Jaap Schot, 13 oktober 1986
Als we de samenleving opvatten als een door wat de mensen uit gewoonte voor zich (laten) doen gevormde onstoffelijke structuur, in een beeld: als een mechaniek met radertjes en een vliegwiel, dan gaat het er mij hier nu even niet om
- dit mechaniek te helpen vernielen (destructie, bijvoorbeeld met zand tussen de raderen), of
- het te helpen afremmen door het verminderen van de begeerten die als koopkracht het vliegwiel aandrijven, of
- het te helpen aandrijven door het bedenken van nieuws dat het kan verwerken, nieuwe technieken, nieuwe beschrijvingswijzen, nieuwe vormen van vermaak, nieuwe bronnen van zintuigelijke prikkeling.
Ik wil zien of er een mogelijkheid is om buiten het systeem, buiten dit mechaniek, buiten deze samenleving, te zijn. Dat kan zijn gedurende slechts een deel van mijn tijd, met slechts een deel van mijn aandacht, slechts mentaal als het niet ook fysiek kan. Dat weet ik allemaal nog niet van tevoren.
Wat rest er na het analyseren, in beeld brengen, begrijpen en bespreken van het systeem, het mechaniek in kwestie?
Het stellen van deze vraag houdt een veroordelen, een afwijzen van het systeem in. Dat afwijzen is even dom en onzinnig als het afwijzen van de manier waarop het leven op aarde, de ecosystemen, de omgang tussen de individuen en soorten in de levende natuur door wie ze bestudeert, worden aangetroffen. Er wordt geconcurreerd, gedood, in de schaduw gesteld, uitgehongerd enzovoort. Als een soort een gebied, een niche als gespecialiseerd bezet houdt, is dat niet op basis van welwillendheid van alle andere soorten, maar op basis van specialiserende zelfverandering van die soort.
Binnen soorten kan er ooit wel enige verdraagzaamheid zijn, maar het elkaar op een afstand, buiten het eigen territorium houden, is gebruikelijk. Kortom: men kan ook tegen het in de natuur gegevene nog zonder enige instemming staan.
Het is niet moeilijk in te zien dat van ons geen mening wordt gevraagd. Noch over dat wat de natuur ons doet aantreffen noch over wat in de geciviliseerde wereld ons verschijnt. Wij zijn scheppers noch onderhouders van wat wij als gegeven aantreffen. Of dat nu door niemand, door een god, of door al of niet reeds dode mensen, gemaakt is.
Er wordt ons geen oordeel gevraagd en geen stellingname. Het feit dat wij het een en ander nodig hebben en dus, gezien het zo zijn van onze omgeving het een en ander voor ons moeten (laten) doen, maakt dat we een deel moeten nemen van de opbrengst van het systeem: van de natuur en/of van de samenleving. De structuur van het systeem maakt dat wij al deelnemende ook bijdragen, al consumerende ook produceren. Een zekere mate van parasitisme is mogelijk, dat blijkt uit het uitsterven van het natuurlijk milieu en uit de corruptie van de samenleving. Let wel: tot die corruptie behoort niet het ongelijk verdeeld worden/ raken van alles wat bezeten (= tegen het benut worden door anderen, verdedigd) kan worden. Dat ongelijk verdelen is een doel van het spel dat 'civilisatie' heet en dat mede om aan volledig functioneren toe te komen, gespeeld wordt door de ingezetenen, die niet langer de nodige prikkeling opdoen in het nemen/ verkrijgen van wat ze nodig hebben.
Zich afkeurend opstellen tegenover het systeem van de natuur en/of tegen het systeem van de civilisatie, is een vreemd zichzelf verheffen boven en/ of mentaal zich stellen buiten dat wat is. De levende natuur en de samenleving zijn strijdende systemen. Het lijkt er op dat de natuur verliest. Ze werd aangevallen, minstens zwaar verziekt, gewond en gedeeltelijk vernietigd.
Onontkenbaar leef ik van beide, via de distributie van dat wat de samenleving ontnam aan de natuur. Ik lever(de) mijn bijdrage aan het voortbestaan van de samenleving in de bestaande, evoluerende, procesgewijze anders wordende, niet planmatig door mensen veranderd wordende structuur.
Wat rest er na, en naast, dit beseffend voortbestaan? Dit voortbestaan zonder verzet en zonder streven naar meer invloed, het hebben van meer gevolgen dan vanzelf voortvloeien uit het zelf nemen van wat nodig is voor eigen leven en gezondheid, voor eigen aanwezig zijn, eigen volledig, lustbelevend, biologisch functioneren. Als lichaam en als geest, bewegend en handelend, respectievelijk kennend, wetend, doordenkend, waarnemend, opmerkend, gewaar, bewust, begrijpend, besprekend.
Eigen aanwezig zijn zonder zich onnodig te laten gelden, zonder onnodig te willen meetellen, zonder zich met anderen onnodig te willen meten en zonder te willen vergelijken: wat dan ook met wat dan ook.
Wat rest er voor het rustige, onopgejaagde verstand?
Dat is mijn vraag hier nu.
0 Reacties