Jaap Schot, 12 december 2001
DE OORSPRONG
Nadat Maria was doodgemaakt door een chirurg moest ik er over nadenken: ‘Wat is waar omtrent sterven?’. Er is IEMAND dood, wanneer er iemand geleefd heeft en nu niet meer.
Er zijn twee uitspraken die zich opdringen aan mij als gebruiker van onze tweedelige taal:
- wie niet meer leeft is kapot, er is een ding niet meer ‘heel en in werking’, en
- wie niet meer leeft is dood, er is IEMAND gestorven, er is een lichaam ontzield, de levensgeesten zijn geweken.
Naamloze ideeën kregen namen
In den beginne, eerst dus, waren er de naamloze ideeën – leven, IK, God bijvoorbeeld – en er werd mee gedacht en er werden woorden en zinswendingen mee aangemaakt. En het in gebruik horen daarvan gaf ze een plaats in de taalgebruiksgewoonten. En ze plantten zich voort van de ene spreker naar de andere en van de oudere taalgebruikers op de jongere.
Nu zijn er namen voor die ‘dingen’: ideeën, geesten (inspiraties), memen.
Er ‘ontstonden’ zeer, zeer veel van die ‘ideeën’ enzovoorts. Wat ik nu in deze opstellen ‘de oude taal’ noem, zat en zit er vol mee, boordevol, overvol.
De 'nieuwe taal' en haar eisen
En er kwam een reactie op het gebruiken ervan, de reactie die we als ‘de opkomst van de moderne wetenschappelijkheid’ kunnen betitelen. Daaraan zit ‘de nieuwe taal’ vast: het spreken bij dat buiten het denken brengen van die ‘ideeën’ enzovoorts.
Om met de nieuwe taal besproken te kunnen worden, moeten onderwerpen voldoen aan de eis dat ze bestaan. En dat houdt in dat ze voor spreker en hoorder waar te nemen en te bestuderen zijn, tijdelijk plaats innemen en iets wegen. En die onderwerpen en/of de instrumenten waarmee ze worden waargenomen, moeten te hanteren zijn. Zo ongeveer zijn de eisen.
En de uitspraken die over die onderwerpen gedaan worden, moeten dan altijd en overal de juiste verwachtingen opleveren voor iedere gebruiker. Die uitspraken zijn afzenderloos en ongeadresseerd, tot niemand gericht.
0 Reacties