Wat doe ik nou eigenlijk? (2002)

Categorieën: 2000, 1 januari – 2004, 31 december | Archief

Trefwoorden: autobiografische notitie | civilisatie | Thatcher

Jaap Schot, 28 april 2002

Het is na zo’n jaar of vierentwintig weer eens tijd voor een opstel van deze titel en inhoud. ‘Wat doe ik nou eigenlijk?’.
Waar ben ik nu gekomen, meegedreven met de stroom? Meegedreven, want ik heb me er niet tegen verzet, niet dat ik mij herinner. Ik heb ook niet extra gezwommen om sneller of in een andere richting te gaan, want ik zou niet weten hoe ik deze of gene richting zou moeten waarderen (toejuichen of afkeer voelen).
========
Het lange opstel van 1978 schreef ik toen ik nog volop werk had. Werk had ik omdat dat (werk hebben dus) vanzelfsprekend was en is in deze civilisatie. Ik werd in de loop van mijn jeugd voorzien van de bijpassende onuitgesproken vooronderstellingen die de propaganda toen nog verspreidde. Dat waren de stellingen
1. dat er een ‘samenleving’ was en
2. dat die ergens aan bezig was en
3. dat iedereen (dus ook ik) daarin een plaats had en
4. meedeed aan hetgeen gedaan werd en wat dus blijkbaar nodig en nuttig was.
=======
Pas lange jaren nadat ik was ontslagen wegens oninzetbaarheid daagde bij mij het inzicht dat de huidige propaganda rondbazuint:
1. er is niet zoiets als een samenleving (Thatcher),
2. de mensen zijn niet aan het nodige en/of nuttige bezig, maar met elkaar in gevecht om wie zich het meest toe zal eigenen, wat dan zijn rang bepaalt,
3. binnen dat gevecht dwingen wie bezitten wat een ander verlangt te hebben deze ander tot kunstjes doen, wat ‘werken voor de kost’ heet,
4. dat nodigs dat moet worden gedaan wordt als 1. storend of als 2. middel tot het doel ‘rangschikken’ opgevat en noodgedwongen aanvaard, als enigszins zekere werkgelegenheid zelfs gewaardeerd.
=========
Nu er geen gezamenlijk doel (of doelenpakket of ‘project’) blijkt te zijn, is het ook niet mogelijk daaraan bij te dragen en zodoende binnen de wereld zinvol ingeschakeld te zijn.
Anderen laten horen wat je ontdekt hebt is geen helpen en bijdragen, maar vechten om aandacht. Er is ongetwijfeld een gehoor te vinden, maar dat moet wel veroverd en niet slechts gezocht worden. Genadiglijk en/of uit op eigen voordeel en/of op eigen probleemoplossing, zal men mij dan aanhoren. Zo drong tot mij door.
Dan hoefde en hoeft het dus voor mij niet, omdat ik al een inkomen heb, waar ik bij mijn manier van leven genoeg aan heb. Ik werd en word niet gedwongen te vechten (om aandacht), geen concurrentie en zeker geen competitie.
=======
Nu mijn relatie tot ‘de maatschappij’ (die in de propaganda ‘samenleving’ heet, maar bleek dat niet te zijn: vechtende legers of vechtende enkelingen kan men niet als samen bezig opvatten). Deze relatie veranderde door dat inzicht. Ik heb er alle belang bij dat die uitkering voortduurt, want al kopend zet ik die som geld om in een stroom goederen en diensten uit die massa in gevecht (in concurrentie als ze ondernemen en in competitie als ze zich rangschikken naar kunnen om zich te laten gebruiken, met andere woorden: om werkgelegenheid te kunnen ‘consumeren’). Belang hebben leidt tot medeplichtig zijn aan alle gevechtshandelingen (inclusief oorlogsmisdaden) binnen en door de subgroep (in dit geval ‘de Nederlanders’) en hun bondgenoten. Aan dit onvermijdelijke hecht ik geen gewicht. Ik zou aan dat gewicht kunnen gaan tillen, zoals een dwaas kan gaan tillen aan een alp.
======
Ik geef nergens meer om.
Het is hún wereld, niet de mijne.
Waar anderen al met zo velen mee en aan bezig zijn, lukt hen zo wel of met mijn hulp ook niet.
Ik wil alleen begrijpen wat er aan de hand is in mijn omgeving, wat geen tweehonderd jaar geldig is, is de moeite niet waard om te doordenken. De actualiteit is een illustratie. Het huidige gebeuren is als een voorbeeld op te vatten of het opmerken, (exacter: het verwerken) niet waard.
Als ik niet publiceer en communiceer, hoef ik ook niet te malen om leesbaarheid en verstaanbaarheid. En ik hoef geen persoonlijke (in tegenstelling tot op de zaak of op te begrippen betrokken) tegenwerpingen te verwerken.
=========
Zo alleen levend, moest ik voorzien in
1. een IK in onderscheid van mijn apperceptieve massa, die immers een neerslag is in mij van die genoemde wereld,
2. een alwetende, belangstellende Ander buiten de mensheid, die mij verstaat en beluistert en vreugde schept in mijn actie: het nastreven van mijn project: ‘begrijpen’,
3. voor mij te horen tekst die de juistheid van mijn vooronderstellingen verwoord, wat voor gelovigen de gemeenteleden/geloofsgenoten en de predikanten doen.
Samenvattend: een vrij IK, God en een eigen bron van stichtelijke tekst.
========
Dit alles zonder een zweem van geloven in de begrippen die ik gebruik. De begrippen waar de anderen mee bezig schijnen te zijn leiden in ieder geval tot nu toe tot wat er is. Tot wat er gebeurt, want alles wat zogenaamd bestaat blijkt in verandering te zijn en dus eigenlijk een gebeuren, hoe traag ook soms.
========
Ik hoef niet te streven, maar ik heb mijn project en verveel me dus niet. Het voorkómen dat ik mij verveel is zo noodzakelijk voor mij als eten en slapen. Vooral omdat ik mijn project in mijn eentje (solitair) blijk te moeten uitvoeren. Elk verlangen naar het delen van mijn project is weg, vergaan, verdwenen. Het hoeft niet meer. Ik hoef niet meer gehoord (gelezen) te worden.
Mijn leven en streven en presteren hoeven geen ‘zin’ te hebben, er is geen kader voor nodig, naast die gepostuleerde God en die met mijn geestesoor gehoorde bevestigende tekst in mij, die door mijn tekstaanmaker wordt geproduceerd en die ik uitschrijf om duur aan het ‘klinken’ ervan te geven (te verlenen past hier mooi, als term).

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *