Werken is niet leuk

Categorieën: 1986, 1 april – 1989, 31 december | Archief | Overige teksten

Trefwoorden: boekbespreking

Jaap Schot, 17 december 1986

Ik lees dezer dagen het boek 'Werken is niet leuk' van Stan van Houcke. Daarin wordt verteld hoe het kapitaal met fysiek geweld de arbeid heeft gekoloniseerd. Het zal allemaal wel waar zijn. Een ding is echter duidelijk: de mensen weten deze dingen allemaal niet en toch zijn ze religieus arbeids- en consumptiezuchtig en goklustig en op toppresteren en wedijveren gericht.
Daartoe zijn ze thuis en op school in hun eigen geschiedenis gekomen, oefenend in hun spel buitenshuis en op het schoolplein. Hun keuze werd en wordt ononderbroken bekrachtigd door hun naasten en verwanten en door de media. En vooral ook door het succes dat ze er mee hebben: hun rijkdom, hun macht en hun beroemdheid: de spullen, de invloed en het applaus.
Die keuze, dat aanleer- en dat bekrachtigingsproces vond en vindt in hun leven plaats, in hun geschiedenis, niet voor hun tijd in de geschiedenis.
De output van de media en van de omstanders rechtstreeks werkt op iedereen. Enkelen laten zich door die sociale druk, die propaganda en die reclame niet africhten, de meesten wel. Dat zich onderwerpen van de meesten is te verklaren en te begrijpen, het is zinloos er een plaatje naast te houden en te spreken van schuld en van het 'te verontschuldigen zijn' van dat zich tot slaaf maken, dat zich verslaven.

In mijn opstellen is kennis van al deze historische feiten vooronderstelt alsmede het inzien van het feit dat deze waarheid omtrent wat was voor onze tijd, ons niet raakte. Wat ons raakte was wat ons raakte. Wat wij deden en doen, deden en doen we niet door maar naar aanleiding van dat wat ons raakte en raakt.

Het wereldgebeuren is de som en niet meer dan de som van wat gedaan wordt. Wat niet gedaan wordt blijft uit. Wat gedaan wordt kan niet ongedaan worden gemaakt, dat wat hetgeen gedaan wordt neutraliseert, de gevolgen ervan teniet doet, zou zonder die geneutraliseerde daad terecht gekomen zijn in een ander wereldproces en niet zoals nu, - nu het slechts neutraliseert -, nutteloos en leeg zijn gebleven. Wat nagelaten wordt, blijft ongedaan. Het wereldgebeuren is een proces, het in de tijd voorafgaande maakt het in de tijd volgende mogelijk, veroorzaakt het echter niet. Met het wereldgebeuren als geheel als maat is alle doen en laten van een individu volstrekt te verwaarlozen. Het voorlezen van wereldnieuws is dan ook vooral het uitspreken van deze boodschap aan iedere luisteraar: jij bent niets.

Of het allemaal voor onze tijd zus en zo of anders was, en of het na ons overlijden zus en zo of anders zal zijn maakt voor niemand van ons enig verschil. Wij, individuen, hebben geen geschiedenis die langer is dan onze tijd van leven. Onze individuele geschiedenis begint niet met onze geboorte, maar met onze conceptie. Wij ontstaan, wij worden niet door onze ouders gemaakt. Als er (dwaas is dat) over verantwoordelijkheid voor mijn bestaan gepraat moet worden, dan ben ik en alleen ik daarvoor verantwoordelijk en ik heb niemands instemming nodig. Als anderen om mij heen zich ervan weerhouden mij te schaden is dat geen enkele verdienste. Als anderen om mij heen ten opzichte van mij natuurlijk functioneren, mij als baby en kind beschermen en verzorgen en mij als medemens vriendelijk bejegenen is dat heel natuurlijk, niets bijzonders. Hoe wereldwijd verspreid ook en hoe lang ook al bestaand: het anders doen (kwaad doen, onderwerpen, dwingen, onzelfstandig maken, invalide maken, kortom het civiliseren, koloniseren, in slavernij brengen) dat is gek, dat is misdadig. Het onnatuurlijke is het negatieve.
Let wel: dit heeft niets te maken met het stellen van de wilde, ongeciviliseerde mens als ware deze een engel. Hetgeen de mens als wilde doet valt buiten goed en kwaad, goed en kwaad zijn begrippen die slechts in de cultuur, in de geregelde samenleving dus, passen, in de civilisatie, die geen samenleving is, passen deze begrippen niet. De civilisatie kent geen goed en kwaad, ze kent alleen succes hebben en falen. Wat de wilde dieren (inclusief dus de wilde, vrije, mensen) doen, beperkt zich tot het nodige voor hun leven en welzijn en valt daardoor buiten geod en kwaad. Niets wat enig dier doet voor zijn leven en welzijn kan kwaad worden genoemd. Evenmin kan het goed worden genoemd. De wilde dieren (inclusief mensen) doen geen kwaad. Ze doen zichzelf goed en ze helpen elkaar en zelfs helpen ze dieren van andere soorten (als we de verhalen over dolfijnen die drenkelingen redden mogen geloven en als we de reddingsacties door dierenvrienden mogen opvatten als echt in onderscheid van symbolisch gedrag).

Fundamenteel voor mijn begrippensysteem is dat natuurlijk (wild, vrij) leven, in cultuur leven en geciviliseerd leven als drie volstrekt niet samenvallende dingen worden onderscheiden. Sterker dan de muntzijde, de kruiszijde en de zijkant van een muntstuk (die niet los voorkomen) volstrekt te onderscheiden zijn, zijn deze toevallig bij ons niet langer los voorkomende levenssituaties te onderscheiden. We moeten daarbij opmerken dat de cultuur onder druk van de civilisatie zich (vaak religieuze termen gebruikend) is gaan voordoen als ware ze natuurlijk) zoals de civilisatie zich ononderbroken voordoet als ware ze cultuur (doordacht en 'leven behoudend gebleken', "bewaehrt" in het Hoogduits).

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *