Jaap Schot, mei 1990
Vóór de Eerste Wereldoorlog liepen de soldaten op het slagveld in indrukwekkende, opvallende uniformen rond. Door het invoeren van de mitrailleur, verwerd dit vertoon om te intimideren, tot het zich als schietschijf opstellen.
De Eerste Wereldoorlog leerde de militairen zich te camoufleren, zich te verbergen en zich in te graven. W.O. I leerde hen te vechten met gif, met list, met sluipen, met verraad.
W.O. I maakte definitief een einde aan alle eer en openheid en ridderlijkheid. Dit alles bleek onbruikbaar om te winnen, het bleek geen succes op te leveren.
Wereldoorlog nummer twee hief het onderscheid tussen burgers en militairen op voor wat betreft de bruikbaarheid als schietschijf. Waren de burgers die in de Eerste Wereldoorlog omkwamen nog veelal verongelukt of in excessen vermoord, de Tweede Wereldoorlog was planmatige moord op burgers van – en door – alle strijdende partijen. W.O. II was openlijk een uitroeiingsoorlog en een naakte strijd, van allen tegen allen, om alle strategische goederen, luxe goederen en productiemiddelen.
Was er nu iets nieuws ontstaan? Nee, het vernis van
- christelijkheid,
- ridderlijkheid, en
- beschaving
was van de civilisatie afgehaald en afgebladderd.
Nazisme en "de Japanse expansie" waren naakte civilisatie. Niets nieuws, alles was er al geweest. Op de technische middelen na.
Oorlog en 'vrede-in-civilisatie' zijn aan elkaar gelijk: roofmoord.
"Vernietigen door arbeid" is zo'n uitdrukking die door de Nazi's openlijk is gebruikt. Zolang – zeker zesduizend jaar – als er civilisatie is, wordt dat gedaan door mensen met andere mensen, en met dieren. Doodslaan is alleen maar een uiterste van straffen. En straffen is alleen maar dwingen door mishandelen.
Wie doodt, stelt een voorbeeld voor wie om hem heen leven. Daarom wil de moordenaar dat zijn moord bekend raakt.
Democratie is burgeroorlog
Eer, deugd en ridderlijkheid waren waarden binnen de ondemocratische, feodale gemeenschappen zonder sociale beweeglijkheid. Tussen die gemeenschappen bestonden die remmen op inhaligheid, op roofmoord, niet.
Democratie betekent dat er tussen alle burgers onderling oorlog heerst, strijd van allen tegen allen om alle voorrechten. Allen zijn door die situatie gedwongen de aanwijzingen van Machiavelli op te volgen, en te verwachten dat alle anderen er altijd en overal uit handelen. Doen ze dat niet, dan veroordelen ze zichzelf tot falen in alle streven.
Hiervan uitgezonderd is slechts wie toevallig niet hoeft te concurreren en vechten om het geld dat hij nodig heeft om het, voor zijn leven en welzijn, nodige te kopen. Alle deugd is luxe in een democratie. De gelegenheid tot die luxe is toeval, geen verdienste. Wie deugdzaam doet én luxueus leeft, is schijnheilig. Want het veroveren, handhaven en afdwingen van de voorrechten, die hij geniet, doen anderen voor hem. Die doen dat met de geëigende middelen: bedreigen en bedriegen.
Bij anderen deugd verwachten óf bij hen op deugd aandringen, is wereldvreemd in deze democratische tijden. Een uitzondering vormen die anderen die samen met jou 'cultuurtje' spelen. In gezinsverband, familieverband, stamverband, als volk, of als elite. Kunstzinnigen, intellectuelen of religieuzen, het wemelt ervan. Het is een leuk spelletje: 'elitetje'.
Zij zijn schijnheilig, die lui die er goed van leven én deugdzaam zijn in een luxe verband-binnen-de-civilisatie. In zo'n soort kloosterclub, waar men anders is dan in de boze buitenwereld. Van die boze buitenwereld betrekt men zijn speelgoed: de kenmerkende clubkleding en de andere parafernalia.
Er bestaat geen samenleving meer
Waarden, normen, deugden, goede strevingen, zorgvuldigheden, eer, het was allemaal sociaal spul. Het had een plaats in een samenleving met
- een verleden,
- een toekomst,
- een omvang waarin de enkeling niet bestond als aparte, eenmalige, losse, nergens voor en nergens toe levende, toevallige genencombinatie, bezig aan een eenzaam en eenmalig avontuur.
Wij, die volstrekt toevallig – nu, in deze democratische civilisatie – leven, maken onszelf wat wijs als we nu deugdzaam gaan zitten zijn. Of ook maar enige waarde, norm, eer of iets dergelijks, willen gebruiken om ons doen en laten ermee te regelen.
Niemand kan in z'n eentje sociaal bezig zijn. Alle sociaals is beëindigd met het weer naakt worden en allen in democratie gaan omvatten van de civilisatie. Er bestaat geen samenleving meer. De democratie is die situatie waarin alle grotere gevechtseenheden (IETSen, staten, rijken, ondernemingen) in de kleinste eenheden zijn uiteengevallen: in vrije enkelingen, in soevereine individuen.
Niets komt er meer op aan. Er zijn geen goden en er zijn geen redelijke menselijke wezens meer.
Redelijke mensen zijn voorspelbaar. Dus voor hun tegenstanders – en dat zijn, in het spel 'civilisatie-in-democratie', alle anderen – gemakkelijk te gebruiken, te manipuleren, op te lichten, te bedriegen. Alle deugdzaamheid is voorspelbaarheid, en alle voorspelbaarheid is een zwakte voor wie in een frontsituatie bezig is. Een zwakte en dus een gevaar.
Ik hoef niet mee te doen
Aan dat spel civilisatie hoef ik, door een ongelofelijk onwaarschijnlijk toeval, niet mee te doen. Aan een cultuur kan ik niet meedoen, ik ben geen lid van een – door de civilisatie, nog niet ontdekte – stam. De dienst van die ene god maakt het, voor wie zich in die waan aantreft of weet te brengen, mogelijk om in z'n eentje te gaan deugen. Om God's wil. Die god is een illusie of een stukje denkspeelgoed. Ook wie doordat hij geciviliseerd werd 1 , alleen is komen te leven, kan nog met die illusie blijven spelen. Hij kan dat zelfs doen in club- of kerkverband, met geloofsgenoten. Menigeen doet dat. Met wisselend plezier.
Iedereen kent het feit dat dát illusie, begoocheling, zelfbedrog, 'geloof' is. Maar als het nou leuk is – leuker, en zeker minder afschuwelijk, dan wat er in de civilisatie gebeurt – dan gaan ze door.
En waarom ook niet?
Ooit dacht ik nog: niet omdat, als de meeste mensen ontwaken, ze de democratie kunnen gebruiken om zelf te gaan leven. Niet omdat ze zelf, samen on-vertegenwoordigd, de dingen die – nu, hier – nodig en goed zijn, kunnen gaan doen.
Dat was jeugdig enthousiasme, dat ging over.
Jammer hè. Maar ja, het ging niet anders. En er is geen terug, in het onderscheiden en inzien.
1) Voor het vechten met ieder ander om elk voorrecht als enige bezigheid nog geschikt gemaakt werd. Met andere woorden, tot een vechtmachine gemaakt werd.
0 Reacties