Jaap Schot, 17 november 1992
Waar zijn we nu? We hebben het schema van de zender, de boodschap en de ontvanger. Even kijken naar de stand en gang van zaken om ons heen en het is duidelijk dat er niets te melden is. Oh, zeker, op het ni.o.v.n de mieren, het nivo waar de mensen werken (elkaar over en weer dienen en zich laten dienen) en vechten (zich minderen aanschaffen en daartoe trouwen, kinderen laten komen, carriere maken enz., de hele catastrofe), waar ze met elkaar bezig zijn en hoogstens met spullen en nodigs omgaan en presteren als middel tot dat met elkaar bezig zijn, op dat nivo, waar niets verheffends te vinden is, daar hebben ze boodschappen aan elkaar; ontelbare boodschappen met een hoog percentage dwang, dreiging, leugen en bedrog. Ze zijn zelf het onderwerp van al die boodschappen, die sprekers en die hoorders. Het is dan ook onecht gepruttel, dat wat via de media ongeadresseerd verspreid wordt aan boodschap. Nergens is er een onderwerp het onderwerp. Nergens is het spreken van waarheid doel in zichzelf. De centrale vraag is: hoe kom ik over, wat doet mijn boodschap de ander? Wie onbaatzuchtig is, is een sukkel, een wereldvreemde, een domme figuur, die zich door de predikers van idealen heeft laten spannen voor hun karretje. Dat geldt ook voor de helper, de vrijwilliger, de storter op de gironummers die worden opengesteld voor al die acties 'dweilen met de kraan open'; alles mag en moet, behalve die kraan sluiten. Zelfs het aanwijzen van die kraan is verboden, iedereen zou meteen het uitstromen zien.
De kraan in kwestie is het vechtspel 'voorrechten vestigen' en dat spel is al vaak en duidelijk aangewezen. Veblen om maar eens iemand te noemen. Maar het spel is heilig. Daar is dat woord weer. Zo is de mens van nature. En hoe was de mens dan voordat hij zo was? Men wil toch niet beweren dat de aarde altijd overvol mensen is geweest en dat er dus nooit de gelegenheid tot weglopen was in plaats van in onderworpenheid blijven bij de een of andere sterkere, die jou benadeelde? Zelfs al zou het zo begonnen zijn, enige tijd is het weggaan mogelijk geweest en gedaan. Een recente trek was 'naar Amerika'. 'Il n'y a plus l'Amerique' zingt Jacques Brel ergens. "Vluchten kan niet meer", hetzelfde in een ander liedje.
Een rustige bespreking van de stand en gang van zaken in de wereld, op aarde, zou al snel duidelijk maken dat er geen ruimte meer is voor steeds meer steeds meer ruimte innemende mensen. Eindelijk zullen de mensen moeten inzien dat niet iedereen het recht kan nemen op ouderschap; de meesten moeten ooit beseffen dat zij geen twijgje kunnen worden, maar gewoon blad moeten blijven, blad dat afvalt, restloos van de boom verdwijnt. Maar nee, alle probleembesprekingen in de media blijven aan de oppervlakte. Men bespreekt de (over)last die en het geweld dat mensen elkaar aandoen. Maar de eenvoudige opmerking blijft uit dat als de betrokkenen zich ruimtelijk van elkaar konden verwijderen, ze dat zouden doen. einde overlast, einde geweld.
Men wil het er niet over hebben, maar de oorzaak van alles is de overbevolking. Zelfs het onderwerpen door zwerfvolkeren van gevestigde volkeren met voorraden opleverende landbouw, de oorsprong van de civilisaties, zelfs dat zwerven en onderwerpen kwam al voort uit overbevolking, wie niemand aantreft in een streek kan er ook niemand onderwerpen. Hoe lang heeft Robinson niet op Vrijdag zitten te wachten, teneinde eindelijk weer eens lekker de baas te kunnen spelen? Met een hond is baas-zijn toch niet helemaal echt. Robinson was een geciviliseerde die ineens teruggeworpen werd in de situatie van een natuurmens. Al de onnodige betekenissen die hij had leren hechten aan allerhande zaken bleef hij handhaven. Hij bleef zich kleden, tegen de naaktheid en derzelver verwerpelijkheid, laagheid, niet tegen de kou, als we de plaatjes mogen geloven waarop we Vrijdag en z'n medekleurlingen zien rondlopen. Kijk, kleurlingen weten zich uitstekend te kleden tegen het weer, denken we maar aan de Eskimo's. Daar lag het dus niet aan. Het lag aan die kunstmatige betekenis die gegeven (gehecht) is aan naaktheid.
Ook aan het hebben van kinderen, eigen kinderen, is zo'n betekenis gehecht. Een diersoort met 5 miljard exemplaren en miljoenen exemplaren aan het verhongeren is niet aan voortplanten door ieder stel exemplaren toe. Er is belangrijkers aan de orde: het voorkomen van de massale sterfte na het kaalvreten, platlopen en verwoesten van de planeet waarop men vastzit. Alles is bekend, alles komt, als ware het een boodschap, door de media tot ons. Al eeuwenlang (Maltus was waarschijnlijk niet eens de eerste).
Het gaat in het doordenken van de kentheorie om enkele fundamentele keuzen: 1. wat mij hier nu gegeven is, is het enige wat ik kan kennen; Ik ben en ken slechts hier en nu. 2. herinneringen dwingen tot niets, maar er zit soms, ja vaak, niets anders op dan van vroegere waarnemingen gebruik te maken, er op gokkend dat de zaken nog net zo staan als toen; het gebruiken van geheugeninhouden is en blijft gokken. Wat was heeft alleen die ene eigenschap: voorbij te zijn. 3. als iemand mij iets meedeelt, meldt, dan ken ik alleen maar het feit dat hij mij dat meldt; dat is mijn enige waarneming, mijn enige gegeven, dus mijn enige kennisinhoud dienaangaande. Dat wat hij mij meldt is voor mij volstrekt, restloos onzeker. Ik ken het niet en ik weet het zelfs niet. Ik geloof het ook niet, ik ben geen gelovige. Ik weet zeker dat ik niets kan leren kennen via een ander, dat ik niets van een ander te weten kan komen. NIET ZONDER DE BETEKENIS VAN DE WOORDEN 'KENNEN' EN 'WETEN' TE ONDERMIJNEN. Maar er zit soms, ja vaak, niets anders op dan geheel of gedeeltelijk mijn doen en nalaten te baseren op iets wat ik van horen zeggen heb. Wie zich consequent niets aantrekt van alle waarschuwingen loopt overmatig groot gevaar. 4. Ik heb geen ingeboren kennis van hoe en waaraan ik mijn txaenz moet besteden. Dat staat niet in mij geschreven met DNAcode, het staat ook in geen enkel boek, hoe heilig sommigen dat boek ook vinden. Niemand weet wat ik te doen heb met mijn txaenz. Er is mij niets gegeven van enig iemand die mij zou bezitten, recht op het mij leiden zou hebben of iets van dien aard. Wat ik ook doe en nalaat, het kan nooit goed (volgens de een of andere bedoeling van de een of andere gerechtigde) of fout (daarmee strijdig) zijn. Er is geen voorschrift dus er is geen gehoorzaamheid mogelijk en ook geen overtreding of vergrijp. Het ronkt in de wereld van de voorgestelde voorschriften en idealen, zodat iedereen zich een verzameling geboden en verboden aan kan schaffen teneinde zichzelf gedragskeuze mogelijk te maken. (Maar hij doet dat wel zonder enig geldig criterium, puur soeverein, onnodig, redeloos.) Die verzameling valt meestal kaleidoscopisch-toevallig uit, zeer uniek, zelfs als het een mislukte poging betreft een goed Xist (Christen, Islamiet, Boeddhist bijvoorbeeld) te zijn. Die verzameling maakt het mogelijk antwoord te geven op de vraag "wat ben jij?" IK BEN NIETS, IK BEN IEMAND. Ik heb geen antwoord op de vraag naar wat ik ben. Ik heb dat antwoord ook niet nodig, alleen wie (vrijwillig of gedwongen) meespeelt en/of zich laat gebruiken in het vechtspel 'voorrechten vestigen' heeft zo'n identiteit nodig, het is zijn speldoel. Zoals een speler van het spel Risk dat ook aantreft op de opdrachtkaart die hij daartoe 'in den blinde' trekt uit de stapel van die kaarten. Dat spel 'voorrechten vestigen' omgeeft ook mij, heeft vat op mij, het stelt mij als besteder van mijn geld en van mijn txaenz voor keuzen. Om te kunnen kiezen moet ik criteria gebruiken of dobbelen. Je moet iets willen. Je moet weten wat je wilt. Van nature wil een mens (wil een dier) niets, hij moet alleen maar, uit zichzelf: al het voor zijn leven en welzijn nodige. Niks "vrije" (=soevereine, aan niets en niemand onderworpen) wil: nooddruft, noodzaak, van binnen uit afkomstig, niet van iemand anders. Geen dwang, maar drang. Ik heb nog nooit gedobbeld in dat verband. Ik heb dus allerlei criteria gebruikt, terwijl ik het feit ken dat die criteria als ze niet onontkoombaar zijn, futiel zijn. Het heet 'filosofisch' wanneer men zich druk maakt over de vraag of zelfs lijfsbehoud een futiel criterium mag heten. Er is aan dit kiezen, vormgeven en bepalen van doen en nalaten vaak en door velen enorm veel gewicht gehecht, zin gegeven, betekenis gehecht. Enorme zelfopblazerij. In feite is de uitwerking van ieders doen en nalaten onmetelijk klein. Maar als er eenmaal opgeblazen lieden zich als heerser kunnen opstellen, dan is de verleiding groot hen van die troon af te halen, vanwaaruit ze niet zelden ook mensen die niet meespelen hinderen. En zo komt er dan politiek en politieke geschiedenis. Massamoord met betekenis als beweegreden. Te onderscheiden van de economische geschiedenis, massamoord met hebzucht als beweegreden. Twee varianten van het genoemde vechtspel 'voorrechten vestigen'.
Even herhalen: 1. Ik ben en ken slechts hier en nu. "Luisterend naar mijn lichaam" kan ik kennen wat ik nodig heb en oplettend, aandacht bestedend aan mijn omgeving kom ik te weten hoe ik met mijn vaardigheden in die omgeving in het voor mij nodige kan voorzien. Lukt dat niet, dan ga ik er aan. Dan ga ik er eerder aan dan wanneer het me wel lukt. Er aan ga ik uiteindelijk in ieder geval. Ten aanzien van dat onderwerp gaat alles slechts over een datum. 2. Wat was heeft alleen die ene eigenschap: voorbij te zijn. Geschiedenis is van het genoemde spel. De exemplaren van de mens hebben geen geschiedenis. Spelers hebben geschiedenis, want binnen het spel blijven veroveringen en bevorderingen gelden tot ze met geweld ongedaan gemaakt worden, dat wil zeggen: vervangen door andere, te memoriseren historische feiten. Wie zich gebruikmakend van het concept WIJ in het spel bevindt, die heeft een geschiedenis. Zo iemand (exacter: zoiets) kan hier nu bijvoorbeeld zeggen: "Wij hebben ons in de 80-jarige oorlog vrijgevochten." Spreken als ik en als wij is niet tegelijkerijd mogelijk, het is onverenigbaar. Wie 'ik' zegt, is buiten spel, of hij misbruikt het woord 'ik'. Binnen het spel spreekt men van 'je', menigeen doet dat tegenwoordig en aanvankelijk is het grappig te zien dat velen daar dan weer fouten bij gaat maken, zoals die Nederlandse bergbeklimmer die desgevraagd zei dat 'je', staande op die top in de Himalaya, dan denkt:"..." Ik heb alleen het heden hier, net als ieder iemand. Elke speler, elk iets dat deel uitmaakt van een wij, heeft verleden en toekomst en daarvoor betaalt hij met zijn heden, want dat geeft hij af aan de groep. Het is te verwachten en waar te nemen dat velen voor dat verleden en die toekomst die ze krijgen niet betalen willen. Zij willen dan ook deel uitmaken van een vrije samenleving, dat is dus een wij van vrije, soevereine, losse, onderling onbeinvloedbare, privacy hebbende, met elkaar wedstrijdende en wedijverende, zich rangschikkende enkelingen. Die vrije samenleving heeft geen vijanden buiten nodig om wat te doen te hebben, ze strijdt intern. 3. Ik weet zeker dat ik niets kan leren kennen via een ander, dat ik niets van een ander te weten kan komen. NIET ZONDER DE BETEKENIS VAN DE WOORDEN 'KENNEN' EN 'WETEN' TE ONDERMIJNEN. Dat ondermijnen is de achterkant van het met anderen een groep, een eenheid, solidair dus, vormen of: van het met anderen een verzameling met elkaar vechtenden ("competitief spelenden"), een "vrije samenleving", vormen. 4. IK BEN NIETS, IK BEN IEMAND. Ik heb geen antwoord op de vraag naar wat ik ben. Het woeden van het vechtspel 'voorrechten vestigen' om mij heen stelt mij als besteder van mijn geld en van mijn txaenz voor keuzen. Om te kunnen kiezen moet ik criteria gebruiken of dobbelen.
Je bent alleen en dan kun je 'ik' zeggen. OF je bent met anderen solidair samen bezig en dan kun je 'wij' zeggen. Aan ons is het bekende bekend, gegeven, slechts enkelen van ons hoeven iets te kennen om het bij en voor ons bekend te doen zijn. OF je bent alleen OF je bent samen OF je vernietigt, corrumpeert, ondergraaft en parasiteert op dat samenzijn: je neemt deel aan 'de vrije samenleving' dat is: het vechten van allen tegen allen om alles met alle middelen en scorend op alle dimensies. Iedereen voorziet ieder ander van tegenspel, tegenkanting, tegenargumenten, tegen-het-geeft-niet-wat, maar altijd tegen. Ieders vooruitgang, succes, rangverhoging, bevordering, verheffing is immers onontkoombaar ieder anders relatieve achteruitgang, vernedering, nadeel. Zo is het spel: wat te verdelen is, is eindig, hoe laat dat ook moge blijken. En er is geen meerdere zonder dat er een mindere is. Iedereen die uit wil steken, meerdere wil zijn, moet mensen als mindere hebben. Wie niet als mens erkend wordt, is niet als mindere te gebruiken in de rangordening. Wie zich niet als mindere opvat en gedraagt wordt door allen aangevallen en/of vermoord en/of later aanbeden, tot god benoemd. Wie buiten spel blijft is een wilde en dus vogelvrij. Wie het spel verlaat is zoiets als een heilige monnik of een verachtelijke verwilderde, een gekke zonderling, waarop eventueel angst wordt geprojecteerd als kwaad (heks, tovenaar, brenger van der goden wraak in de vorm van deze of gene ramp).
Alleenzijn, samenzijn of ingevechtzijn, dat zijn de drie posities. Ingewikkeld is het dus niet. Het is ook heel gemakkelijk uit elkaar te houden, want het gedrag der mensen in de verschillende posities is ongelijk. Het is in het voordeel van wie ingevechtzijn dat de drie posities door zoveel mogelijk samenzijnden niet van elkaar onderscheiden worden. Zo blind zijn zelfs de samenzijnden niet dat ze niet merken dat ze door parasieten 'benut', 'uitgebuit', 'leeggezogen' worden. Snel worden dan [door de ingevechtzijnden] vreemden, minderheden- van-samenwerkende-ingevechtzijnden (Jezuieten, Vrijmetselaars, Joden) en nietingevechtzijnden (zonderlingen, "heksen", heidenen, wilden) als doelen voor de boosheid van de uitgebuiten aangewezen. Und dann geht es wieder mal los. Dat is de lol van de geschiedenis. Het verleden als reden om aan te vallen en de toekomst om wraak in te nemen. Geen enkele samenzijnde massa wierp ooit haar parasieten af. Of het parasiteren werd onverwijld opnieuw gedaan, door de leiders van de overwinnende opstandelingen bijvoorbeeld.
0 Reacties