Wie of wat wij zijn

Categorieën: 1990, 1 januari – 1994, 31 december | Archief

Trefwoorden: censuur

Jaap Schot, 18 juni t/m 6 augustus 1992

Het verleden(e) is voorbij, is er niet meer. Ware het anders, wij hadden onze jeugd, onze gemiste kansen, ons ongeschonden lichaam nog, al onze txaenz. Wij zijn die jeugdigheid en die gemiste kansen kwijt, volledig. Laat ons dus eerlijk en nuchter vaststellen dat ook al het negatieve dat verleden is, verleden is, voorbij, over, weg. Herinneringen zijn sporen, maar het spoor is niet de olifant die het maakte. Ik ontken het bestaan van het spoor niet, ik constateer de afwezigheid van de maker van het spoor.
De maker: de veroorzaker, de veroorzakende gebeurtenissen en in dit geval van sporen in ons, op ons zenuwstelsel zijn dat ook de sporen van onze interpretatie van die gebeurtenissen toen, daar.

DE 'IKKEN'. Die interpretator die ik daar toen was is evenzeer weg, verdwenen, verleden tijd, als die gebeurtenis en die andere betrokkenen. Het is allemaal weg en voorbij. Allemaal: het goede en het kwade, het belangrijke en het onbelangrijke.

HET GEHEUGEN. Oh ja, wij hebben ons geheugen om te kunnen terugvinden wat we deden en waar we wat vonden, ook waar we wie vonden. We hebben ons geheugen als een stuk gereedschap. We kunnen het gebruiken om terug te zoeken en om te vermijden. We kunnen vechten, vluchten en ons verbergen, proberen onopgemerkt te blijven. De olifant kan altijd weer terugkomen, deze olifant of een andere. Het spoor kan niet doen wat de olifant deed, wat dat ook was.

Het spoor kan niets doen.

Oh nee? En het 'spontaan' in ons bewustzijn (bijv. onze dromen) komen van die sporen dan? Het te doordenken probleem hier zit 'm in het woord (begrip)(verzinsel) 'spontaan'. Dat verschijnsel, dat opduiken, dat is er, dat is gegeven.

HET AFWEZIGE 'IK': IK, DE GROTE AFWEZIGE.

Dat opduiken doe ik niet, er is geen zoeker, geen zoeken naar die geheugeninhouden, integendeel.
Ik kan wel zeggen 'ik droom', moet dat zelfs wel zeggen als ik onze taal wil spreken, maar die 'ik' die dan die films verzint en regisseert die mij als ik slaap bewust worden, die 'ik' veronderstel ik alleen maar (de 'ik' die spreekt).
Zo is er bij ieder werkwoord een 'ik'. Daar wordt het leven echt niet overzichtelijker van.
Deze teksten, die ik uitschrijf, vallen mij in. Zoals mijn handen de zaag hanteren als ik zaag, zo vallen mij doordat ik mij 'aan het uitschrijven zet' gedachten in.

Al die 'ikken' bij al die verschillende echte werkwoorden (namen van activiteiten) ken ik alleen maar doordat ze iets doen. Ik stel ze als ik mijn (onze) taal spreek achter dat werken. De taal, het zo-zijn van de taal maakt dat ik die 'ikken' schep.

Dat is toch gezeur, he. Die 'ikken' zijn van taal gemaakt, die 'ikken' neem ik toch niet waar. Hier wordt geschreven, hier is toch geen schrijver. Als ik nu de juiste toetsen indruk wordt deze tekst vastgelegd, dan is er toch ook niet een vastlegger. Er gebeurt gewoon wat en bij mijn computer heb ik geen dwang vanuit de taal om achter elke 'functie', bij alles wat er in en door dat ding gebeurt, veroorzaakt wordt, een 'persoon', een dader, een onderwerp bij dat gezegde (werkwoord) te voegen.

Die dwang komt niet vanuit de taal, maar vanuit de taalgebruiksgewoonten die ons (mij) zijn aangeleerd: voorgeleefd en voorgeschreven. Zijn er bij deze werkwoorden daders? Of zijn er nergens daders? Als er nergens daders zijn, dan is er geen schuld te schuiven.

[Dan is er niet naar verdienste te rangschikken.]

Ik, die de computer 'bedien' besta echt, die 'ik' achter mijn invallen en mijn (besluiten tot) doen en nalaten, die is mij niet gegeven en ook anderen kunnen die 'ik' (mij dus) niet zien. Als ik met 'ik' mijn bezige lichaam bedoel, o.k., dan ben ik voor anderen waarneembaar, gegeven. Maar die 'ik' binnen in mij, die bezitter van mijn lichaam in mij, die is mij niet gegeven, is voor mij niet waarneembaar. Zijn bezigheden (mij dit in laten vallen) zijn mij gegeven, maar ik heb geen reden om hem achter die bezigheden aanwezig te veronderstellen. Als ik achter wat mij invalt, achter wat ik droom en zeg een 'ik' veronderstel, dan doe ik niet minder (niets minder raars) dan wanneer ik er een zich openbarende godheid achter veronderstel. De zich in wat mij invalt (resp. in wat ik droom) openbarende geest of god is evenzeer een verzinsel als die 'ik'. Maar dat mij tekst invalt, dat is mij gegeven. En dat ik zaag is mij als ik zaag gegeven. Dat zagen is er, is gegeven, en ook dat 'denken', dat bewust hebben, beter gezegd, want denken is een veronderstelde voorafgaande bezigheid om het bewust hebben van iets (dat we dan het gedachte, de gedachte, noemen) een herkomst te geven, er een fabricage bij te veronderstellen. Eerst was het er immers niet en nu is het er wel, er moet dus iets gebeurd zijn, en wel: het aanmaken ervan. Maar dat is een bedenksel, dat aanmaken, het is mij niet gegeven, ik kan het niet waarnemen: niet in (bij) mezelf (introspectief) en niet in (bij) een ander. einde tussenvoeging
De toekomst is er nog niet, ze is een bedenksel, een hersenschim tot ze er niet meer is, want heden is, gezien tegen de achtergrond die wij daarvoor gebruiken: de kalender. Tijdstippen zijn delen waaruit die kalender is opgebouwd, ze maken deel uit van die achtergrond, NIET van de werkelijkheid. 'Nu" is niet de naam van het tijdstip dat als achtergrond dient waartegen we 'dat wat is' laten afsteken, zodat het te registreren wordt. Het nu is er, gegeven, het tijdstip dat wij er achter (aan)tekenen is ons verzinsel. Het heden, het nu, dat-wat-is, duurt, een tijdstip duurt niet, een rij tijdstippen, een 'tijdlijn', duurt ook niet. Wat we hebben (aandacht, energie, vaardigheden, gelegenheid, toewijding) duurt. We hebben geen tijd. Die 'ik' die aandacht, energie enz. heeft, en daar iets mee wil, is ook een verzinsel.
't Is me wat hè? Als je dat zo onder woorden brengt. Wat blijft er nog over?, als je zelf (als 'ik') weg bent, niet uit de tijd, niet de tijd uit, maar mt de tijd samen. Er blijft over een weegbaar chemisch actief geheel, een draaikolk: wat massa, een hoeveelheid materie "in proces".
Dat dit, deze tekst, mij invalt, kan ik ook niet helpen. Ik kan nalaten ze uit te schrijven. Of, exacter: als ik niet was gaan zitten uitschrijven was ik blijven steken in het hebben van de eerste vier regels, gedacht als een fragment in een eventuele correspondentie met een zieke, vandaar die voorbije gezondheid.

Ik ben zo'n proces, zo'n draaikolk, en wel een die zich geleerd, en aangewend heeft uit te schrijven wat hem invalt. Onze taal benoemt die draaikolken, die chemisch-in-proces-zijnde hopen materie (stof): "ik", "jij", "hij", "zij", "wij", "jullie", "zij". En daar is geen bezwaar tegen, zodra, zolang, en naar mate, die draaikolken, die levenden (processen) weten wat zij zijn: zich dat bewust hebben gemaakt en zich dat bewust houden .
Eén (bij bacteriën en sommige planten en dieren) of twee van die draaikolken ['exemplaren'] kunnen nieuwe hoeveelheden materie in kolking krijgen, tot nieuwe exemplaren laten worden. Die exemplaren lijken altijd op hen. Hoe nieuwe soorten ontstaan weten we nog niet. Als (zodra) we dat weten kunnen we misschien echte MENSEN maken uit onszelf.

De concepten (begrippen) 'Ik, jij, hij, zij, wij, jullie en zij' zijn in de hoogste mate ('zijn de ergste') verzinsels. Maar wij kunnen ons 'wij' noemen, wij die slechts nazaten van onze soort kunnen "maken" ('laten' ontstaan dus: dat ontstaan waarschijnlijk maken en het dan niet verhinderen, dat proces niet onderbreken).
Men (menigeen, vrijwel iedereen) *verwijdert zich al denkend van* dit biologische, chemische, hem overkomende zijn. 'Zich al denkend verwijderen van' betekent hier zo ongeveer: 'zonder corrigerende reactie toestaan dat hem iets anders invalt dan'. Hij is dan iets anders aan het bedoelen met het woord 'ik'. Hij dwaalt, verdwaalt, verdwaast, hallucineert of zo. Doen, zoals hier te lande en elders, nu en vroeger, velen dat, dan dwaalt er een massa. Meer is er dan overigens ook niet aan de hand (geweest). Elke draaikolk is eindig, in de tijd en in de ruimte. Elk levend wezen is dat ook. En water resp. stof waren wij en tot water resp. stof, zonder energie, dus zonder vorm, keren we dan ook terug. Einde, uit. Ontelbaren gingen ons voor, zijn onze tijdgenoten (geheel of gedeeltelijk) en zullen er na ons zijn. [Alle levensbeweging uit de aardse stof halen zal de mensheid wel niet lukken. En zo wel, wat dan nog? Het genoemde gebeuren overtreft ons dermate dat wij het niet hoeven te keuren: het niet hoeven toe te juichen en het niet hoeven te betreuren.]

De gedachten in dit opstel doen ons met een plof op de grond belanden. Weg de gedachte, verzonnen 'hoogte' en 'diepte'. Dat gejuich over ons vanelkaarverschillen (als exemplaren en als dierendiemenszijn van dierendiedierenzijn) verstomt. De neiging aan elkaar iets te veranderen verdwijnt. Weinigen zeggen nu nog openlijk dat op de blanken de last drukt om de mensen met gekleurde huid te verheffen, te ontwikkelen, als knechten te gaan gebruiken om ze nuttigheid te verschaffen. Het zich zo tot alle geweld rechtvaardigen jegens de niet menselijke levensvormen wordt nog alom onweersproken gelaten.

Voortbestaan, = ongebreideld, vrij, zomaar functioneren, blijft over. De nodige en op eigen kracht vanbinnenuit beslabare ruimte innemen is het enige "doel", de enige "wens", het enige nagestreefde. Zomaar ontstaan daaruit nieuwe exemplaren, uit dat functioneren. 20.12uur
Al die greep die wij hebben gekregen,  daarop (op dat laten ontstaan van kinderen) en op het uitstellen van het einde van elk van ons als levends , al die greep is een vloek, een nadeel, een kwelling. Dat hele spel met 'ik' en 'wil', met separatie oftewel 'selectieve binding' is een plaag, die 'civilisatie', 'vooruitgang', 'ontwikkeling', 'cultuur' wordt genoemd; het is een vervloeking, een doem. "Heb Uw vijanden (en de mensen van andere groepen, bijv. Samaritanen) lief" is: 'hou op met die separatie, met dat 'selectieve binden'. 'Was de voeten van de anderen', 'wees de minste', 'acht ieder ander uitnemender dan jezelf', dat zijn kromme uitdrukkingen voor 'stop jullie rangschikken'.

Die georganiseerde civilisatiereligies, religies door lui in de civilisatie aangehangen, leren:  "hou vast aan je culturele oude tradities die jullie nog van voor de civilisatie resteren" plus:  "stop met geciviliseerd [= gesepareerd enkelingingevecht] zijn", plus:  "wees/wordt eenmethetAL", [= wees niet langer een 'ik', eindigend op je vel, daardoor eindigend met je dood', weet je golfindezeegang]. 'Geniet van het leven, met de vrouw die je liefhebt', punt uit. Wees golf, draaikolk, exemplaarvaneensoortlevende wezens, verder niets. toevoeging:
Verder niets: Dat gelul dat wij, de exemplaren van de soort, wegwerpverpakkingen zouden zijn van genen, zegt iets uit over het bewustzijn van de theoretici in kwestie, niets over de werkelijkheid. Het is een variant op de homunculusverhalen. God en het subject zijn ontmaskerd als verzinsels en dan scheppen ze strevende genen teneinde toch een 'rationeel' verhaal (met daders) aan te maken achter wat we waarnemen.

Ik heb een hele tijd niet geschreven, dat is te merken.
Ik vind dit een goed verhaal.

Het spreekt vanzelf dat ook het opvatten van de enkelingen als exemplaren van de een of andere soort iets zegt van de opvatters, de theoretici, die waren kennelijk bezig geweest zich soorten als categorieen uit te denken. Dat is uitdenken, want zoals het waar(neembaar) is dat mensen of man of vrouw zijn, toch zijn er tussenvormen, hermafrodieten, die niet volledig mislukkingen van het copieringsproces zijn. Op een keer mislukt het namaken van de soort op een constructieve manier en heb je een nieuwe soort. Misschien is het zo, gaat het zo.

Nog verder kunnen we gaan, we kunnen stellen dat alle theoretici, alle opvatters (=aanmakers van beschrijvingswijzen), alle begrijpers (=aanmakers van begrippensystemen), alle besprekers (=gebruikers van een taal) iets verzonnens zetten naast de hen gedeeltelijk, want slechts zintuigelijk, gegeven en dan ook nog eens zeer fragmentarisch waargenomen werkelijkheid (met andere woorden naast dat wat is). Ze zetten dat verzonnens er niet slechts naast, maar [voor wat betreft het initieren en vormgeven van hun doen en nalaten, inclusief hun denken en voelen] zelfs er voor in de plaats. Hun beeld, dat zij zich maakten van de werkelijkheid, gaat voor alle practische doeleinden bij hen door voor de werkelijkheid. Door hun filosofen is hen dat wel bewust gemaakt maar dat veranderde niets aan hun praktijk. Hoogstens andermans opvatting wordt als opvatting herkend en erkend en aangevallen en geminacht, miskend, veracht. Ook dat is bekend en nu is daar het volgende op gevonden: alle opvattingen dienen als gelijkwaardig te worden opgevat. Zo wordt de alchemie weer de gelijkwaardige van de chemie, de scheppingstheorie (mythe) weer gelijkwaardig aan de evolutietheorie, de logische en waargenomen waarheid weer gelijkwaardig aan elk geloof. Voor de juristerij zijn we weer terug bij af, bij nul, bij de Romeinen, waar de juristen nooit bij vandaan gingen, de Romeinen die goden verzamelden zoals nu sommigen bijvoorbeeld affiches verzamelen. Commercie is het gewoon: de verzameling stellingen (leerstellingen of vaststellingen, dat deert de verkoper niet) zijn er voor de verkoop. Als een boek vol onzin goed verkoopt is die onzin handelswaar en als zodanig heeft die onzin een prijs en voor de handel is ze die prijs waard. De handel moet vrij zijn en de rest is flauwe kul. Iedereen is (gekenmerkt door, want drukt zich uit in) wat hij koopt. Wie meer koopt is meer dan wie minder koopt. Wat hij koopt doet niet ter zake (voor de handelaar). Voor elke verzameling onzinnigheden en voor alle prullen is ergens wel een koper. Het gaat er om die te vinden. Verder gaat het nergens om. De mensheid is nergens aan bezig, alle mensen zijn ergens aan bezig: de meesten simpelweg aan in leven blijven en zich voortplanten, de rijkere minderheid is bezig elkaar onnodigs te verkopen, tot onnodigs aan te zetten. Dat doen die rijkeren in het spel dat zij spelen: "rangschikkertje met voorrechten". Ingewikkelder zit het niet in elkaar. Voor dat spel is het nodig dat iedereen die meespeelt zich opvat als iemand die iets wil (minstens moet hij een rang willen hebben, dus minderen). Als hij het spel volgens de regels van de handelaren speelt, dan is zijn rang evenredig aan de hoeveelheid geld die hij al kopend besteedt. Kopen betekent iets kiezen uit het aanbod op de markt en daartoe moet de koper een criterium, een stijl, een smaak, een doel hebben: iets willen. Een wil moet de koper, de speler, dus hebben, een vrije wil. Als de koopkrachtige niets als wilsinhoud, als wens, invalt, kan hij zich laten adviseren, bijv. door reclame, smaakmakers en verkopers van levensstijlen. Vroeger waren er weinig van die adviseurs op de markt en dat waren dwingerige baasjes, die eeuwenoude tradities en heerszuchtige, zwaarbewapende, gewelddadige religies gebruikten om massa's lieden gelijk te maken. Ook de nationalistische adviseurs waren letterlijk vreselijke, angstaanjagende lieden. En de tijden van deze misdadigers zijn nog niet voorbij. Ook niet die van politieke systemen, zoals het bovenbeschreven nu overal heersende spel van het zich rangschikken onder leiding van de handelaren.

Overal waar mensen om moeten gaan met iets anders dan andere mensen is er die censuur die ontbreekt bij het aanbieden van stellingen op de vrije markt. Geen enkel chemisch bedrijf zoekt alchemisten als werknemers. Bij de NASA bestaat geen vraag naar astrologen. Bij de elektriciteitsmaatschappijen stelt men niemand aan als magnetiseur. Men zoekt niet met wichelroedes naar olie voor de Shell.
Na, nee voor het ‘ik’ is er het ‘je’. 'je' in drie betekenissen: "Marietje, waar zit je ?" "Wat neem je (kies je)?" "Wat wil je (later worden bijvoorbeeld)?
Marietje is zelf bedoeld in de eerste vraag, zij zelf is het, die weegt en beweegt, die lijfelijk is, daar is. Heel anders is het al in de tweede vraag, daarvoor moet Marietje, die echt bestaande, beschikken over voorkeuren, nee ze moet die voorkeuren zijn. Dat is Marietje als consumente in opleiding.

Met de derde vraag wordt Marietje aangesproken als een vrije wil die zich een doel in haar leven (met al of een deel van haar txaenz na te streven) heeft gekozen, gevonden, gesteld, laten aanpraten. In de derde vraag gaat het om Marietje in het spel, Marietje de speelster, die voor haar rol een zelfgekozen opdracht moet hebben, zoals ook een speler van het spel Risk die hebben moet. In dat spel luidt zo'n opdracht bijvoorbeeld: 'verover het continent Amerika'. Marietje moet van de steller van de derde vraag een dergelijke opdracht kunnen noemen. Dergelijk want slechts door om te gaan met andere mensen te bereiken. Ze moet bijvoorbeeld een sollicitatiecommissie ervan overtuigen dat deze haar moet aanstellen, (als ze stewardess wil worden). Of ze moet Jan Publiek behagen, (als ze popster wil worden).

Misschien worden kinderen wel wanhopig van dat afgedwongen kiezen en willen. Men vraagt het kind wat het wil worden. Dat wist ik niet, ik wou dan maar 'het ver brengen'. Ik weet helemaal niet wat 'willen' is. Ik weet wat het is je gedwongen te voelen een keuze te maken. Ik weet wat het is je gedwongen te voelen te antwoorden op de vraag wat je wilt. Ik weet wat het is om in een maatschappelijke situatie te zijn en iets te moeten willen. Dat willen moet tegen de willen van anderen in worden gezet, als een alternatief dat onverenigbaar is met die willen. Onverenigbaar maar ermee in concurrentie en competitie. De gewone vergaderingen op het werk: "waaraan geven we het geld uit", "wie mag welk snoepreisje waarheen maken en onder welk voorwendsel?" Ja, dan moet iedereen in de vergadering wel iets willen, want er wordt dan daar een Riskachtig spel gespeeld, in het echt. In wat ze voor echt aanzien tenminste.

Ik denk dat Marietje 1 (waaraan gevraagd wordt waar ze zit) bestaat, en ik denk dat Marietje 2 en 3 (2=die keuzemachine, die bundel voorkeuren en 3=die vrije wil) psychisch zijn, onderwerp van psychologie zijn. Dat die Marietje 2 en Marietje 3 maaksels zijn, die persoon genoemd worden. Maaksels, die door Marietje 1 zijn gewrocht onder druk van de genoemde vragen:  "wat wens (kies) je",  "wat wil je (nastreven)". Het is een open vraag of een mens zonder die druk van vragen en eisen ooit voorkeuren en strevingen aanmaakt. Ik vermoed dat dat aanmaken uitblijft. En zelfs als het zou optreden, dan nog zou het door de betrokkene zelf worden opgemerkt als iets van buiten hem. Opgemerkt zoals men z'n eigen sproeten opmerkt. Die sproeten heb ik (resp. heeft Marietje 1) zeer zeker zelf aangemaakt, maar wel onbewust, ongewild en zonder streven. Zoals mensen ook spijsverteren: zonder dat daar enig psychologisch bespreekbaar 'ik' bij betrokken is. De centrale vraag wordt nu of iemand (de lezer, ik, of een derde) het wil hebben: een ziel, een psyche, een persoonlijkheid, dus een spelersidentiteit, een speelidentiteit, een speelstijl en een speeldoel. De centrale vraag is: wil je geciviliseerd worden, zijn en/of blijven? Ook de persoonlijkheid die jij zelf hebt aangemaakt kun jij bekijken zoals je je sproeten bekijkt. Persoonlijkheid en sproeten zijn onafwasbaar, maar er is geen enkele reden er trots op te zijn of je ervoor te schamen. En vooral: geen van beide verplichten ze je tot iets. Wanneer je tot iets verplicht wordt (geacht) dan is dat door anderen en wel in het kader van het voordeel dat zij (menen te) hebben van jouw 'jezelf' (dat is in dit geval: je persoonlijkheid, die zij mee maakten en in gebruik namen) te blijven. Wie zijn persoonlijkheid (zijn voorkeuren en zijn strevingen) laat vallen weet niet meer wat hij moet doen. Dat is (resp. was) nu ook juist de verkeerde vraag. De echte vraag was en is: waartoe dwingen anderen mij, hoe doen ze dat, waaraan kan ik niet ontkomen en waartoe zijn zij in ruil te krijgen? Degenen die in het spel succes hebben (hadden) kenden die echte vragen al heel vroeg en wisten ook dat deze vragen onuitgesproken dienden te blijven, terwijl ze altijd vooraan in het denken moeten/moesten functioneren om tot initiatieven en keuzen te komen. De termen 'egoisme', 'cynisme' en 'wantrouwen' worden gebruikt om dat genoemde functioneren bij anderen te storen.

Zo ongeveer zit het in elkaar.

Het doordenken van het nietbestaan van iets dat we 'ik' zouden moeten of kunnen noemen is een bezigheid waarvan vrijwel alles afleidt, alles wat wie dan ook mij rechtstreeks of via media onder de aandacht brengt. Alles en iedereen gaat er stilzwijgend van uit dat ik besta, niet als lichaam, want dat is evident, maar als 'geest', als dader achter wat ik doe, mijn lichaam doet. Ja, de dokter weet dat ik spijs verteer maar stelt mij daarvoor niet verantwoordelijk; hem wordt verweten dat hij slechts mondmaagdarmen ziet (in dit verband) en niet 'de hele mens', holistisch benadert. Want volgens die verwijters beinvloedt de geest het lichaam. Volgens hen besta ik niet alleen, maar ben ik de baas en bestuurder, de beinvloeder en soms misbruiker van mijn lichaam. Dat lichaam is mij volgens sommigen (anderen dan die holisten hoor) door God toevertrouwd: Uw lichaam een tempel. De juristen kunnen niets met een 'ik'loze figuur. Dat ik moet het geweten, de gedragsregulatie op zich nemen. De juristen en moraalgebruikers kunnen overigens ook niets met de gedachte dat er geen ik contra het wij (de tijdgeest, de mode, het sociale gebeuren) zou zijn. Mijn lichaam deed dit doordat 'men' door mij heen werkte, veroorzaakte. De bewegende massa waarvan ik deel uitmaakte lynchte die neger, daar kun je mij niet voor pakken. Ik spaar en daardoor financier ik misdadige organisaties die lenen bij mijn bank. Dat gebeurt door ons, niet door mij. Tot ons behoren de bankiers, de criminelen en de politie en de politici, sorry hoor. Ik ben deel, onontkoombaar, ik ben niet het geheel.

Niemand stelt mijn lichaam (in z'n geheel of in delen) ergens voor verantwoordelijk. Niemand stelt mijn naam (of enig registratienummer) ergens voor verantwoordelijk. Niemand stelt mijn geheugeninhouden, de sporen van mijn verleden, de littekens op mijn zenuwstelsel ergens voor verantwoordelijk. Wat bedoelen ze eigenlijk wel met 'jij'? Ze bedoelen een geest in mij, een mannetje (homunculus) in mij, die de aanspreekbare, verantwoordelijke bezitter is van mijn lichaam met al wat het geleerd heeft en al wat het aan mogelijke herinneringen en vaardigheden (geheugeninhouden) heeft opgelopen en verworven.

Als ze in de richting van mijn lichaam 'jij' zeggen, als ze aan mijn lichaam een brief adresseren, dan bedoelen ze met dat woord 'jij' een speler in hun spel. ze bedoelen mij als speler in hun spel. Ze bedoelen mij als stuk speelgoed voor hen, ze bedoelen mij als stuk gereedschap in hun werk, hun plan dat zij aan het uitvoeren zijn. Ze bedoelen mij als bron van aandacht voor hun bezigheden, als mogelijke leverancier van een bijdrage aan hun grote werk, hun grote spel, hun bezigheden. Gelukkig dat ze me zo zien en niet als iets anders, want zelfs mensen die ze niet zo zien ('wilden' noemen ze die) hebben er last van dat ze buiten spel zijn. Zo is het spel. Als je een non persoon bent, nog geen persoon bijvoorbeeld, dan heb je geen rechten en kun je geaborteerd worden, want je bent nog maar een klomp cellen. Nou, even kijken en je ziet dat wij, de lezer en ik en al die anderen, dat ook 'alleen maar' zijn. 'Alleen maar', hoe meer we er van weten, hoe verstomder wij staan van wat zo'n klomp cellen in leven, in ontwikkeling, in actie, is. Het is geen 'ik' nee, het is geen persoon, het is geen speler, er zit evenmin een geest in, of zo'n extra mannetje, zo'n bestuurder, zo'n homunculus, als in mij en in de lezer en in die anderen.

Die paar cellen zijn leeg en wij ook, nog steeds. En we kunnen elkaar niet vullen door te doen alsof we vol zijn, alsof er iets in ons zit. We kunnen ons een geest aanpraten, maar niet inpraten.

Ik heb alleen maar niet nagelaten deze gedachten in mij toe te staan. Ik ben helemaal niet van plan geweest dit de denken, mij dit te laten invallen. Ik ben alleen maar op zoek gegaan naar wat er nou eigenlijk aan de hand is. Ik kijk en keek en dacht en toen kwam er dit, toen viel mij dit in.

Er zijn geen goden en er zijn geen geesten. Er zijn alleen spelers als er spelenden zijn. En het spel in kwestie is aan de gang en opvoeden en scholen en socialiseren zijn manieren om spelers van ons te maken. En er staat een enorme straf op niet meespelen. Een nonpersoon zijn is het ergste wat een exemplaar van de diersoort mens kan overkomen tussen geciviliseerden (dat zijn lui die het spel in kwestie aan het spelen zijn). Dieren en Joden en Zigeuners hebben dat in NaziDuitsland openlijk aangezegd gekregen. Zij die mee mochten doen kregen te horen: "jij bent niets, je volk is alles." Dat eerste stuk klopt, het is waar. Maar het appel dat daarna op die nietsen gedaan werd om zich in te zetten voor dat 'alles', bij dat appel sprak men hen weer aan als 'persoon', speler, 'mannetjebinnenin', geest, homunculus.

In het spel in kwestie telt de speler natuurlijk niet. In geen enkel spel kan de speler tellen. De speler is de toevallige opvuller van de plaats in het spel die niet leeg mag blijven. Niet deze verzameling cellen, niet dit exemplaar van de soort, niet deze genencombinatieinleven is nodig, er is een midvoor, een bankier, een manager, een president nodig. In het spel in kwestie mag iedereen proberen de schijn te wekken dat hij als vervuller van welke (al of niet zelfverzonnen functie) dan ook nodig is. Nodig voor het spel is iedereen die betaald krijgt voor wat hij doet of nalaat. Zo zonder structuur, inhoud en doel moet dit spel beschreven worden. Om de grenzen van het spel aan te geven zijn er ook buitenstaanders, nonpersonen nodig. Ook elke groep spelers heeft grenzen nodig en dus buitenstaanders. Er is niet altijd wel plaats voor die buitenstaanders in een andere nietverliezende groep (=een groep die niet wordt uitgeroeid, bijvoorbeeld door uithongering of door ingezet te worden als gladiatorengroep in een 'oorlog' tussen spelende groepen; zo zijn er ook indianen en andere inboorlingen, die ter verdrijving worden overgeleverd aan goudzoekers en ontwikkelaars. Dat zijn lui in verliezende groepen. Zij wonen in die barakken van GrootAuschwitz waarin gemoord wordt. Dat is het spel.)

Tot zijn bewustzijn laten doordringen dat het spreken van 'ik' en het je laten aanspreken als 'jij' niet zoveel inhoud heeft, gewoon gepraat is, kan iedereen zich thuis en in alle stilte, zonder te publiceren dus, veroorloven en wel zodra, zolang en inzoverre hij kan voorkomen dat hem de doodsangst voor het gedrag van 'het spel' jegens nonpersonen bewust wordt. Het is niet zo moeilijk in te zien dat je leven ervan afhangt dat anderen je als zo'n 'ik' blijven opvatten dat zij met 'jij' moeten en kunnen aanspreken omdat het een persoon, een (mede)speler is. Een medespeler, zelfs als het een tegenspeler is, want jawel, de beschaving is zelfs tot rechten voor krijgsgevangenen gekomen. Alles tenslotte eerder dan ophouden met spelen, nietwaar.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Categorieën in Jaap’s teksten

Recente reacties