Jaap Schot, 22 februari 2017

Toen ik les gaf, aan studenten die door hun slagen ook lesbevoegdheid voor de HBS enzo kregen, bereidde ik mijn lessen vanzelfsprekend voor. Ik hoefde er niet elke keer bij te schrijven wat ik aan omgevende opmerkingen maakte. Ik legde steeds sterk de nadruk op het feit dat ik heel veel van horen zeggen heb: alles wat ik niet zelf bestudeerd heb (bijvoorbeeld de feitelijke komst van de Duitsers in ons land in 1940 of de komst van de Romeinen, vele eeuwen eerder).

Als ik zulke verhalen (of verhalen uit de Koran of de Bijbel) doorvertel, moet ik er echt wel bij zeggen dat ik niet mijn geloof erin belijd. Dat soort geloof in verhalen – in plaats van, in de  bruikbaarheid van die verhalen bij het doordenken over wat je overkomt – is niet zomaar toe te juichen.

EN LET OP: DIT GAAT NIET ALLEEN OM RELIGIEUZE TEKST, maar juist ook over geschiedenis, een vak dat je als leerling krijgt. En bij proefwerken moet je doen alsof je het weet. Maar je kunt het niet weten, je kunt het alleen geloven (of niet) omdat je zeker weet dat je er GEEN KENNIS VAN HEBT KUNNEN NEMEN, zelf, toen, daar.
DOORVERTELLEN MAG NIETS ANDERS ZIJN DAN DE HOORDER GEREEDSCHAP AANREIKEN OM dat wat hij aan het waarnemen is, TE DOORDENKEN. Wat te doordenken? Nou, dat waar hij bij aanwezig en wakker en aandachtig is.

Voorbeeld: om ons heen zien we heel weinig gebeuren waarbij geld niet minstens bruikbaar is. Nou, kijk, daar is dan dat boek over Robinson Crusoe goed voor: die kon op zijn onbewoonde eiland niks doen met al het geld in de schatkist die hij van het wrak aan land had gehaald. ZIJN VERHALEN BRUIKBAAR? Sommige natuurlijk, lang niet alle.

JA, MAAR: die kinderen op scholen en zo, die leven daar met elkaar alsof ze tot een eenheid behoren. NOU, DAT MOETEN ZE DUS UITGELEGD KRIJGEN, dat zulks niet het geval is. Dat ze iets met elkaar te maken zouden hebben is een onwaar verhaal. EN DE ONDERWIJSGEVENDEN ZIJN MOREEL VERPLICHT DAT TE BESEFFEN EN AAN DE KINDEREN UIT TE LEGGEN.

Die opmerking, waarmee je het wel of niet eens kunt zijn, hoort thuis in de opleiding tot onderwijsgevende. Maar ja, na mijn pensioen luisterde er natuurlijk niemand meer naar mij. Wij hebben immers geen leerrecht, maar leerplicht. En die leerplicht heeft als inhoud: dat wat later door betalers als diensten kan worden afgenomen (gekocht dus).

Want wie nu leerplichtig is, moet later betalen voor wat hij koopt en dus moet hij geld verdienen (= DIENEN VOOR GELD). Geld om mee te betalen, omdat de politie ervoor waakt dat er niet “zonder betalen meegenomen” (dat heet: GESTOLEN) wordt.

Zo is dat geregeld, toen, door anderen, anderen die al eeuwenlang dood zijn. Maar aan hun teksten (grondwet en zo) wordt nog steeds kracht bijgezet: de vuurkracht van de politiewapens. Toen wij een paar dagen oud waren, werden wij voor deelname aan deze samenleving opgegeven, dat moest.

Wij, de lezer en ik, gaven onszelf niet op, dat werd door de daartoe verplichte ouders gedaan. Die waren ook al door ouders aangemeld (in het stadhuis). Zo gaat dat: leerplicht, betaalplicht, militaire dienstplicht, stemplicht, geboorte meldplicht. En ja hoor, ook enkele rechten, en die stemplicht en dienstplicht, daar is aan veranderd.

Ik ben na mijn pensionering doorgegaan met lessen voorbereiden, omdat ik dat zo leuk vond (en vind) om te doen. En het is niet verboden, vandaar. Het feit dat ik die lessen nooit zou kunnen geven, bleek meer positief, dan negatief. Wie les geeft krijgt jaarlijks verse klassen en moet dus van de basis af weer beginnen. Nu na mijn pensioen er geen nieuwe klassen kwamen, kon ik doen alsof de lezers (die de studenten vervangen in dat spelletje “nooit geefbare lessen voorbereiden”) al het voorgaande gelezen en begrepen hadden. Ik kon ongehinderd verder denken. Dat bracht ingrijpende veranderingen in de tekst.

Ik kon doen alsof er ook aan volwassen mensen algemeen vormend (of zo’n soort uitdrukking) onderwijs gegeven ging worden. Kijken wij naar gedrukte tekst en naar televisie, dan zien we dat ook inderdaad gebeuren. Er is altijd sport als onderwerp ter keuze in plaats van wat we onder ogen hebben. Bij sport heeft de kijker JUICHPLICHT. Dat levert een bijdrage aan het SPORTWEDSTRIJDVORMIG SAMENLEVEN, dat wij doen. Ieder van ons leert dat het overtreffen van een ander positief is. Op school is het halen van een hoger cijfer “beter”. En als klas kun je vergeleken worden met een andere klas. Sommige leraren doen dat graag. Vooral als het hun klas is, die hoger scoort.

Al die tientallen jaren werd mijn pensioen betaald door de staat en wel uit de belastingen, uiteindelijk dus – zonder erg – door mijn tijdgenoten, landgenoten. Steeds schreef ik uit wat me aan gedachten inviel en bewaarde die schrijfsels.
Nu is er een eind aan het komen aan die tijd van rustig naar het eind glijden.
En daarbij hoort dan het ter lezing beschikbaar stellen van die teksten aan al die mensen die er voor betaald hebben, mij te laten bestaan. Zoveel gevoel van eigenwaarde heb ik nog wel, dat ik dat de moeite waard vind.
Zie daarvoor “de woorden”……..

Lees meer