Vierde grootheid naast bedoeler, verstaander en tekst

Categorieën: 1986, 1 april – 1989, 31 december | Archief

Trefwoorden:

Jaap Schot, 12 februari 1987

Over betekenen

Wanneer iemand een uitspraak doet is dat een voorbeeld van iets doen wat iets betekent. De uitspraak zelf betekent ook iets, ze verwijst naar iets in de werkelijkheid, onafhankelijk van de spreker (ook na zijn dood, ook nadat zijn aandacht bij hetgeen hij nu bespreekt en uitzegt vandaan is gegaan). We kunnen dat feit illustreren aan de Steen van Rosetta, dat was een opgeschreven tekst over een of ander gebeuren, uitgeschreven in twee talen en twee schriften: hiëroglyfen en Griekse letters. Zo konden de hiëroglyfen worden ontcijferd, de opschriften op de Egyptische tempels werden leesbaar en zie toe, al die eeuwen hadden die teksten daar iets staan betekenen, zonder te worden bedoeld of te worden verstaan (gelezen). Daaruit blijkt dat een uitspraak, een tekst zonder hoorder/lezer/verstaander en zonder spreker/ schrijver/ bedoeler een betekenis heeft, actief verwijst naar een vierde grootheid een relatie heeft met een vierde grootheid. Een vierde grootheid naast de drie andere: de bedoeler, de verstaander en de tekst zelf.

Wanneer we, - na het voor ons zelf ten positieve keren (= het antoniem van perverteren) van de eenmaal onontkoombaar aan ons ingezette civilisatie -, spreken van en verlangen naar het geven van een betekenende vorm aan onze eigen txaenz, dan is ook daar 'betekenen' de naam voor betrokken zijn op een vierde grootheid, een vierde grootheid naast
1. de dader,
2. de ander [degene aan wie de daad (het vormgeven en daartoe doen samenhangen) getoond wordt, voor wie de daad een verschijnsel is] en
3. de daad zelf, in dit geval: het vormgeven.

Als vierde grootheid noemt de Bijbel natuurlijk, vanzelfsprekend, zoals te verwachten is: God. Die geeft talenten aan zijn schepselen, aan de exemplaren van de diersoort mens. Ieder van hen krijgt een hoeveelheid txaenz van Hem en moet daar zoveel mogelijk mee maken, van maken, ermee woekeren, ze iets op laten brengen. De goedkeuring die God uitspreekt over de betekenende vorm die iemand van zijn txaenz heeft gemaakt, daar gaat het om. Het grote geheel waarin de betekenende vorm geplaatst wordt is het heilsplan van God met de aarde (niet met de wereld, God heeft met de wereld niets te maken, de wereld is een kwaadaardig gezwel in de Schepping).

Vraag:
Wat nu als de vierde grootheid een verzinsel is?
Antwoord:
Dan heeft de uitspraak, resp. de daad, de vormgeving, geen betekenis. Binnen het brein dat een verzinsel heeft aangemaakt of aangeleerd werkt het en roept de naam van het verzinsel dan ook wat op, wat wakker. Voor latere lezers en voor "ongelovige" hoorders is en blijft die naam een loos, leeg, woord. De bijbels en de kathedralen, de inscripties en de piramiden bestaan voort, lang nadat de desbetreffende Goden zijn gestorven doordat de gelovigen, de verzinselgebruikers, zijn gestorven of al levend deze goden, deze verzinsels buiten gebruik gesteld en al of niet vervangen hebben.

"Men" heeft zich het nalaten van een spoor als doel gekozen, toen verzinsels als zodanig waren ontmaskerd (en dat was al vroeg, vergelijk het bijbelboek "Prediker"). Voortbestaan in het geheugen van wie later leven, het scheppen van een manier van doen die jezelf overleeft, het omvormen of beschadigen van een stuk van de aarde, van het gegevene dat jij aantrof, ervoor zorgen dat na jou iets niet meer is zoals jij het aantrof, dat heeft men zich ten doel gesteld. Een ander doel was: voortbestaan in eigen nageslacht. In het algemeen benoemd: onsterfelijkheid werd als na te streven voorgesteld en zelfs: groei, getalsuitbreiding. Dat was dus geen betekenende vorm meer, maar brute massavermeerdering: niet het vormen met txaenz, maar van meer txaenz. Die massa txaenz heeft en krijgt geen vorm, zelfs geen samenhang, de hele verzameling gevolgen van het besteden van die txaenz betekent niets, is nergens mee verbonden, zelfs niet voor de betrokkenen, er is zelfs geen verzinsel in gebruik, een verzinsel van de soort waar de bankiergod die talenten uitzet een voorbeeld van is. Het hele wereldgebeuren verwijst nergens naar, en de hele wereld verwijst nergens naar, voor de buitenstaander, [zeg maar voor een "intelligentie uit de ruimte" (science fiction), zeg maar voor God (religion fiction)], zijn wij onverstaanbaar, want ons doen heeft geen betekenis, geen objectieve (we richten ons niet op / laten ons niet leiden door iets wat wij waarnemen), maar zelfs geen subjectieve (we richten ons niet op / laten ons niet leiden door een gemeenschappelijk verzinsel). Ik herhaal: het hele wereldgebeuren verwijst nergens naar, en de hele wereld verwijst nergens naar. Ons spoor is een vuilnisbelt, verbruikte gebruiksartikelen en verbruikte wapens. Ons spoor is een spoor van vernielingen in wat men ooit 'de schepping' noemde.
Onze media worden gekenmerkt door de discrepantie tussen bewonderenswaardige (betekenende vorm hebbende) techniek en verachtelijk gebruik daarvan: voor het scheppen van chaos, voor het vernietigen van txaenz en voor misdaad (waaronder oorlog).

De enige vierde grootheid die echt bestaat, aangetroffen kan worden, gegeven is en dan ook voor buitenaardsen waarneembaar, die ik kan opmerken is: het leven zelf in al zijn mogelijke, evoluerende, meeveranderende vormen. De levenswil van alle exemplaren van alle soorten is een aantrefbaar, waarneembaar gegeven. Daaraan als soort niet alleen niets in de weg leggen, maar er zelfs positief aan bijdragen door zelfbeperking [qua omvang (aantal) en qua 'consumptie en veranderingen aanbrengen'], zelfinvoeging, zou neerkomen op het geven van een betekenende vorm aan de ons ter beschikking staande txaenz.

Daarmee heb ik in uiterst abstracte bewoordingen mijn geloof beleden, dat ook beleden kan worden met gebruikmaking van de verzinsels Scheppergod, schepping, enz., de hele natuurgodsdienst die in de bijbel wordt uitgeschreven. Die andere goden in de bijbel, die laat ik vervallen, zij zijn verzinsels:
- die stapelgod van achter verschijnselen geprojecteerde daders
- die stamgod die soortgenoten van andere stammen vernietigt door ziekten
- die bankiergod die omgaat met geïsoleerde enkelingen, die, fysiek gevangen in hun samenleving via Hem mentaal nog onafhankelijkheid (met name van het oordeel van hun tijdgenoten!) kunnen beleven omdat ze Hem als gesprekspartner en keurder hebben
- die god die het wereldgebeuren zou sturen en zou beïnvloeden, die god die in Auschwitz zelfs niet ingreep.

Ook gepubliceerd zal deze geloofsbelijdenis wel niet in gebruik komen als verwoording, als begrippenapparaat, voor het er in uitgezegde besef, dat overigens zeer wijd verspreid is en als oorzaak van veel acties en organisaties is te herkennen (van Dierenbevrijdingsfront, via Greenpeace tot Wereldnatuurfonds bijvoorbeeld). Cultuurreligies en civilisatiereligies zijn georganiseerd en ze zijn bondgenoten tegen de natuurreligies. Het gaat over religies als begrippenapparaten die in breinen werken als bronnen van neiging tot en voorstellen voor betekenende vormgeving door de religieuzen. Het gaat in de natuurreligie om hetgeen men kent. Het gaat daarin niet om iets wat waar gemaakt moet worden en / of buiten de gelovige ligt en / of aan de gelovige als voor hem onwaarneembare openbaring moet worden doorgegeven. Leven doe je niet tot meerdere eer en glorie van wie of wat ook. Leven doe je en het is niet als middel tot enig doel te beschrijven. Evenmin is het leven te beschrijven als de daad van iets of iemand buiten de levenden, het levende. Binnen het levende zijn geen grenzen tussen soorten levende wezens voor wat betreft het verlenen van betekenis aan die vorm van bestede txaenz die voortkwam uit wat nodig was voor leven en welzijn enerzijds en wat gegeven was aan omstandigheden anderzijds.
Binnen de mensheid in cultuurcivilisatie (ineen ervaren, vandaar aaneengeschreven) wordt dat uitgedrukt met de woorden: "wat je aan de minste van uw broeders gedaan hebt, dat heb je aan mij, de meeste daarvan gedaan".
De natuurreligie leert dit niet geldig zijn van meerdere - mindere, ze leert het echter niet binnen het kader van het soortisme, het betreft niet slechts de mensen, met buitensluiting van alle of enige andere levensvormen.

Het nieuwe testament geeft een cultuurcivilisatiereligie, het oude testament geeft twee te laat, na het geciviliseerd worden namelijk, uitgeschreven religies: een natuurreligie en een stam-/cultuurreligie.

Ik stelde elders al eerder vast: het als basis voor je religie nemen van de waarheid dat de levenswil blijkt, verlost je van de dood als ondergang. Het verlost je van de individualiteit namelijk.
'Mee samen leven', 'ook leven, tussen' en 'leven (ten koste) van' zijn drie verschillende dingen. Andere levende wezens zijn niet terecht slechts op te vatten als dingen in ons milieu, als we het ecosysteem onze vijand achten levert ons dat veel negatiefs op, niets kwalitiatief positiefs. De ervaring leert dat wel ons aantal, en daarmee de hoeveelheid menselijke txaenz toegenomen is.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Categorieën in Jaap’s teksten

Recente reacties