Weg met meningen!

Categorieën: 2010, 1 januari – 2014, 31 december | Archief

Trefwoorden: AMA | God | meningen | Robinson Crusoe | slavernij | verzinsels

Jaap Schot, 27 januari 2011

Er is veel ‘buiten beschouwing laten’ en denkschuwheid nodig om in te stemmen met al die figuren die juichen

  • bij, en
  • om, en
  • in het kader van

‘vrije meningsuiting’.
Instemmen met dat gejuich is onverenigbaar met

  • doordenken,
  • kennis nemen, en
  • vrijdenken.

Vrij zijn is ongelijk aan almachtig zijn.
Vrij zijn is ongelijk aan ‘alle vrijheden hebben’.

Alleen op een eiland

Als Robinson Crusoe op zijn eiland aanspoelt, is zijn ama (de massa aangeleerds waarmee zijn geheugen is gevuld en die onbewust zijn reacties op zijn zintuiglijke indrukken aanmaakt) niet passend gemaakt bij het eilandgebeuren. Alle fatsoensregels enzovoort zijn vervallen, functieloos geworden. Er zijn geen andere mensen en dus hoeft Robinson zich niet tegen hen te beschermen door ‘zich te gedrágen’. Ook zijn trots op zijn nationaliteit en zijn ervaringen valt met één klap weg. Er zijn geen anderen, die met hem het grote bevel “overtref” spelen. Robinson heeft geen rang meer, niemand overtreft hem, hij overtreft niemand. Geen rechten, geen plichten, geen eer, geen schande, geen schuld, geen verdiensten. De munten die hij uit het wrak heeft gehaald, zijn geen ruilmiddel en geen dwangbevelen: er is geen geld meer.

De romanfiguur 'Robinson'

Defoe, de schrijver toont dat, en nog veel meer, aan met de figuur ‘Robinson’. Robinson gelooft in de Gestapogod van de Romeinse Keizerrijkskerk en voelt zich dus nog van alles: in de gaten gehouden door DE alomtegenwoordige, alwetende, alwrekende handhaver van ‘wat de overheid ter plaatse aan wetten en regels stelt’. Robinson is duidelijk een gebruikte, een stuk mensvee, geen ‘ingewijde binnensoortelijke parasiet’. Defoe schrijft niet uit dat Robinson de roomse Gestapogod te kennen heeft gekregen als het regeergereedschap voor de erfgenamen van de overwinning van de kolonisten, die deze god ís. Robinson is geen lid van de ingewijde society, geen heerser. Hij is een laag geplaatste, een stuk menselijk gebruiksvee. Iemand die, om zijn bewondering voor zijn gebruikers te kunnen uiten in het imiteren van hun gedrag,

  • als bovendierlijk, en
  • jawel, als blanke, ook binnen de diersoort ‘mens’, ‘boven alle negers en zo’

verheven is.
Dat alles volgens de beschaafden-instructies, die hij als Engelsman had opgelopen. Deze dingen blijken uit Robinsons gedrag jegens wilde dieren en negers. Vooral Vrijdag, die hij als slaaf houdt en later, na het verlaten van het eiland, zelfs verkoopt, geloof ik me te herinneren. Hoe dan ook.

Meningen maak je niet zelf

Hoe dan ook. Wat er in iemand aan mening opkomt, wordt niet door hem aangemaakt, maar door de aangeleerde massa onderscheidingen, begrippen, verhalen, angsten, vrezen, ‘begeerten die berusten op ervaren en/of waargenomen weldadigs, voedzaams, enzovoort’, enzovoort.
Die massa aangeleerds past in de tijd en plaats waar(in) dat leren plaatsvond. Elk veranderen van je omgeving, betekent dan ook dat al dat aangeleerde niet langer precies past. Karaktervastheid, vaste overtuigingen, geloof, een identiteit hebben en dergelijke meer, zijn dan ook noch verstandig, noch deugdzaam.

Let op: leren gebeurt, wordt niet gedaan.

Niemand zou zich een trauma aanschaffen. Waar je aandacht aan gehecht, bij bepaald, aan gegeven wordt, dat leer je, aandacht besteden laat sporen na. Aandacht besteden gebeurt vaak niet bewust. ‘Reflecteren’ op wat je aan het doen bent, dat met tekst melden aan een echte of mogelijke luisteraar, is een zeldzame bezigheid. Die zeldzaamheid is mede te danken aan de bewustzijnsindustrie, die de propaganda (kerkdiensten, openbare terechtstellingen) van vroeger vervangt door sport en spelletjes, o.a. via televisie. De voornaamste reden dat reflecteren uitblijft is: dat het niet door anderen beloond wordt. Je hébt er niets aan, je kóópt er niets voor.

Zelf uitleggen

Het zelf uitleggen van wat ik zelf doe, dat is wat ik in de Robinson-situatie van een alleen-levende (alleenwonende zonder latrelatie en zonder netwerk van kennissen en vrienden en familie) kan doen. Uit de namen die ik aan mijn bezigheden geef, valt veel onuitgesprokens en onuitsprekelijks, veel dat door mij zelf ook onopgemerkt is gebleven, af te lezen. Af en toe, bij later doorlezen, ook voor mijzelf.
Ik leg uit wat mij opvalt (= treft, aanspreekt, iets doet) in mijn omgeving. Ik doe het kennis nemen helemaal via ‘onder woorden brengen’, begrijpen, ‘in verhalen onderbrengen-ordenen’. Niemand leest het, dus het kan geen kwaad. Zodra er iemand de gelegenheid daartoe had, werd ik met zachte drang en een pensioen – als glijmiddel – de werkplek, de arbeidswereld, i.c. het onderwijs uit gewerkt. “Vrijgesteld” noemen de werkgevers dat.

Kennis maal aangeleerds

Een mening is het vermenigvuldigings-product van ‘genomen kennis’ maal ‘werking van het eerder aangeleerde’.

Het jonge kind heeft gewoon geen mening en dat duurt enige tijd.

Meningen gaan hebben – een identiteit oplopen, dingen gaan geloven – duurt enige tijd. Het gebeurt onder druk van de anderen, net als leren praten.
‘Je’ gaat geloven dat die meningen van jóu zijn, zoals je ook gelooft dat wat je aan tekst invalt, jóuw tekst is. ER IS NIETS EIGENS AAN ‘MENINGEN’ EN/OF AAN ‘TEKSTEN DIE JE INVALLEN’. AL DAT ZIELELEVEN EN GEESTELIJK LEVEN GEBEURT SLECHTS. Van daderschap spreken slechts de juristen, in het kader van het eren van de overwinnaars. En het schuldig verklaren van de onderworpenen/ verslagenen/ gebruikten aan wat hen wordt aangedaan. Schuld en schande worden naar het slachtoffer geschoven.
Je zondigt, je maakt je schuldig, zijn synonieme, daderschap suggererende uitdrukkingen van respectievelijk de priester en de jurist. De god van de priesters zadelt je op met een vrije wil. Geen zorgvuldige zoeker – geen wetenschapper, zo men wil – kan een wil (of, de bezigheid ‘willen’) vinden en bestuderen. Maar zolang er tandpijn is, kan men volhouden iets te voelen, dat voor een ander niet te voelen is, te zien wat voor de ander onzichtbaar is. Met andere woorden, zolang zal het doen alsof je beter en meer bent dan een ander, te doen zijn. “Bewijs maar eens dat ik niet praat bij iets, maar lege woordopeenhopingen aanmaak. Ik denk abstract.” Enzovoort, enzovoort.

En dáár komt dan de vrijheid van meningsuiting bij. Voor iedereen. En met bijgeleverd recht op respect voor alle meningen en identiteiten. Het woord ‘discipline’, de mentaliteit van de zich aan wat de meester voordeed en voorschreef houdende, was ook een misnoeming.
Onderwijs, dat die naam verdient, kan slechts zijn: het tonen van – en, spreken bij – het onderwerp, niet bij een plaatje ervan. Het onderwerp of de waarnemingsapparatuur – respectievelijk diverse standpunten, die dus diverse ansichten geven – moet voor de lerende te hanteren, gecontroleerd te veranderen, zijn.

Overtreffen en juichen

In groepen levende zoogdieren zien we in de natuurfilms her en der. De mannetjes maken onder elkaar uit wie als spermadonor optreedt. En dat vinden de filmers en de groepsleden heel interessant.
Een natuurfilm over ‘de mens’ zou – opgenomen in de tegenwoordige tijd, in ons land – overeenkomstig kunnen zijn. Sporters en ondernemenden scoren, evenals kunstenaars op ontelbare dimensies. Ze leven alsof “Overtref” het ongespecificeerde bevel is dat ze van de soeverein krijgen en aan het uitvoeren zijn. Dat verhaal met die soeverein erin, dat is het verhaal van de juristen en je ziet daar niets van. Je zou het verhaal kunnen aanvullen met een tweede bevel aan alle anderen: “Juich wie overtreffen toe”. Ook dat bevel wordt door zeer velen uitgevoerd. ‘Fans’ noemen ze die, ‘supporters’, liefhebbers. Juichtuig.

Die verzonnen bevelgever heette ooit ‘God’, de stapelgod van de natuurgoden, Neptunus, Wodan en al hun collega’s bijeen in Eén Scheppergod. Eén van de talloze betekenissen van de naam ‘God’. Die soevereine stapelgod, de soevereine staten, de soevereine Koning Klant en de soevereine Kiezer: allemaal verzinsels.
GEGEVEN ZIJN (MIJ) ALLEEN DIE ZINTUIGLIJKE GEGEVENS, waarvan ik er een deel kan opmerken, beperkt door mijn aandachtsomvang (oplettendheid).
We zien op die natuurfilm over de Nederlanders nu het gedrag van de mensen. Dat is ons gegeven. Zeggen dat ze vanuit hun natuur handelen of als mensvee gehouden en gebruikt worden, dat kunnen we doen. Naar keuze. Dat het hun natuur (de entelechie in hun DNA) is, is niet passend. Dat er een orde in zit, die gehandhaafd wordt, is ook maar voor een heel klein deel, een verklaring.

Wat kan, gebeurt

Absurd wordt het als we belang gaan stellen in het gedrag van elke mens apart. Dat is net als bij die bak met muizen, waarin men deze diertjes zich liet voortplanten tot ze elkaar begonnen uit te moorden. Díe proef wordt met ‘de mens’ genomen en wij zitten erin en zijn aanwezig in een fase. We zijn, net als die muizen, weldoorvoed en zonder enig belang. Het gebeuren gebeurt. Er wordt bij die muizen niet gesproken van verantwoordelijkheid en al die andere woorden waarmee wij het hebben over de wereldbevolking. Van dat geheel tot en met over iedereen met een eigennaam en plaats.
Puur gepraat.

Wat kan gebeuren, gebeurt. Als alle voorwaarden vervuld zijn, kan het mogelijke niet nalaten werkelijkheid te worden. Het ingewikkeld worden van de processen die via DNA gebeuren, verandert daar niets aan. Het scheppingsgebeuren, het natuurgebeuren en het wereldgebeuren, allemaal volgens diezelfde: wat kan, gebeurt en wat uitblijft, dat kan ook niet. En dat is zo, ook als ik niet weet – of, erachter kan komen – wat er nog aan vervulde voorwaarden ontbreekt.
Ik ben gewoon veel te klein ten opzichte van die gehelen, om mij erom te bekommeren. En ook mijn eigen gedrag, is niet van een andere aard: er is van willen slechts sprake. Er is geen willen aan te treffen.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *