Vrijdenken, 2013

Categorieën: 2010, 1 januari – 2014, 31 december | Archief

Trefwoorden:

Jaap Schot, 22 december 2013

Vrijdenken is slechts in een theocratie gelijk aan: het bestaan van god(en) loochenen. Atheïsme is tegen de kerkleer en daar leven wij niet onder. Niet meer.

Het vrijdenken is in onze vereniging teloor gegaan. De atheïsten voeren niet zozeer de boventoon als wel de als enige nog te horen toon. En het ontkennen (door rooms opgevoede mensen op al lang niet meer jonge leeftijd) van de god van de roomse staatskerk / wereldkerk is voor deze mensen individueel blijkbaar nog ter zake, maar wij zitten nu niet gevangen in de roomse kerkleer, maar in het neoliberalisme. Dat is die leer van de vrijheid voor degenen die hun soortgenoten te lijf gaan om parasitair van hen te leven: onze ondernemers. Niet langer de priesters en de dominees en ook niet de imams. De religies spelen nauwelijks een rol in het economisch (= het enig ter zake zijnde) gedoe. Je ziet deze kerkmensen dan ook niet als ‘de 500 van kerkblad X’ ter perse komen. Het ons vrij denken moet hier nu dus zijn: het onthullen van de vanzelfsprekendheden die men pompt in onze soortgenoten die nu kind zijn en dus kritiekloos leren. Kritiekloos, dat is wat sterk: exacter is: percipiërend, nog niet appercipiërend: ze hebben nog niet zo’n voorraad zich tegen nieuws verdedigende ‘vaste opvattingen’.
Kijk, ons, doorgewinterden, maken ze niet veel meer wijs. Maar met het sporten en spelen maken ze dat de kinderen het vanzelfsprekend gaan vinden om ‘je’ als geaccepteerde:
> Streeft om de eigen vorige en andermans prestatie (score op een bepaalde dimensie) nu te OVERTREFFEN en dat doet:
> Binnen “de” regels, die door jou en die anderen werden aangetroffen en kritiekloos (zie boven) geaccepteerd, en dat gebeurt
> In het kader van een onderneming (de voetbalvereniging, die als lang geen club meer is, maar personeel in dienst heeft)
> Terwijl er sprake is van belangstelling van de kant van GOKKERS: WEDSTRIJDEN is wat de sporters doen, net als wat men dieren laat doen in minder “welvarende” culturen (denk aan vechtende honden en hanen, waar dan al die gokkers met spanning naar staan te kijken). En voor “onze” betere kringen (de koningin van Engeland) zijn er de paardenrennen. Dat kwalijke omgaan met honden en hanen en zo is dus gewoon een voorbeeld van na-apen, de overal te vinden bewondering en verering van de overweldiger door overweldigden. (Door de neurotischen onder hen: Freud benoemde deze houding, dit imiteren, als een verdedigingsmiddel tegen de angst).

Bij ons in dit land hier nu leven wij onder studenten: ex-leden van bekende studentenverenigingen. Zij hebben niet alleen een jargon, maar ook een grote verzameling in de ontgroening opgedane ervaringen gemeen (nu ja: allemaal). Als wél lid tegenover alle anderen die geen lid waren, wisten (= voelden en bespraken) ze zich als een ‘wij’ omgeven door en tegenover een minder waardige (ja, los geschreven) massa ‘buiten’. Zo werkt het.
De enige daad is lid worden en eventueel nog ‘doen’ te noemen is het lid blijven (het niet weggooien van dat waarvoor je offers bracht).
Ontgroend worden is de helft van de nodige inwijdende ervaringen, het jaar erna anderen ontgroenen is het bijpassende en onmisbare tweede deel. Je leert je te laten keuren en je leert anderen te keuren. Beide instellingen (verzamelingen vaardigheden en vanzelfsprekendheden) zijn nodig om niet meer ‘medemens’ en ‘naaste’ van ieder ander (iedere biologische soortgenoot) te zijn, om het in die termen van “christenen” en ‘wetenschap’ te zeggen. Je leert solliciteren en je leert omgaan (als lid van de commissie of als werkgever en meerdere zelf) met sollicitanten: keuren, rangschikken, afwijzen.

In een taal die ik niet eens van naam ken, is het woord voor studenten: ‘Taliban’. De Taliban in Afghanistan en zo, worden ons geschilderd als lui met een enorme verzameling vanzelfsprekendheden, die zij koste wat kost willen implementeren (doordrukkend invoeren), met geweld. Hun leer is een variant op de leer van Mohammed, maar voor een nog groter gedeelte oude waarden (paternalistische onder andere). Ook zij zijn een ‘wij’, omgeven door een zee van “niet-wij”.
Het is niet onverwacht dat “onze leidende politici” en die taliban daar elkaar heel goed aanvoelen. Ze zijn (voor de niet partij kiezende objectieveling) erg overeenkomstig. Zoals voetballers en handballers beide een wedstrijdsport bedrijven: in een vereniging, in een elftal, onder aangetroffen spelregels, terwijl er mensen zijn die voor hen zijn en anderen die voor de andere spelende groep zijn.
Een grote hoeveelheid overeenkomstige vanzelfsprekendheden en gevoelens en strevingen (overtreffen bijvoorbeeld als doel).

Ze zeggen dat die taliban willen dat wij met onze handen van de bal af blijven, alle mensen moeten voetballen. En “wij’, onze politieke leiders, sturen militairen naar die gebieden waar taliban ijveren om dat verbod daar op te heffen: handballen mág, ja: moet. Maar dan kun je het voetballen niet ‘heiligen’ (dat is wat in de tien geboden staat als: ‘ervoor buigen en het dienen’) en dat zult gij (het goede voorbeeld gevend aan de kinderen) doen.
Onze politieke leiders dulden geen andere leer dan die van het neoliberale democratisme. Dat is hun (= van onze meerderheid plus de lobbyisten) god en die duldt GEEN ANDERE GODEN VOOR ZIJN AANGEZICHT.
NOU DIE GOD VAN DE TALIBAN OOK NIET.
Wat denken ze over en weer wel?
Nou, het hunne dus en voorlopig zullen ‘de onzen’ nog wel moordend winnen.

En NEE, wijs worden zullen geen van beide partijen. Het gaat niet om wijsheid, maar om militairen en geweren. Om productiemiddelen in privaat eigendom (1) en bijpassend gemaakt menselijk gereedschap (om die middelen te bedienen, dat is: ermee te produceren, waarbij de producten meteen eigendom van de eigenaar van de productiemiddelen zijn)(2).

Het voornaamste product was en is EN BLIJFT: HET WAPEN. Wat geproduceerd is, kun je altijd afpakken van de producent (dat doet de eigenaar – werkgever vanzelf, onopgemerkt, zo niet genoemd) maar daarna ook van de eigenaar en dat kan als zijn verdedigers minder sterk zijn (als bewapende en militair georganiseerden) dan jij (1) en ook (2) op andere manieren, bijvoorbeeld als die eigenaar zich met kraaltjes laat afschepen bij “handel” of als hij ‘BEGEERT wat van jou is’*, of als hij te verslaven is aan het een of ander, enz..

Het bij de sport als klein kind al aangeleerde STREVEN NAAR OVERTREFFEN is de motor voor al dat inpikken, afpakken, verzamelen, wedijveren om meer te hebben (= hoger van rang te zijn) dan zoveel mogelijk anderen. Wie dat streven heeft aangeleerd, is aangepast.
Aangepasten zijn niet altijd allemaal bruikbaar, dat zouden onze binnensoortelijke parasieten (die ons leiden en extra veel nemen en verbruiken, zonder zelf ook maar iets te produceren (c.q. aan dat produceren, - anders dan door opdracht ertoe te geven -, bij te dragen).
Aangepaste onbruikbaren worden door de aangepasten die ons gebruiken (onze werkgevers en hun opdrachtgevers en hun beschermers: politici en politie, resp. werkend met platpraten en met: dreigen en “optreden”) bestreden. Ze heten ‘maffia’. Ze doen precies hetzelfde als die groep die óns gebruikt (van txaenz berooft, ons werkuren laat ‘maken’ als tegenstroom voor een stroom geld binnen de economie, een stroom die breder is dan de loonstroom, en dat bredere, dat is de WINST en die is VOOR ONZE GEBRUIKERS). De maffia heeft geen gevangenissen en geen legers, dus moeten ze het technisch anders doen. Het heet dan ook afpersen en roven en ze moeten verwonden en doodmaken, want ze kunnen niet ‘in de gevangenis zetten’, maar dat zijn allemaal volstrekt technische en oppervlakkige verschillen: ze leven gewoon net als ‘onze bewonderden / heren / leiders’ parasitair van hun biologische soortgenoten en ze ‘genieten’ van LUXE.
TERZIJDE: ‘Luxe’ is onnodigs en wordt alleen door van die armoepredikers als die Sint Franciscus, waardoor die paus van nu zegt geïnspireerd te zijn, herkend als onnodig en als ‘niet om te begeren’. Maar die aangepasten zonder officiële aanstelling, die begeren wel, en volgens onze uitbuiters (ook zo’n oude term) is dat erg slecht van ze. Onze uitbuiters hebben, - net als vroeger de keizers en koningen en zo - , volgens henzelf het alleenrecht.
En ZIET TOE: hier zien we waar ‘recht’ de naam van is: van de kracht van wapens plus militaire organisatie. “Alle recht komt uit de loop van een geweer”, heet dat.

Robinson Crusoe trof op dat eiland waar niemand woonde geen recht aan. Er was daar niets geregeld. Er was geen werkgelegenheid, maar ja, er was dan ook alle nodigs voor zijn voortduren door/voor hemzelf te doen.
En dan nog een ‘ziet toe’: het gaat er bij het boek van Defoe niet om dat te lezen, want daarin vinden we wat hij (en hij is allang dood) aan associaties aan ‘zelf alleen leven’ had. Maar het gaat voor iedereen om die associaties die bij hem in zijn eigen brein vastzitten aan, gewekt worden door dat “idee” man alleen op eiland.
En bij het lezen van de bijbel is dezelfde ‘set’ instellingen voor de lezer te gebruiken: wat zijn de ideeën? En wat de tijd- en schrijvergebonden / -specifieke verhalen dan ook zijn (wonderen en genezingen enz.), daar gaat het niet om. Het gaat om de ideeën. Bijvoorbeeld dat idee dat de voorroomse christenen hadden dat ze ‘vreemdelingen en bijwoners waren in de wereld [en dat is niet: op aarde, want daarvoor is geen alternatief, die planeet is van niemand, nee, ook niet in stukjes en ook niet van groepen (‘landen’)]. En om zich dat telkens weer in te prenten baden ze het onze vader. En NEE, dat was voor hen nog niet het af te raffelen dreuntje, dat ze zoveel keer als boetedoening op kregen van de pastoor, als waren het strafregels.

Waar wie nuchter in de wereld als zijn omgeving wil staan en opmerken wat er gebeurt, moet in ieder geval nalaten om in termen van ‘wij’ en ‘Nederlanders’ te spreken (c.q. te denken). Je bent alleen en je bent niet wat ze, toen je een paar dagen oud was ten stadhuize over je opschreven (vastlegden, beslisten).

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Categorieën in Jaap’s teksten

Recente reacties