Verwachtgereedschap

Categorieën: 2005, 1 januari – 2009, 31 december | Archief

Trefwoorden:

Jaap Schot, 27 maart 2009

Mijn verwachtgereedschap betreft reacties van de massa op wat ze allen verteld, gehoord, hebben van hun onderwijzers. Met een natuurwetenschappelijke theorie verwacht je gebeurtenissen die optreden als de voorwaarden vervuld zijn.
Mijn ‘theorie’ is dus een andersoortige. Er is geen waarheid meer in, het is allemaal geldig verklaard verleden.
Mijn theorie luidt:
Ze geloven dat aan het vroeger gebeurde, de kolonisatie, terecht voorrechten gehecht zijn en nu de adel (het feodale) verouderd is, en de rijkdom voor iedereen open staat, vrézen ze niet langer, maar ‘lopen op begeerte, zoals een motor op benzine’.
Ze streven naar een zo groot mogelijk deel van het om den brode aangemaakte behagende, om dat heerlijk te consumeren.
Ingewikkelder is het niet.
Ieder voor zich kan er elk ogenblik mee ophouden, maar de massa gaat er mee door. De natuur is reddeloos verloren, zoals de boom in de zomerstorm gegarandeerd óm gaat, doordat al die blaadjes zich vasthouden.
Loslaten, je zou wel gek zijn.
En die god of goden die het je lonen zouden, dat zijn private denkbeelden gebleken.

De samenstellende delen van mijn onthoudgereedschap / verwachtgereedschap zijn algemeen “bekend”, dat wil zeggen: ‘men zegt ze, men laat ze deel uitmaken van de inhoud van het geïnstitutionaliseerde onderwijs en men gelóóft dat ze waar gebeurd zijn (maar dat alleen desgevraagd, zonder extra gevraagd worden, acht men ze vanzelfsprekend onbetwijfelbaar. Wat voor nut heeft twijfelen aan algemeen bekends? Ze zouden het niet weten.

Ze hebben dus de onderdelen van het gereedschap, alleen het in elkaar zetten ervan, het doordenken van het bekende, daar komen ze niet aan toe. Wat levert het ook op? Zie je rijke, blije, gelukkige, extra gezonde mensen rondlopen, van wie je zien kunt dat ze doordacht hebben? Nee dus. Nou dan.
Een eindeloze stroom ‘nieuws’ en ‘fictie’ en ‘vermaak’ trekt en houdt hun aandacht weg van dat doordenken (onthoud- en verwachtgereedschap aanmaken).

Ze leven in gescheiden massa’s (veel te groot om ‘groepen’ te heten). Die massa’s vormen volkeren in nationale staten resp. ‘de gelovigen’ in buitennationale religies. Bij andere volkeren en ‘massa’s gelovigen’ zien ze zonder moeite dat die daar met rare vanzelfsprekendheden leven (= hun gedrag bij dat van de anderen laten passen). Ze laten hun gedrag passen bij dat van de anderen, de volksgenoten, de geloofsgenoten. Alleen bij navraag (bij aanraking met andere nationaliteiten en geloven) vertellen ze de gedachten (geloofsinhouden en “vaderlandse” geschiedenis) die ze bij hun passende gedrag hebben, van horen zeggen. Natuurlijk van horen zeggen: oorspronkelijke profeten zijn het niet en de vaderlandse gedragingen (verplichtingen en inspiraties) berusten op ‘de geschiedenis’ en die is er niet meer, dat is namelijk de enige eigenschap van de geschiedenis / het verleden: er niet meer zijn.
Wat is er dan wel? Er is het streven van de ooit bevoordeelden om voor zich en hun erfgenamen die voordelen als voorrechten te behouden. Er is in onze tijd en in onze contreien de verlokkende ‘vrijheid’ om te streven naar het zelf op jouw beurt némen (veroveren, binnen de spelregels voor zover die gehandhaafd worden, wat niet ver is) van zulke voordelen, die dan in geld uitgedrukt zijn, en voorrechten geworden zijn, want geld is dan jouw eigendom en de erfenis van je nageslacht.
Ze “denken” dat die vrijheid de moeite en kosten van het handhaven waard is. Ze hebben, - net als in de landen en geloven zónder vrijheden -, geleerd de regelingen waarbinnen ze geboren en getogen zijn te loven en te prijzen.

Wie anders reageert op hun spel (zoals beschreven in ‘Animal Farm’ door George Orwell) verliest alle achting, maar wordt (hier tegenwoordig) met rust gelaten zodra hij van school en/of buiten zijn werkplek is. Ze komen niet het huis van de afwijker binnen om hem te pesten, dat doen ze alleen op school en op de werkvloer. Wie als afwijker de openbaarheid (vaak is dat: de kroeg) schuwt, is betrekkelijk veilig (want zonder invloed, niemand merkt zijn afwijken). En er zíjn her en der ook veilige werkplekken en scholen. Bovendien kunnen vele religies en filosofieën uitstekend als camouflage voor de afwijking dienen.
Het voorroomse christendom omvatte het niet orthodoxe jodendom en daarmee het verwerpen van de wereld. De wereld, dat is: de civilisatie, de na de kolonisering meteen geïnstitutionaliseerde tweedeling der bijeenwonende mensen in mensengebruikers (tegenwoordig kopers / klanten, vroeger edelen met voorrechten) en gebruikte mensen: resp. de erfgenamen van de overwinning en de erfgenamen van de nederlaag.
Het vechten om de voordelen / voorrechten te behouden veranderde van vorm:
> Het begon met het herhalen van het moorden, op kleine schaal: de openbare terechtstellingen en de ‘spelen’ van de Romeinen die óns beschaafden zijn daarvan óns trauma.
> Van die bedreigende manier van intimideren maakte de Roomse staatskerk de vreze Gods, die god die vierkant achter ‘de overheid’ stond en staat. Na enige tijd hadden de priesters zelfs de koningen bang gemaakt voor die god. De hel dreigde de zondaar, de tegenstander van de Kerk en haar propaganda. Tegenover die god moest dezelfde nederigheid en onderwerping worden getoond als tegenover de overwinnaars, vlak na de onderwerpingsoorlog. Knielen, bidden, smeken, buigen, lofzingen, eren, toejuichen, enz. In wat ze in de kerken zingen komen we al die termen tegen.
> Doordat aan de als loon doorgegeven deeltjes van de voorrechten de vorm van geld werd gegeven, verloren de resterende delen van de voorrechten hun overwicht. Vorsten leende geld van superrijke kooplui om legers in te huren en te bewapenen. Leenden, námen niet. Vanwege de privilegiën die zij hadden verleend aan zetbazen, steden, enz.
> De naamloze vennootschappen van ondernemers maakten van wie er niet aan deelnamen loonslaven: als scheepsbemanningen en later als fabrieksbemanningen. De in de fabrieken gebruikte mensen moesten bij de fabriek komen wonen en dus wég bij hun familie en hun netwerken van vrienden en bekenden, waarmee ze zouden hebben kúnnen samenwerken (1). De angst voor de baas werd wel aangemaakt, ontslag was armoede, in de betekenis van échte nood (2). Het komen tot vakbonden was daardoor een heksentoer.
> Allemaal zó uit de geschiedenislessen in het reguliere onderwijs. Maar menigeen heeft er geen enkele gedachte mee gedacht. De gebruikten doen alsof ze geen solidariteit tegenover de erfgenamen van de overwinning (de bazen) meer nodig hebben, ze geloven in die ondernemingsvrijheid als middel om ‘óók een rijke te worden’.
> Het eigen lichaam gebruiken wordt de gebruiksmensen (het menselijk gebruiksvee) aangeleerd via de sport. Sport was aanvankelijk een vrijetijdsbesteding van zich vervelende overtollige kinderen van de erfgenamen van de overwinning. Hun nodige broers waren de bazen. Nu is het de wijze van instructie (tot zelfopoffering) aan de gebruikten.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *