Jaap Schot, 30 mei 1987
Het benoemen van dat wat je aanwijst is voor jezelf een steun bij het richten van je vinger, die jij gebruikt om het benoemde aan een ander aan te wijzen. Dat geldt voor het aanwijsbare, concrete, zintuigelijk waarneembare.
Verdergaand met het gebruiken van taal, komen we bij niet-zintuigelijk waarneembare grootheden (hogere begrippen zoals 'het zoogdier' en abstracte begrippen zoals 'civilisatie'). Dan valt er niet langer iets aan te wijzen zonder dat een voorbeeld voor het geheel genomen dreigt te worden.
Ik zat te denken dat het wellicht goed is termen als 'civilisatie' en 'persoon' weg te werken uit mijn teksten, tegen het opzettelijk misverstaan door de onwelwillende of het per ongeluk misverstaan door de niet zo intelligente lezer. Ik zou dat wegprepareren van die termen moeten doen als vingeroefening, als speelse, leerzame, voor het plezier van het slagen ondernomen, bezigheid. Ik heb geen zin mij te vernederen voor de lezer. Ik haat het heersen en het geknecht worden, ik haat het mee te doen aan het suggereren dan de ene mens voor de anderen als dienstverlener-specialist kan inzien, doordenken, begrijpen. Iedereen blijven de woorden vreemd welke hij niet in zichzelf verneemt.
Ik verlang naar gesprekspartners. Niet zozeer naar studenten die zich ontpoppen als leerlingen, discipelen, hoorders-om-na-te-vertellen en om-door-te-geven.
Het plezier is wat aan het afbladderen van het uitschrijven van inzichten. Het mij eindeloos herhalen is niet zo boeiend.
Vraag: Is er nog nieuws te verwachten? Waar zou dat dan ongeveer moeten liggen?
Antwoord: Mijn zoeken is naar een uitweg voor mijzelf. Ik leef alleen. Dat is zowel de reden voor mijn vinden van mijn teksten bij wat ik meemaak en wat me overkomt en aangedaan wordt, als ook de beperking van wat voor mij waar te nemen is. Ik ben zowel door de jongetjes als door de onderwijzeres afgewezen, afgestoten, geïsoleerd, buiten hun gemeenschap gehouden op de eerste dag van mijn schoolcarrière. Het is tussen mij en de civilisatie nooit wat geworden. Ik was en ben de enige die dat zeker weet. Ik ben buitengehouden, niet ontsnapt en niet op mijn initiatief buiten gebleven. Ik heb het allemaal niet altijd geweten en ik heb geloofd dat het de moeite waard en onontkoombaar was om te proberen te leren mee te doen. Ik heb de misvatting gehad dat ze aan nodigs en doordachts en gezamenlijks bezig waren. Ik heb gedacht dat er iets te begrijpen, te snappen, te doorzien was, een plan, een doel, een zin, een goede bedoeling. Ik weet nu dat het wereldgebeuren als geheel onbestuurd en ongewild is, hoezeer ook elke (dat gebeuren met de andere daden samenstellende) daad een dader, een verantwoordelijk te stellen bedoeler, veroorzaker heeft. De spelers in het spel (Risk in het echt, "civilisatietje") zowel als de erin gebruikten (tot het bijdragen van hun txaenz gedwongenen) doen en veroorzaken het hele gebeuren: ze zijn samen de almachtige machteloze daders-slachtoffers (getroffenen). Beginnen mee te spelen en beginnen zich te laten gebruiken, dat zijn hun zedelijke fouten. Meer nog: het willens en wetens het voortduren van het spel mede veroorzaken, de kosten voor het beëindigen niet willen berekenen of kennen, laat staan betalen. Ik ben ongeïnteresseerd, zo blijkt mij. Ik zie, ik speel niet mee.
0 Reacties