Verzinsels buiten gebruik stellen

Categorieën: 1990, 1 januari – 1994, 31 december | Archief | Opstellen | Overdenkingen 4e kwartaal 1992

Trefwoorden:

Jaap Schot, 17 november 1992

Het kost me moeite mijn onderwerp te bereiken. Ik merk op dat mij dingen invallen zonder dat ik de herkomst en de wijze van aanmaken kan waarnemen en beheersen. Ik merk op dat jarenlang uitschrijven een verbetering heeft gebracht of toch minstens kwaliteitsbehoud in wat mij inviel, voor wat betreft de vorm (goede volzinnen) en voor wat betreft de gebruikte woorden (begrippen): minder verzinsels, minder aangeleerds. Ik merk op dat ik steeds maar meer (tweedehands, dus andermans, 'hun') verzinsels buiten gebruik stel als bouwelementen voor 'mijn' gedachten. Ik merk op dat de taal tot in haar laatste regels en woorden van 'ons, de sprekers ervan' is en niet van 'mij, als individu, enkeling' kan worden. Ik merk op dat er mij steeds minder invalt, dat ik mij over steeds minder dingen die mij via de media (televisie, radio en boek) bereiken opwind of erger. Steeds minder raakt mij, want wat me niet fysiek raakt, raakt me niet. Wat me niet financieel- administratief raakt, raakt me 'als nummer', 'als geadministreerde' niet. Zo is dat. Het kan niet anders zijn, zodra, zolang en inzoverre ik het psychische, mijn psyche, ieders psyche, als oud-roest, als krassen en sporen van wat was opvat. En dat doe ik. Ik speel niet mee in het vechtspel 'voorrechtje vestigen' waar ik het steeds over heb als ik het gedoe van anderen 'plaats' en 'verklaar'. Ik ben alleen. Ik heb dus geen andere (verdere, langere) geschiedenis dan mijn eigen leven, dat wat mij raakte en sporen naliet. Maar dat verleden is voorbij, daarover valt me echt niets in. Een toekomst heb ik ook niet, want toekomst dat is wat spelers hebben, strevers, lui die op weg zijn, willers, lui die een plan aan het uitvoeren zijn. Al dat moois is mij vreemd. Geen verleden, geen toekomst en ook geen interactie (omgang) met anderen in het heden: nergens aan bezig, niets in handen, niets om handen, niets te doen. Wat ik doe kan ik vrijwel geheel ook nalaten en zeker kan ik het uitstellen en/of anders doen. Niets heeft enig gewicht, het enige waar ik nog een hekel aan heb is als ik heel even een heel klein beetje afhankelijk ben van iemand anders, een dienst niet kan kopen omdat die me al gratis is aangeboden 'van bevriende en/of aardige zijde'. Ik heb mezelf nooit ervaren als in staat tot het leveren van enige wederdienst. Ik heb nooit me kunnen invoelen in anderen die mijn gezelschap, het met mij omgaan als prettig of iets dergelijk positiefs ervoeren, opvatten. Jammer dan, ik werd behoorlijk mensen-mijdend. En dat ben ik nu maximaal.

En dan valt me dus nu niet veel meer in. Ten diepste is het ook al te laat om in mijn tekstgenerator een groot onderzoek naar onzinconcepten te gaan instellen, al weet ik niets anders te verzinnen omdat ik nu eenmaal geen andere tekstmakers als aanspreekbaren 'ter beschikking' heb. Ik heb geen aanspreekbare God en geen aanspreekbare anderen, zeker ontbreekt mij elke gelegenheid om in gesprek te komen met zo iemand die publiceert, die ik dus via de media als tekstbron waarneem. Niemand heeft mij iets te vragen, dus heb ik niemand iets te zeggen. Niet als ik mij niet in de strijd om aandacht werp. En dat doe ik niet, dat deed ik nooit. Niemand verbood het mij ooit, maar ik leerde me zelfs nooit opvatten als een-van-hen, ik ervoer me helemaal nooit als 'een-van-ons'. Ik was en bleef alleen.

Het is te laat om nog mijn brein te gaan nazoeken op onzinconcepten, want ik heb alles wat mij invalt al van alle gewicht en belang ontdaan. Ik heb geen ander speelgoed en ik moet mijn hersens blijven gebruiken om de slijtage af te remmen, maar het heeft allemaal geen enkele functie naar buiten meer. Ik ben niet iemand die wegdroomt uit zijn situatie. Ik ben ook niet iemand die zich invocht of invechten zal in de civilisatie. Mij vielen voorrechten (een uitkering e.d. 'nummers', het een geadministreerde-zijn) toe. Toeval. Zegen van Vrouwe Fortuna is het daar dan geboren en getogen te zijn. Ik heb mijn best gedaan op iets (leren om nu en later mee te doen / bij te dragen aan hetgeen waaraan de samenlevenden bezig waren) wat helemaal niet in het echt (buiten de propaganda) bestond of bestaan kan. Ik ben totaal bedrogen, maar ik heb materieel geen problemen gekregen. Puur geluk, mazzel, fortuinlijk-zijn. Geen verdienste mijnerzijds.

Het is me ook totaal onverschillig geworden of ooit iemand nog zal lezen wat ik schrijf, laat iedereen zichzelf van gedachten voorzien of aangenaam-leesbaars van geoefende publicisten consumeren. Ik heb nooit 'gehouden van' de anderen; dat al of niet bestaande (exacter: gedane) gevoel was er niet bij mij / in mij, toen ik nog iedereen als medemens zag, prereflexief, zonder het zelf te weten, zonder me dat zo-zien bewust gemaakt te hebben. In feite zag ik iedereen als niet-vreemde (wat natuurlijk ongelijk is als: als bekende). Ik dacht echt, op basis van de propaganda, dat iedereen meedeed in een burgersamenleving waarvan ik overigens van de er geldende regels slechts flarden kende, dat wist ik. Op basis van die onbekendheid met de regels, met hoe het moest, je gedragen, was ik zeer verlegen. Ik kan nog steeds niet dansen en niet prietpraten en niet organiseren en niet 'konkelen'. Kortom ik vecht niet omdat ik het technisch niet kan. Niet omdat ik vredelievend of in het gebeuren ongeïnteresseerd ben geboren en gebleven.

Ik heb van het spel dat gespeeld wordt [om materieels en om immaterieels (aandacht, 'liefde' e.d.)] niets aangeleerd, dus niets begrepen. Ik betreur nog steeds elke poging tot deelnemen eraan, die ik ooit heb gedaan. Let wel: dat betreuren stelt niets voor, betreuren betreft het verleden en dat heeft maar een enkele eigenschap, namelijk: dat het voorbij is. Elke gedachte die en/of elk gevoel dat ik er aan zou wijden, zou verkwiste txaenz zijn.

De vraag of er enig plezier te beleven zou zijn aan het nog verder uitzoeken van de grote verzameling rommel in mijn geheugen, is niet per definitie positief te beantwoorden. Ik heb geen ander speelgoed, dus ik moet wel, zoals ik mij materieel ook wel bezig moet houden met de rommel (:erfenis, krijgsels, rommelmarktmeeneemsels en vindsels) waar mijn huis vol mee zit.

Het is alles wat ik heb, maar het ermee bezig zijn zonder enige andere reden dan dat ik me bezig moet houden, inspireert me volstrekt niet. Integendeel. En toch heb ik geen zin om te gaan vechten of smeken om aandacht en interactie. Niet in de vorm van werk en niet in de vorm van 'gezelligheid', vriendschap of hoe ze het ook willen noemen.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Categorieën in Jaap’s teksten

Recente reacties