Wat is het nut van tegen de storm in blazen?

Categorieën: 2005, 1 januari – 2009, 31 december | Archief

Trefwoorden: publiceren | txaenz

Jaap Schot, 1 juli 2006

OVER PUBLICEREN

  1. Míjn woordbegripcombinaties zijn eenmalig, puur enkel en alleen de mijne. Die unieke wbc’s zijn dan ook nog eens onderling verbonden op unieke wijze ( niet ‘met een unieke techniek’, is bedoeld). Mijn woorden zijn uitspreekbaarheden die ook door anderen als woord in gebruik zijn, als klankgeheel bij een ‘begrip’ van hén. Txaenz is nog geen woord, omdat (respectievelijk zolang) ik het als enige gebruik. Maria heeft het ooit gebruikt, nu gebruikte Jan het gisteren weer in een e-mail. Het begint dus te komen, een woord te worden.
  2. Eigennamen zijn heel duidelijk als voorbeeld: hoor je een eigennaam, dan is het normaal dat je (omdat je waarheid moet spreken) moet zeggen: “die ken ik niet”. Van wie je wél kent, heb je jóuw beeld. Ieder ander heeft van de drager van die eigennaam een verschillend beeld, dat ook weer van het jouwe verschilt. Geen twee van die beelden zijn gelijk. Iedere keer als de naam gehoord wordt, roept die naam in de hoorder díens beeld van de genoemde wakker, brengt een ander beeld voor zijn geestesoog, dan voor het mijne, een van de mijne verschillende verzameling gevoelens en associaties. Zo’n verzameling gevoelens en cognitieve, gekende, associaties is het, die we, als we ze begrijpen (begripsmatig verwerken) ‘gedachten’ noemen en daarbij kan onze tekstaanmaker tekst kan aanmaken, die ons invalt.
  3. Mij valt dan mijn tekst in. Die tekst wordt mij als eerste bewust, tenzij mijn gevoelens sterker en dus vlugger zijn. Soms blijft tekst uit, mij valt dan bij die eigennaam niets in. Gevoelens brengen het heel zelden tot ‘kanaal voor txaenz’, dus tot bewustzijnsvulling, bij mij. Ik heb een hekel aan gevoelens. Daarom is dat gevoel van ergernis zowat het enige dat toegang heeft tot mijn bewustzijn. Het zit in de gevoelshoek van het beeldscherm van mijn bewustzijn de andere gevoelens weg te houden.
  4. In de keuze van lovende, bewonderende en lakende woorden, scheldwoorden, zijn gevoelens in publicaties te vinden. En in de keuze van de verhalen waarmee over de onderwerpen wordt gesproken. Het schijnbaar niet te onderdrukken beoordelen, veroordelen en rangschikken, bijvoorbeeld, dat is allemaal gevoel. Dat zegt allemaal iets uit over wat er aan aanmakende sporen van zijn verleden in de publicist (schrijver, spreker) aan het werk is: zíjn apperceptieve (hier vertaald als aanmakende) massa aangeleerds (ama), die eenmalig en toevallig is, net als zijn genencombinatie.
  5. Als ik iets tegen iemand zeg, een lezing houd of publiceer, doe ik alsof ik iets te melden heb aan die ander(en). Wat zouden die anderen nu kúnnen doen met de geluiden die ze (rechtstreeks of door te lezen) horen? ‘Horen’ in de betekenis van in aanraking met hun ama laten komen, in plaats van ‘het ene oor in, het andere oor uit’, laten gaan. Er aandacht aan besteden, in plaats van afdwalen.
  6. Wat zouden die anderen nu kúnnen doen met de geluiden die ze (rechtstreeks of door te lezen) horen? Ze kunnen niets kiezen, of ze iets doen, nee: er gebeurt iets, of er gebeurt niets. Wat ze kunnen nálaten is het verhinderen dat er iets kán gebeuren, dat het horen kan gebeuren: ze kunnen die luidsprekertjes uit hun oren doen. Ze kunnen naar mijn mond kijken, maar als ze me horen en luisteren, dan levert dat hen nog niets op als ze Japanners zijn, die geen Nederlands kennen. Mijn woorden zijn voor hen puur klankblokjes. Klankblokjes, die niets in hen wakker roepen.
  7. De geluiden zijn mijn geluiden, die mijn tekstaanmaker maakt bij wat míjn aandacht heeft (getrokken en gekregen): mijn onderwerp. Het gáát nu hier ergens over, mijn denken (--> mijn uitgeschreven tekst). Maar daar waar de lezer eventueel ooit leest, is dat onderwerp daar dan, de lezer gegeven, voor de lezer te vinden, zodat hij er zijn aandacht bij kan brengen en wat ik hier nu uitschrijf kan ervaren als ware het daar dan uitgesproken bij HET onderwerp?
  8. In het hoofd van die ander lokaliseren wij het denken, dat voor ons verborgen is, dat echter (in het spraakgebruik) verondersteld is “achter” het spreken, dat wij horen en zien gebeuren, dat ons ‘gegeven’ is. Wie is de gever? Verkeerde vraag: “wie zijn de gevers?”, dát is de juiste vraag: God, de schepper gaf ons de werkende zintuigen en de ander die spreekt laat dat spreken niet na, terwijl wij allen uit ervaring weten dat ‘je’ je mond kunt houden, de tekst die je invalt ongezegd, ongenoteerd en ongepubliceerd kunt laten. Dat wij allen schrijft en leest moeiteloos weg, maar maakt van deze uitspraak verwerpelijk ondoordacht gefilosofeer: ik ken het feit dat ik vaak mij invallende tekst niet uitspreek, júist als de in mijn visie erbij betrokken ander aanwezig is.
  9. Uit het bovenstaande blijkt dat ik niet bezig ben mijn lezer/ hoorder te bespelen als een gevoelsorgel en ook niet geneigd ben zijn aandacht te trekken, ik bespreek gewoon dát onderwerp waarop men het etiket ‘communicatie’ heeft geplakt.
  10. Voorondersteld in het bovenstaande is dat ik evenmin met de ander een ken-eenheid kan vormen als dat ik met een ander een ademeenheid, een eeteenheid of een drinkeenheid kan vormen. Iedereen moet zelf zijn omgeving kennen (<-- verkennen), zelf eten, zelf ademhalen, zelf drinken. Daartoe, tot dat zelf bezig zijn voor ons eigen welzijn en voortduren hebben wij onze organen en onze txaenz.
  11. Wij kunnen geen eten, geen drinken, geen adem en geen kennis overdragen. Alle kunst en vliegwerk van ziekenhuis en EHBO ten spijt, LEVEN doet iedereen zelf.
  12. Het horen van tekst is het krijgen van informatie, het is alleen t.a.v. van het feit dat je daar iemand ziet en hoort spreken kennis nemen. Nog indirecter is het nu met radio, televisie en internet. Het is allemaal net echt, maar restloos: niet echt. Ik heb horen vertellen over Napoleon. Dat herinner ik me. Of Napoleon ooit geleefd heeft, dat heb ik nooit geweten, dus dat kan ik me ook niet herinneren. Het is hoogst kwalijk als ik dat aan kinderen suggereer, dat geleefd hebben van die man herinner, een suggestie die bij kinderen kan optreden. Men laat kinderen spreekbeurten houden en hen daarvoor informatie van het internet plukken. Dit is dus de africhting van slaven in plaats van dat klassikaal ‘ik zie een scheur in het behang’ zeggen à la Herbart. Elk kind in die klas spreekt bij wat het ziet. Het meldt. Het LEEFT. Het blinde kind mag niet meedoen, want het ziet niet. Daar is de meester streng in.
  13. Het moderne spreekbeurtkind moet (veel erger dan mág) spreken over wat het niet kent, maar slechts navertelt. Dat kind ontkomt dus niet aan zijn status van vee. Dat kind is een biologisch geproduceerde robot-computer, een tijdelijke oplossing voor het probleem van ‘in txaenz voor onze industrieën voorzien’, tijdelijk, tot de robots gemaakt kunnen worden, die deze uiterst storingsgevoelige biologische rommel kunnen vervangen.
  14. Dan zal ook de tijd komen dat de scholen alleen nog selectie-instellingen zijn, waar de Eensteentjes worden uitgezocht en de rest weggegooid, het de moeite van robots maken niet waard zijnde werk en de prostitutie in.
  15. Een ‘filosofisch of metafysisch stelsel’, zo’n product van iemand uit het filosofendorp, zie Störig, is een vakjesdoos, zoals voor luxe koekjes en bonbons in de desbetreffende geschenkenwinkels te vinden zijn. In die vakjes moeten feiten passen, daartoe worden die feiten zo nodig op maat gesneden. Procrustus heette die man. Störig vertelt van vele filosofendorpsbewoners dat ze dat overduidelijk gedaan hebben. Die stelsels zijn surrogaten voor de leer van de roomse kerk. Dat verklaart waarom er in het westen zoveel van geproduceerd werden en worden. Ze blijven rooms van vorm, willen alleen die inhouden niet aanvaarden en maken dus een alternatief voor de rooms gelezen, dus als natuurkunde en ‘waar gebeurde geschiedenis met metafysische bovenbouw’ opgevatte bijbelinhoud. God wordt vervangen door krachten, die doen, dat soort geneuzel. In plaats van theorieën als gereedschap om te onthouden en te verwachten op te vatten en dus helemaal geen psychische !!! behoefte aan omvattende theorieën te voelen. Ze willen die Ene god en zijn wil. Totaal onnodig voor wie niet rooms is afgericht. Let wel:, ik bedoel: kijk, de roomse manier van heerserskennis formuleren is door de meeste protestanten niet volledig onderkend en verlaten. Het protestantisme is nu overigens helemaal dood, nergens wordt meer met inzicht tegen de paapse bijgelovigheden en machtspolitiek geageerd. Ze zitten samen in de christendemocratie, waar zelfs mohammedanen in welkom zijn. Dat is geen integratie mensen, dat is wat bij lijken ook gebeurt: het wegvallen van harde, duidelijke onderscheidingen en structuren, dat is ontbinding, geen integratie, het lijk is dood en desintegreert.
  16. Tot diep in de 19de eeuw hebben de inwoners (mannetjes) van het filosofendorp elkaars dozen tot onderwerp van verbetering en vervanging genomen. Omdat het hebben van een eigen doos voorwaarde was om in het dorp te mogen wonen. Daar in wonen betekende: een hoge status, aanzien, hebben bij de buitenlui. [Later kreeg iedereen zijn eigen filosofie, dat was ten aanzien dáárvan de democratisering: het naar beneden doorsijpelen van alles wat status gaf, in verkleinde vorm.]
  17. In de 20ste eeuw kwam toen de beweging op die wederom kritiek ging leveren op het aanmaken van zulke vakjes. Wederom, want Locke had dat al eerder gedaan en hij was vást niet de eerste. Als ‘je’ dat aanmaken van woordbegripcombinaties aan zorgvuldige analyse onderwerpt, dan verhinder je het aanmaken van zulke dozen (metafysische stelsels) op dezelfde doeltreffende manier als de Joden het geneuzel over heidense goden (afgoden) hebben teniet gedaan door wat ze er in de bijbel over schreven. Op een doelmíssende manier dus. Het helpt niets. En waaróm niet? Antwoord: omdat je alleen het filosofendorp plat bombardeert. Er komen geen grote stelsels meer, maar er komen wel duizenden picostelseltjes, van van die picodenkertjes, die hun eigen filosofietjes aanmaken. Nu ja, aanmaken, ze maken ze, als evenzovele Robinsons van wrakhout van die grote stelsels. Schoolvoorbeelden zijn te vinden in de blaadjes van De Vrije Gedachte en vast ook in vele, vele andere publicaties.
  18. Voor de wetenschap van tegenwoordig is geen theorie waardig. Nee, het is een stuk gereedschap, verder niets. Goed, naarmate het onthouden van de gevonden feiten en regelmatigheden er makkelijker mee wordt en het verwachten er niet mee mis gaat. Zodra er een logisch afgeleide verwachting niet uitkomt, wordt de theorie veranderd. Alleen als de wetenschap door slaven in een onderneming bedreven wordt, wordt Contergan™ (talidomide?) verder op de markt gebracht, want de onderzoekskosten moeten er uit komen. Dan maar baby’s zónder armpjes, je kunt niet alles hebben. We doen gewoon alsof we die niet hoeven te verwachten, hoewel uit onze proeven blijkt van wél.
  19. Wetenschappelijkheid is een mentaliteit en onverenigbaar met als vee gebruikt worden. Denk ook aan ‘klokkenluiders’. Voor de vrije medemens geldt: waarschuwen MOET. Geen spatje waarheid mag geheim gehouden worden, want geheim houden is een handeling die de vrede verstoort, ja teniet doet. Ja, maar, er ís geen vrede. O.K., zég dat dan. Zeg dát dan. Als dat waar is. Maar dat feit ként iedereen al. Is dat zo? En wat dan van die ontelbare onweersproken uitspraken, die de stelling dat er vrede is, impliceren?
  20. Het gesystematiseerde, het binnensoortelijk parasiteren plus rangschikken, dat deugt niet. Dus deugt het bemannen en soepel draaiende houden van het systeem niet. Zelfs het dulden deugt niet.
  21. Waartoe zou ik gaan deugen, gaan roepen waar iets te melden valt, gaan publiceren? Wat is het nut van tegen de storm in blazen?

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Categorieën in Jaap’s teksten

Recente reacties