Wat voor mijn conceptie was, is niet van invloed geweest op mij

Categorieën: 1986, 1 april – 1989, 31 december | Archief | Overige teksten

Trefwoorden: onbewerkte versie

A>b:

B>type kentaal.txt

.pl60

.op

.mb0

.mt2

.hm1

.he                 file kentaal.txt / schijf rood 5 / blz. #

23 mei 1987

 

Wat voor mijn conceptie was, is niet van invloed geweest op mij en zal nooit

van invloed worden. Om van invloed te zijn op mij moet iets hier en nu mij

raken.  Alles wat ik nog meer als op mij van invloed beschouw, opvat, meen te

herkennen is een hersenspinsel. Het is gewoon niet waar dat wat voor mij was

mij raakt of raakte, mij iets deed.

Ook de taal (de grammatica- en woordvormingsregels en de woordenschat) leerde

ik, is niet onverbrekelijk met mij als levende hardware verbonden. Ik zeg 'ik'

tegen mezelf als lichaam met een beschrijfbaar geheugen. Iedere dag wordt er

een 'krant' op mijn geheugen 'gedrukt', een dagblad. Wat ik me kan herinneren

aan weten en aan kunnen is mij geworden tijdens mijn leven, is software, ik

kan het ook weer vergeten, kwijtraken. Het gaat met mijn dood weg.

In de begrippenverzameling, begrippenapparatenverzameling, die de taal is,

zitten ervaringen van vroegere taalgebruikers verwerkt, zo, via de taal en

niet via de genen komt er iets uit het verleden tot mij. Naast de goede wil en

de zorgzame overdracht van opgemerkt wetenswaardigs is het ook de heerszucht

der voorvaderen die mij bereikt via de taal die mij thuis, buitenshuis, op

school en in boeken werd geleerd .

Als ik mij dus wil bevrijden van die heerszucht van lui van voor mijn tijd en

van mijn tijdgenoten, moet ik met daartoe de taal eigen maken als

productiemiddel, niet als kant en klaar product.

Ik moet tot mij door laten dringen dat de taal woordvormingsregels heeft en

niet een afgesloten, eindige voorraad woorden, een woordenschat, waarvan ik

dan een deel actief, een ander groter deel passief gebruik en de meeste niet

gebruik.

Zo moet ik ook de taal opvatten als een verzameling begrijpapparaten, niet als

een voorraad geopenbaarde of door deskundigen gevonden (ontdekte, alsof ze er

al lagen) warheden. Ik moet inzien dat die begrijpapparaten menselijke

maaksels zijn, dat ik zelf ook nieuwe kan maken en dat ware uitspraken iedere

keer opnieuw moeten worden aangemaakt, vers, door iedereen opnieuw, deze

apparaten gebruikend op de hem gegeven werkelijkheid, deze werkelijkheid

begrijpend.

We leerden woorden, we leerden begrippen, we leerden daardoor de werkelijkheid

om ons heen zo en niet anders begrijpen en op grond van dat begrijpen:

indelen, beoordelen en behandelen. Zo, via de taal bereiken ze ieder van ons,

de bemoeiallen uit het verleden, de machtswellustelingen en regelneven van

voor onze tijd.

Wie zich ertoe beperkt nieuwe informatie toe te voegen aan wat er doorgegeven

kan worden, laat de doctrines, de dwingende suggesties in de taal verpakt,

onaangeroerd voortbestaan, laat ook zijn jongere tijdgenoten teisteren door

wie al lang dood zijn. De natuur heeft haar best en haar deel gedaan: Hitler

en Dzengis Khan zijn even dood als vereerde dwingers van later levenden zoals

Plato en Hobbes en als die anderen die in de taal en daarlangs in het

bewustzijn van de nu levende na-denkers voortwoekeren met hun onwaarheden.

 

Ik ben iemand die (vanuit en door zijn brein, op het beeldscherm ofwel uit de luidspreker in mij) zijn

bewustzijn met tekst gevuld krijgt. De suggesties uit de taal moest en moet ik

dan ook met veel tijd, aandacht, energie en vaardigheid tenietdoen omdat ik

niet wens te worden beinvloed door heerszuchtige lui (die al dood zijn of om

mij heen niet zelf, maar tweedehands leven). Dwalen is het wat doet wie

kritiekloos dat wat hem invalt aan tekst opvat als zijn mening, zijn vondsten,

alleen omdat hij niet citeert, niet uit zijn geheugen navertelt.

De taaltoepassingsproducten (de gevormde woorden, de uitgewerkte en tot

standaard, gewoonte, confectiebegrijpapparatuur gemaakte beelden en wijzen van

spreken en bespreken) die wij leerden suggereren het bestaan van IETSen

(organisaties, de samenleving) en andere hersenschimmen (goden, kabouters,

standen, rangen, belangen, verhoudingen) en de alom-toepasbaarheid van in

werkelijkheid zeer plaatselijk geldige schema's als middel-doel en oorzaak-

gevolg. Al die ingebouwde suggesties zijn al lang geleden door anderen (Jezus

van Nazareth en Immanuel Kant bijvoorbeeld) ontmaskerd, maar dat is niet

genoeg geweest, ieder van ons moet volstrekt opnieuw beginnen met het zuiveren

(louteren) van wat hij aan taal geleerd heeft.

Ieder van ons moet zich in directe aanraking brengen met wat hem raakt en

gegeven is, directe aanraking in tegenstelling tot in aanraking via de

aangeleerde taal die hem juist deze tekst erbij doet invallen. Via die taal

spreken die lijken in hem hun woord mee, dat moet ieder van ons, levenden,

zelf beseffen en al of niet aanvaarden. Wie zelf wil leven en niet door lijken

en tweedehands anderen wil worden geleefd, moet door de hem aangeleerde

producten van taalgebruik heen zijn taal als productiemiddel van

besprekingsmogelijkheden alsnog veroveren.

De aanbeveling om naar de zaken zelf te gaan is niet voldoende, ze moet worden

aangevuld met de eis om zelf de taal als productiemiddel van

besprekingsmogelijkheden te gaan herkennen en gebruiken. Dat komt niemand

aanwaaien. Omdat het bewerkelijk, moeitevol, moeilijk en vermoeiend schijnt

kiezen de meesten ervoor maar mee te doen en zelf gebruik  te maken van de

bevelende doorwerking van wat er gezegd (gepubliceerd) wordt: op hun beurt

brengen ze hun invallen als bijdrage in de stroom van suggesties. De massa is

het consumeren gewend en vat het gepubliceerde op zoals het de andere

producten op de markt opvat: ter keuze, naar willekeur al of niet aan te

schaffen, in goed vertrouwen op de kwaliteit-scheppende werking van de

onderlinge concurrentie der publicisten / producenten.

 

Het van elkaar los staan van gedrag en uitspraken, zoals we dat om ons heen

bij de geciviliseerden kunnen aantreffen is mede te verklaren uit het

bovenstaande. Een fundamentele fout is het postuleren van leugenachtigheid

achter hun liegen, van misvattingen uit de onwaarheden die ze napraten en

toejuichen. Ze hebben geen eigen toegang tot hun taal, tot hun begrijpen en

daardoor tot hun ervaren, tot wat hen raakt, tot wat hen omgeeft. De

suggesties van de lijken en de niet-levenden omgeven hen als een

ondoorzichtige wand en scheiden hen van wat (hen gegeven) is.

Tot zelfs Krishnamurti sprak over duizenden jaren geschiedenis die in ons

(hardware) zouden zitten meespelen, per dag wist hij dat wij vers zijn, maar

als exemplaar van de soort verwarde hij ons (zich) toch nog met de software,

de persoon(lijkheid). Ik ben een dier, ik heb dan ook geen historie, geen

stamgeschiedenis binnen een cultuur en geen "beschavings"(civilisatie)

geschiedenis. De denkfout van wie meent begonnen te zijn met geboren worden,

maar dan later toch de software voor natuurlijk wil laten doorgaan. Wanneer ik

zeg dat iemand geboren is, zeg ik dat het gedragen-worden voor hem ten einde

is, dat hij geworpen is. Hij bestond tijdens het gedragen worden. Software is

software, hardware is hardware, misbakken is misbakken, is vastgelegd

misvormd, gewond is gewond, littekens zijn littekens, geen eigenschappen.

Wanneer dringt nu toch in godsnaam ooit eens door dat wij dieren zijn als alle

andere.

 

                          --//einde//--

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *