werner Heisenberg. Vijftig jaar later zag de Nederlandse vertaling het licht onder de titel “Het deel en het geheel; De wereld van de atoomfysica”.
Zowel de vertaling als de inleiding waren van de hand van Maarten van Buuren. Een jaar later, in 2020, gaf hij een cursus filosofie over het, door hem vertaalde, boek.
Ter voorbereiding op deelname aan die cursus heb ik nog een en ander gelezen over de quantummechanica. Daaronder viel ook “De Dansende Woe-Li Meesters”.
Uit de zevende druk (1986) citeer ik onderstaand gedeelte van blz. 296, dat het meest lijkt overeen te komen met Jaap’s inleidende woorden.
Speciale aandacht wil ik vestigen op de strofe Het probleem ligt niet in de taal, HET PROBLEEM IS DE TAAL.
Wiskunde is een taal, net als het Nederlands. Het is opgebouwd met symbolen. ‘Het beste wat je met symbolen kunt bereiken is een maximale, maar onvolledige beschrijving.’ Een mathematische analyse van subatomaire verschijnselen is kwalitatief niet beter dan welke andere symbolische analyse ook, omdat symbolen niet dezelfde regels volgen als ervaring. Ze volgen eigen regels. Kortom, het probleem ligt niet in de taal, het probleem is de taal.
Het verschil tussen ervaring en symbool is het verschil tussen mythos en logos. Logos imiteert ervaring, maar kan deze nooit vervangen. Het is een substituut voor ervaring. Logos is het kunstmatige bouwsel van dode symbolen dat ervaring nabootst in een verhouding van één op één. De klassieke fysicatheorie is een voorbeeld van een één-op-één-overeenkomst tussen theorie en werkelijkheid.
2) Deze opvatting is wijdverbreid, maar niet algemeen.
Vergelijk Jules Henry's "Culture against Man".
3) Dat is al een tegenstrijdigheid in termen. De werkelijkheid is één en ondeelbaar. Zij is niet opgebouwd uit begrippen, zoals onze beelden en beschrijvingen van de werkelijkheid dat wel zijn.
0 Reacties