Verwachtgereedschap aanmaken

Categorieën: 2015, 1 januari – 2017, 24 april | Archief

Trefwoorden: verhalen

Jaap Schot, 5 december 2015

Ik maak (als levende met een brein) verwachtgereedschap aan. Dát is wat ik nodig heb.
Soms is dat gereedschap beter door een moederende volwassene aan te reiken. De moeder die het verdronken jongetje die morgen nog zó had gewaarschuwd voor dat dun geworden ijs op die vijver voor mijn huis. Dat kind had een handicap: te eigenwijs, niet te waarschuwen.
Zijn klasgenootjes gingen vast en zeker naar huis met een waarschuwing in hun geheugen: ijs wordt dunner, als het dooit.

Hoe dan ook: ik maak voor mijzelf verwachtgereedschap aan, die toekomst met overeenkomsten met hier nu is de bestaansreden voor mijn (ja zelfs: het) geheugen.
Of de verhalen die in mijn brein zitten en mij bewust worden zodat ik voor de veiligheid kies, nu waar gebeurd of verzonnen zijn, ik heb ze nodig en ik heb geen betere. Dat zeggen de topnatuurkundigen ook van de toppen van de natuurwetenschappen van tegenwoordig. Niemand van hen zal verbaasd of ‘uit zijn doen’ zijn als een proef op een keer bewijst dat een theorie niet juist is. Het is slechts de best onderbouwde theorie die (het beste verwachtgereedschap dat) ‘we’ tot nu toe aanmaakten.

Onderdrukkende verhalen

Ook om andere mensen ‘er onder te houden’ zijn verhalen in gebruik. Een schoolvoorbeeld daarvan is: aan de mensen vertellen dat er een God is, door wie de vorst over ons is aangesteld. Dat bestaan van die god, komt uit het verzetsverhaal van de voorroomse christenen, die door de dienaren van de keizer van Rome onderworpen waren. Die voorroomse christenen vertelden zichzelf en elkaar, dat de macht van de keizer beperkt was, ook al had die t.a.v. de onderworpen vreemde volkeren totaal geen grenzen: de overwonnenen waren immers slaven. Menselijk gebruiksvee. Gestald in steden, zoals tegenwoordig gebruikspaarden in maneges. Met bevelen te gebruiken gereedschap voor de veroveraars. En met voldoende openbare terechtstellingen voor weigerachtigen kwam dat tot stand, dat maken van een volk tot werktuig voor de overwinnaars.
Met de begrippen van de voorroomse christenen maakten de geleerde dienaren van de machthebbers (de keizers) de door deze gewenste staatsideologie.
Na zo’n eeuw of 12, compleet met massamoorden en inquisitie wisten de levende mensen niet beter dan dat God bestond en voor de staat en de heersers was. Wie ooit op ongeloof betrapt was, had dat niet overleefd. Zie de illustraties in de geschiedenisboekjes van school.

Moedertaal en vadertaal

Wetten en voorschriften zijn materiaal om verwachtgereedschap mee aan te maken ten aanzien van politieoptreden.
De taal die wij als kind leerden doordat we die door de volwassenen om ons heen hoorden gebruiken, bevat al dat verwachtgereedschap, dat grotendeels uit fantasieën bestaat.
Die namen van fantasieën maken deel uit van de vadertaal. De moedertaal bevat die woorden waar je als kind naar vraagt, wijzend op wat je onderscheiden (‘gevonden’) hebt. Wat is dat? Vragen die kinderen dan. Wat ze aanwijzen is echt, is dus aanwijsbaar. Maar die “dingen” die ze je als kind willen aanleren met die vadertaal, dat zijn die goden en duivelen en die wetten en voorschriften en die “geschiedkundige gegevens” en al die andere dingen die jij als kind niet zag, niet ziet, nooit zult kunnen zien. Slechts van horen zeggen hebben wij alles wat het verleden betreft en alles wat de toekomst betreft en alles wat datgene betreft waar ‘je’ (jij als hoorder) niet BIJ BENT, in dus niet in staat tot het waarnemen ervan met je bloedeigen zintuigen (ogen, oren, betastende handen, neus, bijvoorbeeld).
Dat is niet zó moeilijk op te merken: voordat ze overwonnen waren en doodsbang gemaakt, wisten alle volkeren dat en heel openlijk. Er is geen enkele reden te bedenken waarom ze in feitenlege verhalen zouden hebben geloofd. Die werden niet verteld. Waarom zouden die mensen?

De god uit Genesis

Die god is in het verhaal van de mensen die het in Genesis uitschreven de schepper van hemel en aarde. Niet de schepper van de wereld en niet de dader van wat er gebeurt in zijn heelal. Die god is als de scheikundeleraar van ons op de hbs, die een proef gereedzette en aan de gang zette als wij allemaal in de klas zaten. En dan konden wij het zien gebeuren, dat chemische waar de les over zou gaan.
Niet dat die God stoffelijk is en naast het heelal dat hij klaarzette te zien is, en met die Grote Klap liet starten. NEE, dit verhaal stelt naast de heersers een hogere en naast de wereld (waarin wij de erfgenamen van de nederlaag als werkvolk, als gereedschap van de heersenden, als (werk)tuig dus gevangen zijn gezet (als baby ingeschreven zijn) en in gebruik worden gehouden (of minstens als klaar daarvoor).
Die Joden die de verhalen van Genesis verzonnen gaven daarmee uiting aan hun weigering om zich als minderen dan die heidense heersers te ervaren.
Tot en met die voorroomse christenen werd die god, die vader van ons (dus niet van mij alleen) in de hemel, dus buiten het rijk van de heersers, gebruikt om die macht van de heersende mensen te “relativeren”.
Nou, dat was een dermate aantrekkelijk verhaal [om in die afschuwelijk wrede wereld te overleven als zelfstandig denkend mens], dat er gevaarlijk veel aanhangers kwamen. EN TOEN (rond 300 na Christus) GREPEN DE DIENAREN VAN DE MACHT IN en ‘nationaliseerden’ de leer van die voorroomse christenen.

 

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *