Jaap Schot, 14 augustus 1992
Men heeft de gewoonte te proberen de anderen waarmee men te maken krijgt te veranderen, bij zich passend te maken. Het duidelijkst ziet men dat gebeuren bij het omgaan met kinderen en met wilden, primitieven, gekleurden. Kinderen, wilden, anderen, die niet veranderen als men dat probeert, noemt men hopeloze gevallen. Deze moeilijk tot niet op te voeden lieden brengt men uiteindelijk onder in gestichten teneinde ze met fysiek en ander geweld mores te leren. Lukt zelfs dat niet dan zijn er nog gevangenissen voor hen.
Ik was geen hopeloos geval. dat betekent dat het hen gelukt is mij van vele angsten en gewoonten te voorzien die maken dat ik hen niet tot last ben.
Ik vind dat ik alsnog met duidelijke woorden mag uitdrukken voor mijzelf dat ik voor wat ze me met geweld dwongen te leren niet sta. Zonder lastig voor hen te worden, daarvoor ben ik veel te bang voor ze. Maar het is hun wereld , niet de mijne. Het is passend aan hen, niet aan enig goeds, dat wat ze me aangeleerd hebben. Ik heb er geen enkele binding mee. Ik was en ben bereid hun uniform volgens voorschrift te dragen, ik voel me niet geinspireerd trots op dat uniform te zijn.
Ze hebben me ooit een godsdienst aangeleerd. Voor mij is de bijbel hun heilig boek, naast vele andere heilige boeken. Voor mij is de Nederlandse woordenschat hun woordenschat, passend bij hun begrippenapparaat. Ik heb geen andere taal, maar ik gebruik toch de taal als gereedschap om er begrippen mee te benoemen, dus anders dan als een woordenvoorraad.
Met ieder woord dat ze je leren, dwingen ze je ook meteen tot het indelen van wat is met gebruikmaking van juist dat begrip, die categorie waarvan dat woord de naam is. Heel duidelijke voorbeelden: iets mannelijk / vrouwelijk gedrag noemen, spreken van negers, kleurlingen en blanken. Deze voorbeelden mag in Nederland nu iedereen begrijpen en als zodanig, ‑ als via taal doorgegeven onnodige onderscheidingen en indelingen dus ‑, herkennen. Maar het gaat mij om die duizenden andere voorbeelden die wij hier nu niet als zodanig mogen herkennen omdat ze nog gelden.
Ik heb al honderden bladzijden volgeschreven met zulke voorbeelden betreffende de economie en dergelijke. Dat levert geen moeilijkheden op.
Ik ben er nu weer eens aan toe voorbeelden te nemen die mij aangeleerd zijn, die ik volgens anderen niet mag afkeuren, omdat iedereen ze heeft. Iedereen mag in beginsel elke subgroep tot op de grond afbreken. Dat is de persvrijheid, die de achterkant is van de eis dat je niets mag menen en niets van handelen mag voorzien, verdraagzaam moet zijn. Alles mag gezegd, maar uit geen enkel door zeggen gewonnen inzicht mag gehandeld worden. Dat gaat zover dat in Frankrijk werd voorgesteld om clitorectomie te verbieden, maar het bij uitzondering toe te staan aan diegenen die het (omdat zij de desbetreffende variant van de islam aanhingen), wilden toepassen. Iedereen zou het mogen, behalve diegenen die het niet wilden.
Als ik dus opschrijf dat ik mijn protestant‑zijn herken als mij aangeleerd, dan is dat in orde. Alle niet‑protestanten zijn tevreden dat te horen. Alle protestanten moeten mij de vrijheid laten af te vallen, de andere subgroepen samen vormen de meerderheid die hen daartoe "democratisch" dwingt.
Als ik echter schrijf dat ik (en dan spreek ik als wilde, vrije mens, als schepsel zouden degenen die in een scheppergod geloven zeggen) bedank voor het hebben van een ik, een speleridentiteit die zij met jij aanspreken, als ik mij als zodanig onaanspreekbaar verklaar, dan ontstaan er problemen.
Daarom doe ik dat ook alleen in alle stilte. Ik heb geen enkele reden om voorvechter te worden van wie dat (het speler‑zijn afzweren) doen en dan vernietigd zullen worden. Dommigheid is geen deugd, denk ik dan.
==//==
vervolg:
Het gaat hier om drie grootheden:
- iemand
- die ander(en) die hem raken
- wat die iemand kan doen (inclusief: kan leren) en naar believen ook kan nalaten.
Het gaat hier om wat die iemand naar believen kan doen en nalaten, wat hij nodig moet, dat telt niet mee in dit verhaal. Nodig moet een mens ademhalen, bewegen, eten, drinken, slapen, opletten, waakzaam zijn, zich verdedigen, vluchten of vechten, zich wassen, pissen en poepen.
Dat zijn bezigheden waarvoor uitspraken gelden als: 'als je moet, dan wil je wel; als je kunt dan moet je, als je klaar bent ben je bevredigd'. Het nalaten van een van deze dingen is uiteindelijk dodelijk en het is meteen al dysfunctie.
Over deze bezigheden gaat het hier niet.
Helaas gaat het wel ook over de vormen van deze bezigheden: het wat en hoe er gegeten wordt, hoe men slaapt, enz.. Er zijn boeken vol te schrijven over het eindeloze zich daarmee bemoeien en anderen daarmee vermoeien. Ooit, zo denken optimisten, zal er wel voor vrijwel al die verschillende vormen en gewoonten een objectieve reden zijn geweest en daarna werd alleen, te goeder trouw het doorgeven voortgezet van deze oplossing van een probleem als ware het een leefregel.
In feite is het zo dat de doorgevers op hun beurt dwingen en daarvan genieten doordat ze genieten van het uitoefenen van macht. Ooit gedwongenen vinden dwingen leuk om te doen, op hun beurt. Dat blijkt een regel te zijn, een soort natuurwet of zo. Er zijn uitzonderingen: wie "houdt van" oftewel "zich vereenzelvigt met" zijn of haar kind zal het niet dwingen of minstens van onvermijdelijk dwingen niet genieten. Maar wie doet dat nou?
Ik bedoel: "wie doet dat nou?" en niet: "wie zegt nou dat te doen?".
Ik wil het in dit stuk over dit HOE HET NODIGE TE DOEN niet hebben. Ook al is dat de inhoud van eindeloos veel dwingen en 'leren gehoorzamen'. Ik wil het er niet over hebben want wat ne hoe je ook at, je werd verzadigd, het eten was nodig. Uit verzet niet eten is ongezond voor een mens.
Terzijde: het is nog ongezonder wanneer je het je lichaam kwalijk neemt dat het groeit, sexueel‑volwassen vormen aanneemt en vet opslaat. Dan verzet je je niet tegen iemand anders die jou dwingt, maar tegen jezelf als schepsel. Jij als schepsel bent de oorsprong van dat zo groeien en van het verzet tegen bevolen worden. En als je je tegen iets van jezelf als schepsel gaat verzetten is dat jezelf stukbreken. In dit voorbeeld komt dat verzet voort uit jouw afkeer van en afweer tegen de reactie van anderen om je heen op dat groeien, dat gaan vertonen van secundaire geslachtskenmerken en dat opslaan van reservevet. Verder dit zijpad ingaand, maar het moet vermeld: inderdaad is niet alle vet reservevet, maar dat andere vet zou bij voldoende bewegen niet ontstaan. Overigens is ook het ontstaan van reservevet al een kunstmatig gevolg van het gemakkelijk aan eten komen, maar moeilijk aan nuttig‑nodig‑zinnig bewegen. In zijn vrije tijd mag iedereen nutteloos, onnodig, zinloos bewegen, sporten bijvoorbeeld, dat is: de hier centrale afgod van de competitie dienen.
Terug naar het hoofdbetoog:
Het gaat hier om dat wat die iemand 'vrijelijk' , naar believen, naar willekeur kan doen of nalaten.
Iemands doen of nalaten van iets (van enig handelen) heeft gevolgen voor die anderen die hem raken. Het heeft waarschijnlijk ook gevolgen voor derden en voor die iemand zelf.
Degenen die deze iemand raken zullen sommige van die gevolgen voor hen opmerken en /of verwachten. Ze zullen voordelen begeren en die via het belonen van die iemand voor zijn doen c.q. nalaten waarschijnlijker trachten te maken. Ze gaan hem africhten tot iemand die hen voordeel oplevert en nalaat hen nadeel te berokkenen.
Als dit africhten planmatig gedaan werd en er degelijk boek van werd gehouden, dan zouden wij allen nu kunnen nalezen hoe we aan onze gewoonten waren gekomen.
Nu vinden we niets terug van daders en van werkwijzen, maar wij weten toch dat dat africhten gebeurd is, gedaan is.
Deze tekst gaat er nu over dat ik dat africhten weliswaar niet kan achterhalen, kan reconstrueren, maar dat ik weet dat ik afgericht ben. Het africhtingsresultaat is de buitenkant van mijn persoonlijkheid. Ik zie die buitenkant als het maaksel, het resultaat van die anderen. Zij zelf zullen ook graag met die toeschrijving instemmen, zodra ze iemand het zo‑maken / zo‑worden van mij verdienstelijk horen noemen. De opvoeder legt gaarne eer in met 'zijn' succesvolle leerlingen/pupillen.
In deze tekst stel ik dat ik niet ga 'staan' voor dat resultaat.
De opvoeders vormen zich niet zozeer een beeld van hun
leerlingen, ze vormen meer een pak verlangens jegens die leerlingen en die verwachtingen zijn eisen. Voor en tijdens het opvoeden zijn er hoop en verlangen t.a.v. het gedrag dat men later verwacht en eist.
Centraal is dat je als kind vaak niet de gelegenheid krijgt om met spul, met dingen en met andere levenden zomaar op eigen initiatief en voor eigen risico om te gaan, 'te spelen', proberend, verkennend, onderzoekend te doen en na te laten.
De dingen en het spul worden, ‑ ze zijn immers bezit ‑, beschermd, soms de levenden ook, maar in ieder geval wordt je als kind beschermd tegen die levenden die andere mensen zijn en van jou af moeten blijven, jij bent immers hun bezit niet, maar het bezit van je ouders en aan jou zitten is het voorrecht (zogenaamd de taak) van je opvoeders.
Zo wordt het gehoorzamen in de situatie van het kind gebracht.
Het tot gehoorzamen brengen, het aan gehoorzamen wennen, dat is het centrale in het omgaan met wie wordt geciviliseerd, opgevoed, gesocialiseerd, afgericht, 'gebroken' zoals men het bij een paard noemt: gebracht tot en gewend aan het zich laten gebruiken.
Ik heb ook leren gehoorzamen. Ik ben niet gebroken, dat niet, maar ik ben wel bang gemaakt. Niet thuis, wel op school en buiten school door de leeftijdgenootjes. Ik heb weinig te klagen, het is voor mijn gevoel goed met mij afgelopen, daar gaat het niet over.
Het gaat er over dat men als men mij aanspreekt ervan uitgaat te doen te hebben met dat beangstigingsresultaat dat zogenaamde opvoedingsresultaat. Nou ik wil gewoon even uitschrijven dat ik weliswaar veel gewoonten en vermijdingstendensen heb, maar dat ik daarvoor niet 'sta'. als iemand ze onbenullig of fout of mooi of goed of wat dan ook vindt, dan vindt hij niet MIJ onbenullig enz.. Dat aangeleerde is het enige dat ik als gereedschap beschikbaar heb in het omgaan met mensen en zaken. Andere dingen (vaardigheden, invallen, woorden, begrippen) dan die ik heb aangeleerd weet ik niet, kan ik niet.
Jammer nou, tijdgenoot die met mij in aanraking komt, maar wij, jij en ik, wij zullen het er mee moeten doen. Ik hecht aan wat ik aangeleerd heb evenmin als aan wat jij aangeleerd hebt.
PAS OP ! BEELDSPRAAK !
Wat jij aangeleerd hebt is de mantel die anderen jou omgehangen hebben, wat ik aangeleerd heb is de mantel die weer anderen mij omgehangen hebben. En als we elkaar echt willen zien zullen we die mantels uit moeten doen.
Fout, ander beeld. Maar nog steeds een beeld:
Het aangeleerde is op te vatten, is in een beeld te vatten, als tatouages. Oppervlakkig, pijnlijk bij het aanbrengen, niet of nauwelijks, in ieder geval slechts met nieuwe moeite en pijn te verwijderen.
Ik zeg: ze zijn op mij onder dwang aangebracht, ik schaam me er niet voor, ik ben er niet trots op, ik heb er niets mee te maken nu. Ik wens er niet op beoordeeld te worden.
Drie beelden:
- gereedschap
- mantel
- tatouage.
In hoeverre is 'gereedschap' hier een beeld? Niet in zo erg verre. Ik heb niets met die onnodige geluiden die ze 'muziek' noemen. Ik heb nooit leren dansen, zelfs niet ritmisch of zo bewegen. Prietpraat valt me gewoon niet in. Ik heb geen smaak en geen stijl. Kortom, ik ben niet alleen niet professorabel, ik ben zelfs voor cafe en feestzaal ongeschikt. en voor alles wat tussen universiteitsaula en kroeg in te rangschikken is ook.
En het zal me een zorg zijn.
Het is hun wereld, niet de mijne.
Dat is wat ik hier uit wil schrijven.
0 Reacties