Gor is een fictieve planeet uit een serie SF-boeken, geschreven door John Norman. Als uitgangspunt neemt Jaap in dit essay "de Goreaanse levensstijl", zoals hij die begrepen heeft. Het eigenlijke onderwerp van onderstaand betoog is "wat te doen met mijn vrije tijd?". Daarbij is de vraag wat uiteindelijk bepalend is, onze natuur of de civilisatie. De tekst begint met een opsomming van enkele zaken die hem toentertijd bezighielden.
(Jan Schot)
Jaap Schot, 6-13 augustus 2003
- De begrijpelijkheid van alle bizars:
- de historische oorzaken, plus
- de afwezigheid van een aantrekkelijker alternatief, hier en nu.
- De kwalijkheid
- van de politieke ‘vrijheids’-propaganda, en
- van de verwaarlozing van, en de onverantwoordelijkheid jegens, dat waarvoor de elite zich laat betalen.
- De afwezigheid van alle doen: het grote gebeuren. Het veranderen dat
- we ‘evolutie’ noemen, en
- voor ‘ons’ niet erkennen. Al dadertje spelend, ontkennen we het.
‘Meester en slaaf’ spelen
Ineke’s onderburen houden er een ‘Goreaanse’ levensstijl op na. Dat wil zeggen dat ze ‘meester en slaaf’ ofwel ‘baas en hondje’ spelen 1 . Wie de hond speelt, moet bepaalde kunstjes doen en opletten wat baasje wil en bevelen gehoorzamen, de ander moet opletten dat er wel goed gezeten, opgelet, ‘gedaan’ wordt. Ze hebben dus allebei wat te doen, zijn met elkaar bezig en op elkaar betrokken en het probleem van ‘wat zal ik in ’s hemelsnaam met mijn vrije txaenz doen?’ hebben ze beiden opgelost.

Naast dit ‘spel’, kunnen ze niet eens een onderwerp hebben waar ze aan bezig zijn. Bijvoorbeeld een boek schrijven of een kleed borduren. Dit spel is seksueel ingekleurd, dus zolang de hormonen er zijn, is het niet al te saai. Waar ze allebei aan ontkomen door dit spelen is: genegeerd worden.
In beginsel kan elke speler het ook met een ander – een vreemde – spelen, als de vereiste kunstjes maar duidelijk zijn. Er zit bij het spel een verhaal dat het ‘natuurlijk’/ ‘biologisch’ is dit te doen, dit zo met elkaar omgaan. Er zijn nu eenmaal heersers en knechten, die LUST beleven aan respectievelijk heersen en gehoorzamen. Anders gezegd, ze functioneren in dat heersen en gehoorzamen.
Bij mensapen zijn inderdaad een soort baashormonen aangetroffen in de dominante man van zo’n groep. Die klier – dus, die stofjes – kon je er uithalen, en dan werd hij nooit weer dominant. Je hoeft maar naar sommige honden te kijken om te zien hoe ‘eager to please’ die zijn. Nou, dan is het dus duidelijk.
Alles maar respecteren?
De spelers zijn, door het spel, beschermd tegen negatie en alleen zijn. Het hondje doet opzettelijk dingen fout om het baasje te laten bewijzen dat die oplet. Voor die fout wordt het dan bestraft, maar dat betekent alleen dat het baasje nog steeds moet opletten. Als die straffen geen duidelijke mishandelingen zijn en seksueel ingekleurd, kan er weinig van gezegd worden. Weinig anders dan dat het voor buitenstaanders, een niet passende manier is van met elkaar omgaan. Niet passend bij hun toevallige massa aangeleerds: opgelopen tekorten, trauma’s en associaties.
Het is gewoon bizar.
Tegenwoordig hier moeten we – van de liberalistische dictatuur – met respect elke apperceptieve massa laten uitleven, door degene die deze massa heeft opgelopen.
Dat bevel ‘aan zichzelf gelijkwaardig dienen te achten’, slaat overigens niet slechts op de apperceptieve massa’s. Maar ook op de genencombinaties. Twee voorbeelden:
- ook elke zwakbegaafde heeft stemrecht, tot hem dat – door rechterlijk vonnis – uitdrukkelijk is ontnomen, en
- ook ‘mongooltjes’ moeten tegenwoordig naar de gewone school, opdat de andere kinderen – in plaats van te leren wat de leerstof daar dan is – leren omgaan met deze ‘ander’.
Geen gezamenlijkheid, maar onverschilligheid
Dit kan en komt allemaal doordat elk doel mag, dus afwezig is als gezamenlijk doel. De gewone mensen zijn gebruiksvee waarvoor geen gebruik is. ‘Geen werk’, heet dat. De leidinggevenden/ parasieten kunnen alles wat ze wensen voor zich laten doen door relatief weinige, uitgeselecteerde gebruikten. Die zijn goed geschoold en opgeleid, en ze kunnen goed beloond worden.
Het overgrote deel der mensen is bezig
- voor elkaar kunstjes te doen,
- aan elkaar diensten te verlenen,
- voor elkaar wegwerp-rotzooi aan te maken,
onder leiding van, op die bezigheden parasiterende, managers.
De massa der mensen is totaal overbodig, boventallig en eigenlijk in onbruik. Dat is de reden waarom, op hun onderling gedrag, niet langer corrigerend gelet wordt door de machtigen, de wetgevers
2
.
Deze totale onverschilligheid wordt gebracht in de propaganda als ‘vrijheid en respect voor iedereen’. Voor elke massa aangeleerde voorkeuren, gewoonten, neigingen en angsten, enzovoorts, enzovoorts.
Voor elkaar onberekenbare mensen
Iedereen is bevoegd kinderen te ‘nemen’ – het eventueel nodige medische geweld zit zelfs in het ziekenfondspakket – en ieder kind is overgeleverd aan zijn ouders. Dat resulteert in een onvoorstelbare hoeveelheid ‘niet-karakters’: totaal planloze en structuurloze apperceptieve massa’s (massa’s aangeleerds, opgelopens). Dat wordt steeds sterker het geval, generatie na generatie.
De mensen zijn voor elkaar totaal onkenbaar, onberekenbaar. Ze spreken niet langer dezelfde taal, hebben nauwelijks nog overeenkomstige strevingen of remmingen. Ze worden steeds vreemdere vreemdelingen voor elkaar. Alleen op kleur en herkomst van hun vaders, vormen ze nog groepen. En dan nog wat ‘Skinheads’ en berijders van een bepaald merk motor.
Geloofsgroepen maken minder angstig
Het resultaat is dat er zich – onder andere, rond SF-verhalen – geloofsgroepen kunnen vormen. Een zogenaamd hoog ontwikkelde civilisatie blijkt massa’s bizarre religies en subculturen uit te broeden. Als er maar als ‘één van ons’ herkenbare anderen komen, rond welke fantasie of gedragsvorm dan ook. Dan zijn de aanhangers niet langer ‘alleen en verloren’ tussen ontelbare onvoorspelbare vreemden. Vreemden die des te dreigender zijn, naarmate ze in groepjes bijeen staan (Staan is al dreigend genoeg!) De aandacht van de aanhangers is bovendien bij iets bepaalds: de geloofsinhoud en de gemeente, de geloofsgenoten, de spelers van hetzelfde spel.
Wie eenmaal ergens in zit, in welke club dan ook, zit daar met minder angst dan hem buiten wacht. Buiten is geen veiligheid, de politie heeft de uitdrukkelijke opdracht voor die veiligheid NIET te zorgen. De burgers wensen dan ‘meer blauw op straat’ en worden submissief, zich onderwerpend, om toch maar veilig te worden. (Goreaans, zie toe!) Een zeer, zeer hoog percentage van de gewone mensen – het gewone gebruiksvee – in ons land wenst deze divergentie van het menselijk gedrag per se niet. Er valt niet in, en mee, te leven. Niemand kan zich er veilig in voelen.
Txaenzroof
De centrale perversie is het elkaar de txaenz vullen, nemen, roven, kosten, of welk ander werkwoord men ook kiest. Of men dat seksueel inkleurt, of ‘gezellig’, of intellectueel, of als sport, of als vorm van genieten, is ook weer totaal onverschillig. Een perversie is een ten kwade gekeerd – met name, leeg – gebruiken van een techniek, die ontwikkeld (geëvolueerd) is om mee naar LEVEN te streven.
Let wel: er is geen boze, schuldige, kwaadaardige die dat doet en zou kunnen nalaten. Nee, zoals alles gebeurt ook het optreden van perversie slechts, zoals parasiteren en symbiotisch leven ook slechts gebeuren. Beschrijvende psychiatrie blijft, als ze wetenschappelijk blijft, binnen de ethologie. En de ethologie blijft binnen de biologie. Daarbinnen! En buiten elk moreel en ethisch, of ander schuldstellend 3 , schema der ‘juristen’. Juristen zijn de meutehonden der mensengebruikers.
De zelfvervreemde mens
Het gaat erom dat deze mensen met elkaar bezig zijn, zonder onderwerp of noodzaak. Samen zijn, in onderscheid van zinvol samen iets nodigs doen, in iets nodigs voorzien. ‘Niet dood zijn’ en ‘spelen’, in onderscheid van LEVEN.
LEVEN is geen vredig bestaan, er is ononderbroken dreiging van anderen die
- jou als concurrent proberen af te houden (of, af te halen) van wat jij nodig hebt, of zelfs
- jou als prooi zien.
Menigeen bekijkt dit wat in de natuur gebeurt, beoordelend. Voor goed- en afkeuren, gebruiken ze criteria die passen voor het samen LEVEN als mensen. Het ‘gij zult niet doden’ toepassen op de adelaar en de wolf. Als er door mensen ‘gezondigd’ wordt, wijst men naar de menselijke natuur, die dan synoniem wordt met ‘kwaad’.
Menigeen heeft ten aanzien van hetgeen van nature nodig is, een perverse (in de jaren 60, ‘zelfvervreemde’ genoemde) manier van opvatten. Namelijk als ‘gedwongen’ door het zo-zijn van zichzelf, plus het zo-zijn van de eigen omgeving. De natuur die men zelf is, daar staat men onwillig buiten. Men identificeert zich niet met zichzelf als dier. Wie ‘maatschappijkritisch’ was, was niet zelden ook tegen het (agressieve) eigen dier-zijn. Op het seksuele na dan.
Geen dier koos zijn omgeving
Dieren paren en daar komen kleine diertjes van. ‘Om te’-uitspraken zijn leeg en dwaas. Die kleine diertjes zijn niet bedoeld en nagestreefd. Evenmin nagestreefd is de lust, de aangename spanning. De eigen omgeving koos niemand voor zichzelf. Geen dier koos de omgeving, die eisen stelt, en – het doen van waartoe de neiging er is – txaenz doet kosten. Dieren moeten sommige dingen nodig hebben. Dus: nemen, consumeren, gebruiken. En andere dingen moeten ze nodig doen. Het is een dwaze benadering als men zegt: ‘de natuur’ draagt hen dat op, zoals een baas het werk. Als loon is er dan de lust die aan het functioneren wordt beleefd. ‘Wij zijn wegwerpverpakkingen voor onze genen’ hoort men tegenwoordig.
Een invaliderende couveuse
Wij treffen ons aan in een couveuseachtige omgeving: wij worden verzorgd, wij bouwden niet ons eigen huis, verbouwden en haalden zelfs niet ons voedsel. Wij gebruiken andermans werkstukken. Kortom, dat hele verhaal. Wij worden behandeld als waren wij lijfelijk en geestelijk (verstandelijk) zwaar gehandicapt, en totaal ongeschoold.
Iedereen heeft een hoog percentage van zijn txaenz over, nadat in alle nodigs voor hem is voorzien. Alleen, de gelegenheid ontbreekt om zelf ‘het daar dan, voor jou nodigs’ te doen. En daarmee ook de gelegenheid om, in het werken daaraan en in het slagen daarin, lust te beleven. Die gelegenheid is (als ‘werkgelegenheid’) door weinigen ingepikt van – zogenaamd, vóór – velen: als werk (arbeid) levert dat doen die lust niet op.
Het is totaal iets anders om een bureau voor jezelf te bouwen dan het is om in een bureaufabriek te werken. Of zelfs als het is om als gespecialiseerde gildemeester, bureau na bureau, op bestelling te maken. Vooral het gevoel bij het gebruiken van het bureau, is ook geheel verschillend.
Zelf leven is ongelijk aan geleefd worden – bijvoorbeeld, als consument in gebruik zijn.
Let op! Er staat leven in kleine letters.
‘LEVEN’ in hoofdletters is de naam van het IDEAAL. Het ongestoorde en onbelemmerde ontplooiende ZIJN. Wij gebruiken dat als gereedschap om mee te denken, wat een ‘legitieme’ bezigheid is.
Maar LEVEN is wel iets dat niemands deel is. Want, het komt niet voor als verschijnsel op aarde, tussen zoveel anderen.
- Anderen (concurrenten, roofdieren) die het gemunt hebben op jou, en wat je nodig hebt.
- Plus nog eens de harde omstandigheden van de aarde die geen couveuse is. Voor welk exemplaar van welke levensvorm dan ook.
Wij worden geleefd, verzorgd en gebruikt. Als vee. Gevangen als ‘gebroken’ paarden en ‘getemde’ olifanten. Het helpt niet dat ‘samenleven’ te noemen.
Veel wezenloos onnodigs, zelden iets zinnigs
Nee, de moderne kunstenaar is niet een voorbeeld van iemand die natuurlijk bezig is. Die kunstenaar maakt onnodigs. In het geval dat het best klopt met het romantische inspirerend verhaal, geeft hij uiting aan zijn toevallige massa aangeleerds. Soms is hij zelfs ‘maatschappelijk relevant’ bezig. Totaal weg is deze kunstenaar van zijn eigen dier-zijn, dat onmiskenbaar, onvermijdelijk, gegeven is.
Met enkele promilles, van de door de efficiëntie ‘vrij’ gemaakte txaenz, wordt iets zinnigs onnodigs gedaan. De rest van de, ‘vrije tijd’ genoemde, overtollig geworden txaenz, wordt verdaan aan onnodige wezenloze dingen. Zoals de spelen ‘rangschikkertje’ en ‘gezelligheid’.
In vele klimaten op aarde moet een mens zich kleden. Op deze noodzaak als draaggolf is de mode, de expressie en de rangvertoning gezet: gesuperponeerd. Amplitudemodificatie, AM, heet dat bij radio. Het bericht zit ‘m in de amplitudevariatie. De doeltreffendheid van de kleding als aanpassing aan het klimaat, is totaal op de achtergrond gedrongen.
Het heeft de diersoort ‘mens’ enorm geholpen, dat hij anderen omtrent dingen, elders en ooit, iets kon melden. Met name, bij het zich biomassa eigen maken ten koste van andere levende wezens. Praten, anderen iets melden, werd ook een draaggolf. Oorspronkelijk zat het bericht in wat er gezegd werd. Het bericht bracht de aandacht van de hoorder/ ontvanger bij hetgeen waarover de melding ging. Stijl bijvoorbeeld, heet wat is gesuperponeerd op die melding, die als draaggolf misbruikt wordt. Het verhaal van de minstreel en de roman van de auteur, worden pas echt begrepen door degene die – door de oppervlakte van het verhaal heen – de boodschap van de brenger hoort.
Het werkelijke doel met scholen
De schoolvakken en de scholing zelf, zijn niet wat ze schijnen. Het doel met scholen is, de kinderen van de straat, uit de bedrijven, van tussen de arbeidende ouderen, te houden. Van de markten ook, en uit de winkels.
Het doel met scholen is, de kinderen te wennen aan
- gevangenisproblematiek (opgesloten met vreemden, onder een regime), en
- op buitenbesturing staan, in plaats van op eigen initiatief zelf ongestoord zijn eigen txaenz te besteden.
En kijk nou even rustig na, welke factoren er ook alweer in txaenz zitten.
Want dit aanmaken van zinnen met ‘txaenz’ erin, gaat heel snel. Maar het lezen ervan, is echt het lezen van tig volzinnen. Vanwege die factoren. Voor elke factor, is er een volzin met een betekenis.
Rangschikken en gezelligheid
Dat met het rangschikken heb ik al tig maal duidelijk uitgeschreven. De uitspraak van de woorden, de klinkers en de articulatie, dat alles geeft de rang aan (Shaw: ‘Pygmalion’/ My fair lady.). Rang, gesuperponeerd op praten. Dan gaat het er niet meer om wat er gezegd wordt, maar hoe.
Zoals het er bij ‘Ascot’ niet om gaat wat daar gebeurt, namelijk paardenrennen. Platter vermaak dan dieren misbruiken, is er niet. Maar het gaat om de stijl, en om de prijs – die daar in geld moet worden betaald – om te kunnen deelnemen.
Is er sinds Shaw iets veranderd? Helemaal niet, de nieuwe rijken zijn nog steeds onbeschaamd ongeciviliseerd. Of, bezig zich deftigheid aan te leren.
Het spel ‘gezelligheid’ is net zo erg als ‘rangschikkertje’. Ook hier wordt het gevoel van ‘lekker aan het vlooien zijn’, dat bij apen waarschijnlijk is, nagestreefd. Dit keer met praten als middel. Vroeger werd, en elders wordt nog steeds, haar gekamd en opgemaakt, maar hier wordt thee gedronken en gepraat. Het praten is draaggolf voor de gezelligheid. Dat is, het niet alleen zijn en geen bevel te gehoorzamen hebben, niks ‘hoeven’. Roddelen kan het praten van ‘gezellig’ tot ‘rangschikkend’ maken, en dat is dan verwording.
Gezellig bijeen zijn, is – zoals alle puur bijeen zijn – vrije txaenz vernietigen. Gezellig vooronderstelt bijeen, en nergens – ‘alle aandacht bestedend’ – aan bezig zijn. Zo kunnen vrouwen bijvoorbeeld gezellig zitten breien. Als het patroon maar niet te moeilijk is. Gezellig is het in de kantine. Niet tijdens het in dozen pakken van de, pakjes ingepakte, koekjes.
Gedwongen kiezen van onnodigs
Wie txaenz over heeft (iedereen dus hier), mist de gelegenheid er iets nodigs mee te doen. Dat is de definitie van ‘over’ hebben.
Hij moet nu kiezen en kiest tussen onnodigs doen in z’n eentje en met anderen. En tussen aan iets, aan anderen. Dat levert dus vier hokken op.
| onnodigs doen | in z'n eentje | met anderen |
| aan iets | 1 | 2 |
| aan anderen | 3 | 4 |
Vier hokken waarin niets nodig is.
Wat hier aan onnodigs gedaan wordt, is niet gesuperponeerd op nodigs. Nee, dat zou het allemaal veel te eenvoudig maken. Zo’n Gor-stel kan zelfs een kinderzegen oplopen. We zagen al truien gebreid worden, en zie de tuinen waar zoveel vlinders plezier van hebben. Het nut en de pret spetteren van de vrijetijdsbestedingen af.
Het meeste raakt ons niet
Als er van de 16 miljoen Nederlanders, goedgekozen zo’n 12 miljoen verpuften
4
(= verdwenen, zonder te begraven resten na te laten), zou er niemand zijn die hen miste. Voor de overgeblevenen zouden de verpuften alsnog puur vulling blijken. Ruimte zou er zijn, verder niks. De verpuften waren met elkaar bezig. Om gemist te worden, waren ze voor elkaar nodig.
Als ons het bericht bereikte dat Senegal was leeggestorven, afgelopen nacht, wie zou er dan iemand te betreuren hebben? Vrijwel niemand. Idem voor China. Welke Chinees zal nou een Nederlander missen? Al dat gepraat over ‘de mensheid’, en die berichten over ‘tientallen doden bij treinramp in Bogota’, dat is zo’n onzin. Het gaat echt helemaal nergens over. In het groot niet, en in het klein niet.
Maar als je zo begint, als je daar eenmaal beland bent, wat is er dan nog over? Ja, dat is dan de vraag. In de eerste plaats, niemand begint zo. Het is zo aan te treffen, en niet anders. Het niet onder woorden brengen van dit door iedereen gekende, verandert niets aan de stand en gang van zaken.
Meedenken als denkspel
Als ik niets ken, alleen "van horen zeggen" heb, over van die zaken als ‘in Afrika vermoorden ze elkaar om diamanten, die ze aan de rijken kunnen verkopen’. En dan kunnen ze ook mobiele telefoons en zo kopen. En negerinnen versieren of zo, weet ik veel. Dan heb ik daar dus niets mee te maken.
Puur om in het bespreken van een probleem te functioneren, wil ik best meedenken over de vraag of dit gebeuren, door een of ander doen, kan worden gestopt. Maar als spel. Zoals schaken een denkspel is.
Waar ik in ieder geval vanaf ben, is mij een mening te vormen en humanitaire oprispingen te krijgen. Kon er anders dan zoals Stalin het gedaan heeft, zo’n industrie worden opgebouwd in de USSR? Leuk onderwerp voor doordenking met vele deskundigen en goede denkers. Ik vind het allemaal wel leuk hoor, maar het komt er nooit van. Het blijft allemaal steken in het, emotie-trekkend, berichten. Wezenloos gereutel dus.
Onnatuurlijke besteding van txaenz
Die Goreanen houden elkaar bezig. In tweetallen, of kleine groepjes, zonder constructief samen te werken aan een nodig onderwerp. Wij zijn consumenten van de output van de media. Wij worden, door de lui die bij de media werken, Goreaans beziggehouden. Met leegte. Het gaat nergens over, maar vernietigt onze overgeschoten, onbruikbare, txaenz.
Wij, de lezer, ik en de mensen om ons heen, zijn door de ontstane efficiëntie beroofd van de dwang vanuit de omgeving (het milieu, de natuur). De dwang om het merendeel van onze txaenz te besteden aan het zelf voorzien in wat wij nodig hebben. Dat is een zinvolle txaenzbesteding. Met onder andere, bewegen, denken en taal gebruiken. Bezigheden waarin wij lustvol functioneren, als de genencombinatie die wij zijn.
Wat wij aan onnodigs doen, is en blijft leeg. En wij doen dat lustloos. Nee, lol en plezier zijn geen lust. In onze onnatuurlijke omgeving kunnen wij niet zodanig en zozeer functioneren in wat wij aanleerden, dat wij tot LEVEN naderen. Wij blijven eeuwig onvervuld, leeg, ontevreden. Wij blijven verlangen, fantaseren, dagdromen, ons afleiden en afleiding zoeken. Afleiding van wat ons aan omgeving en gelegenheden gegeven is, maar voor het overgrote merendeel is het niet passend voor ons.
WETEN maakt gelukkig
IK ben tevreden met het WETEN hiervan. Ik functioneer lustvol – ja, lustvol functioneren is een pleonasme – in dat WETEN. Net als eten, is het niet voor eens en altijd gedaan, maar moet het dagelijks. Want het is het functioneren van een lichaamsdeel, in dit geval de hersenen. Dit WETEN voorkomt misschien het optreden van verlangen, het houden van wensplaten naast wat gebeurt.
Hoe dat ook zij, ik ben gelukkig. En dat is niet slecht.
GELUK. ‘Happiness’, niet ‘luck’.
Keuzevrijheid, zo meldt de onderzoeker ons per radio, is een pijler van geluksgevoel.
Niet op buitenbesturing staan en niet gevangen zijn dus.
Je moet
- je partner/ gezelschap, en
- je werk/ bezigheden, en
- je woonplaats/ verblijfplaats
niet toegewezen krijgen.
Het nodige waarin je moet voorzien (wat je moet hebben, bijvoorbeeld eten en wat je moet doen, bijvoorbeeld bewegen en slapen) dat kun je niet zelf uitzoeken of bepalen, dat is natuurgegeven.
Maar HOE, met welk gedrag en met welke spullen/ middelen je erin voorziet, hangt af van
- wat voorhanden/ beschikbaar is, en van
- wat je geleerd hebt (= wat je, gezien je aanleg en de gelegenheden tot leren die je had, nu kunt).
Let op: wij leren zowel nastreven/ zoeken als vermijden en – angstig of walgend of hoe dan ook afkerig – nalaten. Dit wel, dat niet, en dan ook nog (binnen ‘wat wel’) de voorkeuren. Het liefst, zonder bezwaar, bij voorkeur, dat echt niet.
Allemaal aangeleerd
Waar ik blij mee ben, heeft niet de eigenschap ‘blijmakend te zijn’. Een ander kan er geen enkele voorkeur voor hebben, of zelfs van walgen. Ook dat andere reageren van die ander, is aangeleerd.
“Onze” aanvaardbare en favoriete bezigheden zijn niet gelijk geworden. Evenzo is ons bij elkaar passen als gezelschap (= als leveranciers over en weer, van onze txaenz) onwaarschijnlijk gemaakt, bemoeilijkt, misschien zelfs onmogelijk gemaakt, door leren. Dus ontstaan, los van ons als gebeurende – natuurgegeven – genencombinaties.
Een radio die zichzelf aanzet
Stel, je zit te eten naast, of met, iemand die met smaak schapenogen zit te eten. Dat is niet moeilijk te verdragen. Er is niets te dragen, die ander eet ze. Het is aangeleerd, niet eigen om die dingen te eten, te lusten, of niet.
Het is niet wezenlijk. En als ik maar niet aandring bij die ander om na te laten, en die ander niet bij mij aandringt om te doen, dan is er niets aan de hand.
Een ander geval is het wanneer die ander met mij wil – en ‘dus’ begint te – praten over ‘de jurk van de prinses’ of zoiets. Een onderwerp waarover ik niets wil horen, denken, zeggen of weten.
Anders gezegd, als die ander een zichzelf aanzettende radio is, die ik niet kan uitzetten. Ik vind dat daar geen aandringen past op luisteren of aanhoren, maar ‘uit te zetten zijn’.
Of beter, helemaal niet spontaan aan gaan staan.
Maar ‘helemaal niet spontaan aan gaan staan’, is het tweede 5 dat de hoogleraar/ geluksonderzoeker aanwees:
- ‘winkelen’, proberen te vinden, en anderzijds
- colporteren, venten, leuren met, adverteren, ‘proberen een klant te vinden voor’ wat je te bieden hebt.
Slechts voor wie de gelegenheid heeft – en daarbij hoort (hun) toestemming – om passende anderen te zoeken, is het waarschijnlijk/ mogelijk een passende ander te vinden. Slechts zoeken doet waarschijnlijk vinden, zonder wonderen en ‘leiding van boven’.
Een passende ander hoeft niet ook ogen te eten, maar wel belang te stellen in de jurk van de prinses. Want daar wil je informatie over verkrijgen en/of doorgeven. ‘Ergens over praten’ is dus niet, zoals ogen eten, een solitaire bezigheid.
Op buitenbesturing staan en zetten
Er zijn ontelbare onderwerpen ter bespreking, hobby’s te delen, sporten die samen te beoefenen zijn. En bijbehorende, afkeren en belangstellingen. Wie, zoals iedereen, gelukkig wil zijn, zal dus clubs en kennissen daarbij zoeken.
Wie alles met één ander moet doen – zoals Robinson met Vrijdag, of de allochtone vrouw uit het vooroordeel met haar man – staat zelf, en zet de ander, ‘op buitenbesturing’. Zo iemand maakt, en wordt, minder gelukkig dan anders (met meer anderen) mogelijk en waarschijnlijk is. Een ander schoolvoorbeeld is het arme stel dat in één huis met één televisie moet wonen. De televisie is sowieso een bron van ongeluk, want van buitenbesturing. Overigens is ook ‘werk’ (loonslavernij) buitenbesturing.
Buitenbesturing (‘moeten’ dus) en geen gelegenheid hebben (‘niet mogen’ dus) zijn bronnen van ongeluk. Ook niet-kunnen: de vaardigheid missen, nog niet geleerd hebben, om vorm te geven aan iets ‘wat je nodig moet doen’.
Het aangeleerde is willekeurig
Enig nadenken doet je de toevalligheid en vervangbaarheid, ook voor en door jou, inzien van
- wat je aan vorm aanleerde, van voorzien in, en doen van wat je nodig hebt en moet, en
- waar je belang in leerde stellen,
- waar je naar leerde streven.
Een gesteld belang is evenals een gesteld doel, willekeurig.
Een belang dat je door je situatie hebt (Robinson bij het verder intact blijven van het schip, waarmee hij strandde), of iets wat je nodig moet doen, die ‘dingen’ zijn, in tegenstelling met een gesteld belang, niet willekeurig, niet toevallig.
Dat inzien van die toevalligheid en vervangbaarheid, hoeft je niet af te houden van zoeken naar een ander om het samen mee te doen. Maar dat inzien haalt wel de druk van dat streven af.
En druk maakt niet gelukkig. Wel ongelukkig, als er met de energie die uit die druk voortkomt, geen succes te behalen is. Robinson vindt geen ander om de oude successen van zijn favoriete voetbalclub mee na te bespreken.
In nodigs moet worden voorzien
Wie een taal geleerd heeft, moet praten, die taal gebruiken, minstens schrijven. Eigenlijk, iets aan een taalgenoot melden, af en toe. In dat ‘taal gebruiken’ functioneert zo iemand. Ieder mens dus, op weinigen op de zes miljard na.
Denk ook aan die merkwaardige zwijgende ordes van monniken. Die ‘regel’ is niet tegen de taal gericht, maar tegen het gekwebbel. Over die jurk en dergelijke.
Vormen (van ‘in nodigs voorzien’) waarvoor een ander nodig is, maken gegarandeerd onvrij, leveren buitenbesturing op, zijn bronnen van ongeluk.
Tenzij voor ieder van die gevormde ‘behoeften’ een passende, precies tegengesteld behoeftige, ander gevonden wordt. Op iedere gevormde behoefte, beschouwd als een opening, dient een passend dekseltje gevonden te worden. Minstens een enorm gezoek en gedoe.
Streven naar het zich verschaffen van wat keuze uit vormen van voorzien in het eigen – onvermijdelijke – nodige, is een weg naar geluk. Weer die gelukbrengende keuzevrijheid.
Zelfverandering of instant-geluk
Zo’n stichter van een monniksorde ‘zei’ als het ware: “Zoek geen luisteraar, maar probeer eens uit of je wel wezenlijk – in tegenstelling tot, ‘toevallig geworden’ – een kwebbel bent, wilt zijn en blijven”. Hij wijst op zelfverandering als mogelijkheid, hij schept er gelegenheid voor.
In tegenstelling tot zo’n stichter van een orde, geeft Gor zijn Goreanen elkaar als – op hen, als potje – passende dekseltjes. Ook Gor levert (en wel instant-) geluk. De Goreanen zijn af van het verlangen en/of van het pogen zich te veranderen. Hun gezoek heeft hen opgeleverd dat ze nu passen. Passen met ‘wat ze aangeleerd hebben’ bij ‘wat hun omgeving van hen verwacht en in hen waardeert en loont’. Het hele Goreaanse, seksueel ingekleurde ‘heer–knecht’ spelletje is volstrekt alleen maar spel, zo leeg en belachelijk als het is. Hoe dan ook ingekleurd in de economie, waar het wordt gespeeld met alles wat ‘status’-vertoon is.
Wie zich identificeert met wat hij geleerd heeft, belemmert zichzelf bij het vinden van geluk. Dat is immers gelegen in het voorzien in, en doen van, het nodige.
Genencombinatie (nodigs) gaat boven de (op één van haar functies, vaak apperceptief genoemde) massa aangeleerds (in casu, de vormen van in nodigs voorzien). Natuur gaat boven civilisatie, dat is zo. Dat staat niet ter keuze. Wie hier tegenin gaat, wordt “gestraft met” ongelukkig zijn.
VOETNOTEN
1) [red.] John Frederick Lange jr. is een Amerikaanse filosoof en schrijver. Tussen 1966 en 2019 schreef hij, onder het pseudoniem John Norman, 35 boeken over de, door hem verzonnen, planeet Gor. Op deze "Tegen-Aarde" creëerde hij een fictieve wereld waarin mannen domineren. Vrouwen zijn daar onderdanig en dienen de mannen. De ingevoegde tekening van fantasy-kunstenaar Boris Vallejo siert de omslag van het eerste boek uit de Gor-serie.
2) [red.] In de oorspronkelijke tekst stond hier nog de volgende toevoeging, die los lijkt te staan van de rest van dit essay:
Nee, dat zijn niet de politici/volksvertegenwoordigers!! Die zijn dat in het verhaal, waarmee de massa wordt misleid.
Zeer waarschijnlijk verwijst Jaap hier naar zijn idee dat de werkelijke macht elders ligt. Onder meer, bij de groot-industriëlen, zoals in het verhaal "De bovenbazen" van Marten Toonder. De propaganda – het verhaal, waarmee de massa wordt misleid – houdt ons daarentegen consequent voor dat de macht bij de politici ligt.
3) [red.] Schuldstellend, in de betekenis van: (van bovenaf) opleggen dat er sprake is van schuld. Uiteraard in tegenspraak tot Jaap's idee dat mensen niet doen, maar slechts "gebeuren".
4) [red.] Verpuffen is een Duits werkwoord. Eén van de betekenissen is: in rook opgaan. Jaap maakt er hier een Nederlands werkwoord van. Verderop in de tekst wordt het voltooid deelwoord verpuft gebruikt om er een zelfstandig naamwoord van te maken. Een verpufte is dan "iemand, die in rook is opgegaan".
5) [red.] Het eerste was "Keuzevrijheid is een pijler van geluksgevoel", zie eerder in de tekst.
0 Reacties