A>b:
B>type kentaal.txt
.pl60
.op
.mb0
.mt2
.hm1
.he file kentaal.txt / schijf rood 5 / blz. #
23 mei 1987
Wat voor mijn conceptie was, is niet van invloed geweest op mij en zal nooit
van invloed worden. Om van invloed te zijn op mij moet iets hier en nu mij
raken. Alles wat ik nog meer als op mij van invloed beschouw, opvat, meen te
herkennen is een hersenspinsel. Het is gewoon niet waar dat wat voor mij was
mij raakt of raakte, mij iets deed.
Ook de taal (de grammatica- en woordvormingsregels en de woordenschat) leerde
ik, is niet onverbrekelijk met mij als levende hardware verbonden. Ik zeg 'ik'
tegen mezelf als lichaam met een beschrijfbaar geheugen. Iedere dag wordt er
een 'krant' op mijn geheugen 'gedrukt', een dagblad. Wat ik me kan herinneren
aan weten en aan kunnen is mij geworden tijdens mijn leven, is software, ik
kan het ook weer vergeten, kwijtraken. Het gaat met mijn dood weg.
In de begrippenverzameling, begrippenapparatenverzameling, die de taal is,
zitten ervaringen van vroegere taalgebruikers verwerkt, zo, via de taal en
niet via de genen komt er iets uit het verleden tot mij. Naast de goede wil en
de zorgzame overdracht van opgemerkt wetenswaardigs is het ook de heerszucht
der voorvaderen die mij bereikt via de taal die mij thuis, buitenshuis, op
school en in boeken werd geleerd .
Als ik mij dus wil bevrijden van die heerszucht van lui van voor mijn tijd en
van mijn tijdgenoten, moet ik met daartoe de taal eigen maken als
productiemiddel, niet als kant en klaar product.
Ik moet tot mij door laten dringen dat de taal woordvormingsregels heeft en
niet een afgesloten, eindige voorraad woorden, een woordenschat, waarvan ik
dan een deel actief, een ander groter deel passief gebruik en de meeste niet
gebruik.
Zo moet ik ook de taal opvatten als een verzameling begrijpapparaten, niet als
een voorraad geopenbaarde of door deskundigen gevonden (ontdekte, alsof ze er
al lagen) warheden. Ik moet inzien dat die begrijpapparaten menselijke
maaksels zijn, dat ik zelf ook nieuwe kan maken en dat ware uitspraken iedere
keer opnieuw moeten worden aangemaakt, vers, door iedereen opnieuw, deze
apparaten gebruikend op de hem gegeven werkelijkheid, deze werkelijkheid
begrijpend.
We leerden woorden, we leerden begrippen, we leerden daardoor de werkelijkheid
om ons heen zo en niet anders begrijpen en op grond van dat begrijpen:
indelen, beoordelen en behandelen. Zo, via de taal bereiken ze ieder van ons,
de bemoeiallen uit het verleden, de machtswellustelingen en regelneven van
voor onze tijd.
Wie zich ertoe beperkt nieuwe informatie toe te voegen aan wat er doorgegeven
kan worden, laat de doctrines, de dwingende suggesties in de taal verpakt,
onaangeroerd voortbestaan, laat ook zijn jongere tijdgenoten teisteren door
wie al lang dood zijn. De natuur heeft haar best en haar deel gedaan: Hitler
en Dzengis Khan zijn even dood als vereerde dwingers van later levenden zoals
Plato en Hobbes en als die anderen die in de taal en daarlangs in het
bewustzijn van de nu levende na-denkers voortwoekeren met hun onwaarheden.
Ik ben iemand die (vanuit en door zijn brein, op het beeldscherm ofwel uit de luidspreker in mij) zijn
bewustzijn met tekst gevuld krijgt. De suggesties uit de taal moest en moet ik
dan ook met veel tijd, aandacht, energie en vaardigheid tenietdoen omdat ik
niet wens te worden beinvloed door heerszuchtige lui (die al dood zijn of om
mij heen niet zelf, maar tweedehands leven). Dwalen is het wat doet wie
kritiekloos dat wat hem invalt aan tekst opvat als zijn mening, zijn vondsten,
alleen omdat hij niet citeert, niet uit zijn geheugen navertelt.
De taaltoepassingsproducten (de gevormde woorden, de uitgewerkte en tot
standaard, gewoonte, confectiebegrijpapparatuur gemaakte beelden en wijzen van
spreken en bespreken) die wij leerden suggereren het bestaan van IETSen
(organisaties, de samenleving) en andere hersenschimmen (goden, kabouters,
standen, rangen, belangen, verhoudingen) en de alom-toepasbaarheid van in
werkelijkheid zeer plaatselijk geldige schema's als middel-doel en oorzaak-
gevolg. Al die ingebouwde suggesties zijn al lang geleden door anderen (Jezus
van Nazareth en Immanuel Kant bijvoorbeeld) ontmaskerd, maar dat is niet
genoeg geweest, ieder van ons moet volstrekt opnieuw beginnen met het zuiveren
(louteren) van wat hij aan taal geleerd heeft.
Ieder van ons moet zich in directe aanraking brengen met wat hem raakt en
gegeven is, directe aanraking in tegenstelling tot in aanraking via de
aangeleerde taal die hem juist deze tekst erbij doet invallen. Via die taal
spreken die lijken in hem hun woord mee, dat moet ieder van ons, levenden,
zelf beseffen en al of niet aanvaarden. Wie zelf wil leven en niet door lijken
en tweedehands anderen wil worden geleefd, moet door de hem aangeleerde
producten van taalgebruik heen zijn taal als productiemiddel van
besprekingsmogelijkheden alsnog veroveren.
De aanbeveling om naar de zaken zelf te gaan is niet voldoende, ze moet worden
aangevuld met de eis om zelf de taal als productiemiddel van
besprekingsmogelijkheden te gaan herkennen en gebruiken. Dat komt niemand
aanwaaien. Omdat het bewerkelijk, moeitevol, moeilijk en vermoeiend schijnt
kiezen de meesten ervoor maar mee te doen en zelf gebruik te maken van de
bevelende doorwerking van wat er gezegd (gepubliceerd) wordt: op hun beurt
brengen ze hun invallen als bijdrage in de stroom van suggesties. De massa is
het consumeren gewend en vat het gepubliceerde op zoals het de andere
producten op de markt opvat: ter keuze, naar willekeur al of niet aan te
schaffen, in goed vertrouwen op de kwaliteit-scheppende werking van de
onderlinge concurrentie der publicisten / producenten.
Het van elkaar los staan van gedrag en uitspraken, zoals we dat om ons heen
bij de geciviliseerden kunnen aantreffen is mede te verklaren uit het
bovenstaande. Een fundamentele fout is het postuleren van leugenachtigheid
achter hun liegen, van misvattingen uit de onwaarheden die ze napraten en
toejuichen. Ze hebben geen eigen toegang tot hun taal, tot hun begrijpen en
daardoor tot hun ervaren, tot wat hen raakt, tot wat hen omgeeft. De
suggesties van de lijken en de niet-levenden omgeven hen als een
ondoorzichtige wand en scheiden hen van wat (hen gegeven) is.
Tot zelfs Krishnamurti sprak over duizenden jaren geschiedenis die in ons
(hardware) zouden zitten meespelen, per dag wist hij dat wij vers zijn, maar
als exemplaar van de soort verwarde hij ons (zich) toch nog met de software,
de persoon(lijkheid). Ik ben een dier, ik heb dan ook geen historie, geen
stamgeschiedenis binnen een cultuur en geen "beschavings"(civilisatie)
geschiedenis. De denkfout van wie meent begonnen te zijn met geboren worden,
maar dan later toch de software voor natuurlijk wil laten doorgaan. Wanneer ik
zeg dat iemand geboren is, zeg ik dat het gedragen-worden voor hem ten einde
is, dat hij geworpen is. Hij bestond tijdens het gedragen worden. Software is
software, hardware is hardware, misbakken is misbakken, is vastgelegd
misvormd, gewond is gewond, littekens zijn littekens, geen eigenschappen.
Wanneer dringt nu toch in godsnaam ooit eens door dat wij dieren zijn als alle
andere.
--//einde//--
0 Reacties