Woorden en onderwerpen

Categorieën: 2005, 1 januari – 2009, 31 december | Archief

Trefwoorden: censuur

Jaap Schot, 18 februari 2005

  1. De termen der chemici zijn niet de oorzaken van het gebeuren van dat wat ze met die termen beschrijven.
  2. Al die termen zijn door mensen aangemaakt, geen enkel chemisch element is aangetroffen. In het voorbijgaan op de gang zei de chemicus (opleider van a.s. leraren) dat eens tot mij. Hij (of was het toen al ‘zij’) had dat kennelijk pas gelezen of zelf ingezien. Het werd geen gesprek of zo, het inzicht moest er even úit. Daarmee was het gedaan.
  3. Ik begin oud te worden; er sluipen in dit opstel triviale details, die echt voer voor de gewone batterijmensen zijn, die zijn afgericht op flapteksten. Die vragen zich nu af: wanneer en waar kan dat nou geweest zijn, dat vluchtige gesprekje in die gang, welke gang, wie was die vakdocent? Smul, smul, heerlijk wég van het onderwerp van de schrijver. En van die schrijver kom je ook zo lekker veel te weten. En ook dát brengt je weer wég van zijn onderwerp. Heerlijk, heerlijk!
  4. Veel door chemici gebruikte termen zijn ook beeldend (men denke aan het voorbeeld van ‘affiniteit’).
  5. De termen van de chemici zijn en worden bewust en opzettelijk in officiële commissies aangemaakt. Mijn scheikundeleraar op de HBS zat in zo’n commissie, vandaar dat ik dat weet.
  6. De begrippen / concepten (→ symbolen en termen) van de chemici zijn er niet om er in te geloven, maar ze zijn er om er onderling mee te spreken (en voor elkaar te schrijven) bij hun handelend omgaan met hun onderwerp. Zonder zelf proefjes doen en daarbij opschrijven wat je doet (c.q. wat daar onder je handen, voor je ogen gebeurt) krijg je dit moeilijk tot niet door.
  7. Idem is het met de taal van het joods-christelijk geloof.
  8. Het is een misverstand te menen dat met de termen, gelijkenissen en verhalen van het geloof (van de bijbel) gesproken wordt over verzinsels, nee: er wordt gebeurende werkelijkheid besproken met behulp (met gebruikmaking) van verzinsels.
  9. Mogen anderen spreken voor en over de koran, het boek van Mormon en de vele andere afgekeken en overgeschreven heilige of onheilige wereldlijke of spirituele boeken. En over en voor de eeuwen eerder al verzonnen, vertelde en opgeschreven verhalen van oudere civilisatiereligies zoals hindoeïsme en zo.
  10. Mijn vraag was: welke, nu door mij waarneembare en ervaren werkelijkheid kan ík met de taal van dat geloof beschrijven (‘vatten’) en daarzonder niet?
  11. Wat die vertellers en schrijvers bespraken, beschreven en ‘bedoelden’ (≈ bij hun hoorders en lezers in gedachten wilden roepen, tot onderwerp van aandacht van hun hoorders en lezers wilden zien worden) zal mij nooit gegeven zijn en het laat mij ook totaal koud, ik heb met dat verleden en met die dode anderen NIETS te maken.
  12. Ik heb te maken met mij en mijn omgeving (en daarvan alleen met wat mij raakt zonder dat ik er naar reik).
  13. Dat wat ik kan ontwijken, wat ik, hoewel het aanleren en onthouden ervan mij overkwam lós kan laten, dat waarvan ik aanraken door niet te reiken kan voorkomen, dien ik te mijden, resp. daaraan dien ik mij te onthechten.
  14. Ik heb genoeg onderwerp voor mijn aandacht en actie aan wat mij raakt, gezien wat ik nodig heb en nodig moet doen ( gezien mijn volledig en harmonieus met alle organen functioneren, gezien mijn ‘moeten opgroeien, uitgroeien, bloeien en vruchtdragen’ om het in die plantentermen uit te zeggen) in deze mijn omgeving, die geen moederschoot voor mij is.
  15. Nee, ook de verzorgingsstaat is geen couveuse. Het is een schuur (“land”, nationale staat dus)) waarin wij op de wijze van batterijkippen (met groepen van twee tot tien in één kooi waarvan onderlinge al of niet vrijwillig aangegane verplichtingen en emotionele banden)
  16. Dat nodeloos nagestreefde extra, dát was die appel in het paradijs. Het onnodige. De suggestie dat het natuurgegevene niet o.k. is, maar om je voor te schamen, om onder kleding te bedekken.
  17. Na al deze jaren ben ik nu toe aan het zijn van zeer, zeer doordacht protestant christelijk. Zo ongelovig als iemand maar zijn kan. Maar dan wel écht ongelovig, namelijk in álle verzinsels.
  18. Het is (beschouwd van waar ík ‘sta’, namelijk op die aztekentrap) zo onmetelijk onbegrijpelijk onnavolgbaar dom, om slechts atheïst te zijn. (Wat ‘zijn’ hier ook moge betekenen, dat kan alleen wie dit van zichzelf zegt nader onderzoeken.) .
  19. Om te kunnen zien waar de blijde boodschap (het evangelie van Jezus, de lichtende) binnen komt, over gaat, moet de hoorder eerst begrijpen in welke ellende hij zich bevindt.
  20. Wij hier nu worden gehouden zoals legbatterijkippen: productievee in massa dichtopeengepakt gehouden in kooien met twee of meer, maar minder dan tien ingezetenen. Als batterijmensen in ‘gezinnen’.
  21. “Waar is onze ellende?” zullen vooral welgestelden vragen. Wij zijn rijk en verrijkt geworden en hebben geenszins gebrek. Laat ons eten en drinken en vrolijk zijn, want morgen sterven wij. En laat je niet voorliegen: er kómt geen wederkeer. En er is geen hemel na je lijfelijke dood.
  22. Die welvaart die wij hier hebben wordt ons als onze verdienste (merite) aangerekend, toegeschreven.
  23. Zo werd [in de tijd van Jezus dáár] de arme gebruikte mensen hun materiële en psychische ellende als hun zonde, hun eigen schuld, aangerekend.
  24. Welvarende batterijmensen (deeltijds gebruikers van andere mensen) ‘rijken’ genoemd hebben het moeilijk hun kooi te verlaten en de vrijheid, de ruimte, het LEVEN, de hemel, het koninkrijk Gods, binnen te gaan.
  25. Wat is LEVEN meer dan welvarend consumeren, genieten? Antwoord: VOLLEDIG EN HARMONIEUS FUNCTIONEREN.
  26. En dát is wat Jezus deed, zelf kijkend wat er in zijn omgeving gebeurde en zelf nazoekend wat er met de taal en termen van de om hem heen pratende, citerende, ja niet zelden zelfs reciterende joden aan zintuiglijk en anderszins gegeven werkelijkheid bespreekbaar was en daarzonder niet. En dus: welk misbruik en welk ‘in onbruik laten’ [van de mogelijkheden van (resp. mét) die taal] daar toen om hem heen plaatsvond.
  27. En dat heeft hij aanvankelijk met even zovele woorden expliciet uitgezegd en later met gelijkenissen.
  28. De mensen worden in hun kooien gehouden en bedrogen doormiddel van de taal van de juristen: die taal houdt twee hoofdbegrippen in: A. individualiteit en B. daderschap.
  29. Individualiteit en daderschap zijn niet aan te treffen, het zijn verzinsels, net als koningschap en net als al die andere rangen en redenen voor verschillend bejegenen van de ene mens door de andere. Een schoolvoorbeeld van zo’n reden is favoritisme (“jij bent de énige van wie ik echt hou” / “jij gaat mij boven alles”).
  30. De mensen hier zijn als de rijken waar Jezus het over heeft: welvarend in hun kooien de meesten zonder gevoelde reden dit comfort te verlaten. Ze zijn thuis in de wereld, dat is: in de civilisatie. Slechts aan weinigen van hen knaagt de onvrede vanwege het geleefd-wórden: het zijn txaenz besteed krijgen.
  31. Ze compenseren voor dat geleefd worden met ‘gaan winkelen’, ‘shoppen’ moet dat dan heten. Op televisie zie je dat ettelijke malen tijdens het zappen: dan zegt zo’n vrouw in zo’n serie of bij Oprah of dr. Phil: “van tijd tot tijd krijg ik een onbedwingbare neiging tot shoppen”.
  32. En hier dan nóg maar eens een keer: die neiging wordt geacht daar in die juffrouw haar oorsprong te vinden, geen deel van een streng oorzaak-gevolg-ketens te zijn. Wat de wetenschappelijke theorie / beschrijvingswijze, het wetenschappelijke begrippensysteem bij dit verschijnsel zou zijn. Maar overigens ook dat van diverse religies, die niet vergiftigd, vermengd, gecontamineerd, vervuild zijn met het juristenbegrippensysteem. Die dat juristenbegrippensysteem niet binnenkregen of het (zoals in het orthodox protestantisme her en der) weer uit zich verwijderden.
  33. Dat is wat sommige erg zwarte kousen kerkrichtingen hebben gedaan: dat wereldse begrippensysteem er úit geflikkerd.
  34. Maar dát is moeilijk hoor: het ‘communiceert’ namelijk niet zo makkelijk. Als een bekeerde man het door heeft, kan hij uitzeggen wat hij inziet, maar het is niet te voorkomen dat de meeste hoorders het zullen opvatten met hún taal, die de juristenbegrippenapparatuur als centraal bespreekgereedschap heeft.
  35. Ze hebben een godsbeeld [hoewel ze wéten dat (een beeld van God) niet móchten aanmaken en móeten vernietigen, zoals het gouden kalf] en wel het beeld van een rechter, dat is: van een mens die koninkje speelt, zich boven zijn soortgenoten verheft en over hen heerst. Een oosters potentaat in de lucht dus.
  36. Ze hebben nooit voorgeleefd gekregen dat een hond (als zijn mishandelaar likkend zich onderwerpend dier), kan en zal worden geminacht, maar in feite als concreet dier natuurlijk geen kwaad toegevoegd krijgt. Het is een genencombinatie met dat walgingwekkende gen, een combinatie die zichzelf evenmin gekozen heeft als ik (exacter, - zie de rest van de opstellen van de laatste jaren -: IK dus).
  37. Die hond kan zich niet van zijn gen ontdoen. De vraag die centraal staat in het onderwerp waarover ik de laatste jaren bezig ben is: kunnen die mensen die door vaderaars onderwezen een dikke laag aangeleerds om zich heen gekregen hebben van sport, sporters, auto’s, muziek, kunsten en wat niet al, zich van die tijdgebonden nodeloze uitgedroogde blubber ontdoen en ‘worden als een kind’ [dat is dus iemand (= een genencombinatie aan het gebeuren) die niets heeft aangeleerd dat hem wel doet passen aan zijn tijd en omgeving, maar schadelijk is voor zijn LEVEN ( = volledig en harmonieus met alle organen functioneren in zijn omgeving als dier in zijn ecosysteem, dat wil zeggen: zonder enige verplichting; de gevolgen van zijn zo functioneren zijn de gegeven en onbeoordeelde, dus noch voldoende, noch goed, noch kwaad / kwalijk / schadelijk geachte bijdrage van hem aan dat ‘zijn’ ecosysteem).
  38. Het is duidelijk dat het de batterijmensen, de als productievee gehouden exemplaren van de diersoort mens, door het [door hun (al of niet deeltijds) parasitaire soortgenoten bemande] systeem niet gegund wordt deze visie op ‘de gemeenschap’, ‘de samenleving’, ‘de cultuur’, ‘de beschaving’ te hebben, laat staan deze te verkondigen, uit te leggen, voor te leven, te onderwijzen.
  39. Nu, zo lang na de moord op Jezus, kunnen we dat echt wel zien.
  40. De USAmerikaanse droom is het verhaal dat de leefsituatie van de gebruikten in hun kooien slechts kwantitatief verschilt van de leefsituatie van de voltijdparasieten in hun paleizen:
  41. alle voorrechten zijn onder één noemer gebracht, die van het geld, het banktegoed, de dollar.
  42. de voorrechten staan niet langer op naam, het geld staat op naam en alles dient te koop te zijn, want anders zijn degenen die de voorrechten, = het geld, hebben niet soeverein [= voor wat betreft wat ze wensen (aan onnodigs, maar deze toevoeging maakt er een pleonasme van, in ‘wensen’ zit die onnodigheid reeds geïmpliceerd, denk maar aan: “ik wens adem te halen”, nee, je móet)], dat is: boven kritiek verheven]. [Soeverein wordt ook wel ‘vrij’ genoemd. Nodeloos en verwarrend, dus door ‘voor wie andermans verwarring nuttig is, wel toegejuicht.].
  43. De als productievee gehouden mensen staan qua denken op buitenbesturing. De media bepalen wat de (dus hun, der batterijmensen) onderwerpen én besprekingstermen zijn. Tegenspreken kan ook, maar als iemand dat in ándere termen zou willen doen, dan heeft hij zoveel spreek-luister-tijd nodig (in het debat dat van beperkte duur is) dat de hem door de anderen als gelijkberechtigde toegestane s-l-tijd (= hún én zijn txaenz) daarvoor niet toereikend is. Vandaar dat de censuur van opzij wordt uitgeoefend, niet van bovenaf. Ze lezen en luisteren. En in plaats van mee te praten over die dingen zwijgen ze liever over ‘politiek’ en ‘religie’, want daar krijg je maar ruzie over. Ze gieten dus de bagger die er die dag in hun geheugen kwam over in de ander.
  44. of ze verdoen hun txaenz én de spreek-luister-tijd die ze met een ander hebben op één van die ontelbare andere manieren.
  45. Aan de gedachte dat je welvaart (je bevoorrechte staat) je eigen verdienste is, kan een mens moeilijk lijden. Hij beseft dus zijn ellende niet en hoeft niet terug de natuur in, niet naar de waarheid, weg van de verzonnen denkwereld van daderschap, initiatief, schuld, verdienste (merite), rang, stand, geschiedenis en toekomst.
  46. Pas als ‘hetgeen niet meespeelt in dit illusiespel ‘in’ en met die taal’ toeslaat: ramp, ziekte, dood, dán wordt, - als middel tot het doel daar van áf te komen, daar aan te ontkomen -, er hulp van buiten de civilisatie in geroepen (bidden en kwakzalvers en spirituelen en magie en occultisme enz. enz. Er is een ongestoorde, (“vrije”) overproductie, want een grote, soevereine koopkrachtige vraag.)
  47. Wat gedaan wordt in ‘de reclame en de propaganda voor de USAmerikaanse droom’, is: de mensen aanleren ‘soeverein vorstje’ te spelen in hun vrije tijd (= de tijd waarin ze niet bezig zijn een bevel uit te voeren, voor hun gevoel en indoctrinatie “voor geld”, in feite onder bedreiging met armoe lijden en/of veracht worden).
  48. Beter dan hen dát aan te leren kon men hen onderwijzen (≈ voorleven, als practicum / oefening laten doen en onder aanreiking van de voor het erbij spreken nodige taal) dat ze het vermenigvuldigingsproduct van hun slim zijn (wat ze bij meting een hoog IQ zou laten scoren) S, hun ijver IJ en hun gezeglijkheid G constant zouden kunnen en moeten houden, gelijk aan dat van alle anderen: GIJS ZIJ CONSTANT.
  49. De dwaas zegt in zijn hart: er is geen aluminium, dat is slechts een concept. Aluminium is zuiver aluminium. Azijn is azijn, er is geen natuurazijn. Chemie is chemie, er is geen biochemie op een andere manier dan er petrochemie is: de chemie omtrent een beperkt onderwerp.
  50. De dwaas zegt in zijn hart: er is geen God.
  51. Thatcher zei ons: er is niet zoiets als ‘de samenleving’.
  52. “Ik ben maar een voorbeeld van een genencombinatie die van alles en nog wat heeft aangeleerd” [van alles en nog wat, dat door geen zinnig Goddelijk Wezen voor hem bedoeld was, hem hoogstens deels, te goeder trouw door een moederende (man of vrouw) werd voorgeleefd en onderwezen] dat krijgen ze niet alleen niet door hun strot gewurgd of uit hun pen, maar ze krijgen het niet eens gedácht. Ze spelen koninkje, maar ze willen dat niet als spelen herkend en gekend hebben, zelf niet en ook door anderen niet.
  53. Mijn advies aan mijzelf is dan ook levenslang geweest: bek dicht, kijk wat ze met Jezus gedaan hebben. Later vond ik ergens dat ook Jiddu Krishnamurti zich in de USA ten aanzien van pacifisme en de waanzin van oorlog gewoon het zwijgen liet opleggen. “De waarheid”, zo stelde hij vast, constateerde hij, “heeft geen verdediging nodig”.
  54. Waarheid is als enige, in tegenstelling tot alle onwaarheid, KENBAAR, EN GEGEVEN aan en voor iedereen die haar zoekt. Zoekt en gij zult vinden. Niemand kan dat zoeken en vinden voor zich laten doen, niemand kan een ander kennis geven van wat is: kennis moet iedereen zelf nemen, rechtstreeks zintuiglijk en anderszins.
  55. Moederen is: zelfstandig als een genencombinatie (in dit geval dus een dier) ‘in een ecosysteem LEVEN’ voorleven en onderwijzen [inclusief dus: oefengelegenheid geven én (bij ons, mensen, die in extreme mate taaldieren zijn) een taal / begrippenapparatuur). Daartoe is het voorlezen van begrippenrijke teksten dienstig. De bijbel bijvoorbeeld. Toch ietsje beter dan wat de openbare bibliotheek voor kinderen op de schappen legt.
  56. Vaderen is: mores leren. Precies in die Nederlandse betekenis. [Zie ook Henry over de vader als dat weigerende, de vader als pretkabouter. Naast de reclame, schouder aan schouder tegen het openen van de ogen voor de situatie als batterijmens.]
  57. Het is zo gegaan: eerst werden de mensen in hun legbatterijkooien gedwongen en gehouden door geweld (fysiek en psychisch: slaan en bedriegen en bedreigen] en het hen onthouden van ‘wat ze nodig hadden puur om van te overleven’. Dat is in de landen (nationale staten) waar door zetbazen van ‘ons’ de mensen arm gehouden worden nu nog het geval.
  58. Hier hebben we toen vakbonden, anarchisten en communisten gehad en toen is daaruit, uit die fase van de burgeroorlog die voortwoedt maar nu globaal, ontstaan dat hier door de Ford truc van massaproductie voor de massa van onnodigs, deze massa werd voorgespiegeld dat ze met vlijt en spaarzaamheid het tot deeltijdparasiet kon brengen: de USAmerikaanse droom.
  59. De kippen werden bijgevoerd met elkaars gekookte en gestampte eieren. De middenstandskip. De open middenstand: de middenklasse.
  60. Als brandstof waarop het systeem loopt kwam er dus naast en bij en soms in plaats van de angst (voor tekort aan nodigs en voor veracht worden) de begeerte: het wensen en nastreven van een hogere rang, het wensen te hebben van meer minderen en het niet wensen onder te doen voor de buren. Daar lopen ze op, zoals auto’s op benzine of zo.
  61. Ze spelen ‘koninkje’, in strijd met elkaar om rang, opziend tegen de hegemonie van de weinigen.
  62. Zij die dit spelletje niet spelen, worden gewoon binnen dat spel gebruikt. Hun niet-meedoen breekt het spel niet slechts niet, het stoort het ook helemaal niet. Ze kunnen toch niet weg. Slechts buitengewone eieren leggende kippen mogen een andere schuur binnen komen. Nu ja, zie en hoor alles over ‘immigratiepolitiek’ in alle ontwikkelde (= de legkippen met elkaars eieren bijvoederende) landen.
  63. Zoals de kracht die de boom in de zomerstorm ontwortelt voortkomt uit het zich vasthouden van alle als even zovele zeiltjes werkende blaadjes, zo komt de duivelse uitbuiting van de onbeschermde batterijmensen in de landen van de derde wereld voort uit het kopen van het goedkoopste, bij gelijke kwaliteit door Koning Klant.
  64. Managers (industrieleiders), investoren en regeringen stellen zich op áchter deze verschijnselen en doen zich voor als lakeien van Koning Klant. “Wij voeren alleen de bevelen van de markt uit”. Daarnaast spelen ze hun ego-spelletjes, maar dat is ‘zijbandgelispel’, het spel is de uitzending.
  65. Er valt niks te overtuigen, er kan door iedereen voor zichzelf gekeken worden: om zich heen en naar het eigen gedrag en gevoel.
  66. En er valt niks te keuren, niet goed te keuren, niet af te keuren, niet de voorkeur te geven. Bij nader inzien gebeurt iedereen gewoon, zoals elk ander chemisch proces ook, een veenbrand bijvoorbeeld. Waarbij we moeten bedenken (waarbij we moeten waarnemen dus en ons niet hete tegendeel laten suggereren door wie eigennamen geven en verantwoordelijk stellen) dat wij als enkeling geen brand zijn, hoogstens een oplaaiing van een vlam.
  67. Wij doen ons niet, wij gebeuren. Dat andere verhaal dat we over ons hebben leren vertellen, dat van dat dader zijn, dat is de leugens voortbrengende begrippenapparatuur die de juristen verzonnen hebben en gebruiken om het binnensoortelijk parasitisme in de civilisatie (maar die toevoeging maakt er een pleonasme van) een stem te geven [ dat is dus iets geheel anders dan om het bespreekbaar te maken voor wie het waarneemt].
  68. ‘een stem geven’ ≠ ‘het bespreekbaar maken voor wie het waarneemt’ . ‘Een stem geven deze begrippen aan de spelers van het spel, ze geven deze de middelen om hun eigen tekst aan te maken bij wat ze doen. Ze geven ze dus geen tekst te spreken zoals Shakespeare dat deed aan zijn figuren in zijn stukken. Maar het woord spel is hier min of meer passend omdat het geheel van ‘dingen die gedaan worden, al spelend’ niet zonder mensen die er aan bezig zijn aan te treffen is. Denken we maar weer aan Robinson Crusoe, kijk steeds - bij van die beschrijvingen van ‘de menselijke natuur’ door economen en politiekbesprekers -, wat voor Robinson daar nog mogelijk, waar, aan te treffen, te doen, te zeggen, denkbaar, enz. is.
  69. Bewerkelijk is dat, heb je wat beters te doen? Wat beters dan te LEVEN en als deel van dat functioneren je zintuigen en hersens te gebruiken bij wat echt aan de hand is en je raakt? Ik niet.
  70. Je hoeft je niet te vereenzelvigen met ‘dat wat je aangeleerd hebt’ en/of met ‘dat wat er uit het kind dat je was gegroeid is’. Er staat je hoeft niet, er staat niet het bevel: je moet niet. Het verdient aanbeveling ook als er staat ‘je moet niet’ en dat is op vele plaatsen in mijn opstellen het geval, dat niet als een bevel te lezen, ook niet als een poging tot overreden of overtuigen maar als gewoon die synonieme uitdrukking van ‘je hoeft niet’: het Nederlands ís nu eenmaal verwauweld tot wat het is. Nobody cares a damn.
  71. Zelfs al zou god een rechter zijn, dan nog heb je niets te vrezen, want je gebeurt gewoon, die hele juristenrommel van daderschap, verdienste (merite) en schuld, is hun, niet Gods verzinsel. Alles gebeurt gewoon. Er zijn geen dadergoden en ook geen dadermensen. Maar ze willen niet van de voorrechtengevende kant, de merites, af. Ze willen trots kunnen zijn. Ze willen van de schijf (medaille) één kant en dat kan niet. De achterkant en de zijkant zijn er ook in het doen alsof de schijf er is. De bunker is niet alleen een machtig beveiligend pantser, het is ook een gevangenis. Idem voor de rijdende tank en het varende piratenschip.
  72. Bedreigd met en bang gemaakt voor de schuldkant of verlokt / verleid met de verdienste en eer kant, wie de schijf vasthoudt, er bij blijft dat hij een vrij willend individu is, zit vast in zijn legbatterij, is vee, is geen wild dier, geen vrije genencombinatie (van de door mensen aanvankelijk voor hún overzicht en later voor hun zelfverheffing als begrip aangemaakte diersoort of zelfs half-engelen-soort ‘mens’).
  73. Het is hiervan dat de bijbel ons de verlossingsmogelijkheid vertelt in uittocht en bevrijdingsverhalen en in wetboeken die recht tegen alle economische wetten en het daar als regering voor stáán in gaan. De CDA’ers moesten het eens echt lezen.
  74. De blijde boodschap dat daderschap een verzinsel is kon en kan niemand bevrijden uit de fysieke gevangenschap, uit de greep van de binnensoortelijke parasieten. Het brengt de hoorder die de boodschap verstaat wel ‘terug in het paradijs’, in de natuur, tot dier, tot natuurwezen, vrij van alle plicht, van alle verwachten op grond van de suggestie via de taal (in casu de lege woorden, de wegwijzers die de leegte in wijzen) en van alle streven (naar bijvoorbeeld hogere rang).
  75. De wereldwijde onblijde boodschap aan de wereld is nog steeds dezelfde als die van de slavenhouders aan de onderworpen Weigeraars, het is de boodschap van de debaters, de juristen en de economen: de propagandisten en woordvoerders van waar nu niemand meer voor verantwoordelijk is: het systeem. Die boodschap luidt: armoe en ellende zijn eigen schuld en het is niemands taak deze schuldigen uit de penarie te helpen. En zo is het maar net.
  76. Om verlossing te kunnen zoeken en ervaren moeten we ons gevangen-zijn en ons als productievee gebruikt worden inzien.
  77. De natuur (het paradijs) is voor ons een ecosysteem, geen couveuse. Van nature zijn we dus in staat geraakt om beneden het ideaal te overleven en zelfs door te gaan met LEVEN, dan maar met een hoofdlettertje minder. Ook scheefgegroeide en geschonden eiken brengen vruchten voort en daaruit kunnen weer in principe (volgens de entelegie) “ideale” eiken groeien, onder ideale omstandigheden. Zo ontsnapt de soort aan tijdelijke krapte, zoals een individu aan tijdelijke ziekten en verwondingen.
  78. Nu wij hier dus op heel veel (vooral de materiële) punten welvarend zijn, ‘rijk’, is het voor velen onder ons moeilijk te zien dat er iets mis is, maar nóg moeilijker wát er dan mis is. Mis is het dat we als vee gehouden worden, dus net als vee van andere diersoorten (koeien, paarden, kamelen) niet zelf LEVEN. Dat proberen de VVD-ers dan uit te leggen als ‘te weinig entrepreneurschap ten toon spreiden, te weinig risicobereid zijn, e.d. surrogaten voor LEVEN. Surrogaten, want het zijn wijzen van meespelen in en verantwoordelijkheid dragen voor het spel ‘ongelijk verdelen’, ‘rangschikken’, ‘bevoorrechten’, ‘elkaar bestrijden’.
  79. Mis is dat “we” (als soort en vrijwel iedereen ontogenetisch, als individu, in z’n eigen “persoonlijke” geschiedenis) het paradijs uit geflikkerd zijn ( ≈ de armen van de kinderopvang in, tegenwoordig).
  80. Mis is ook dat dat boek waarin daarover geschreven staat (de bijbel) niet of verkeerd (en wel met reusachtige tweedehands vooroordelen, dus te laat, namelijk nádat de dat boek misbruikende mensenmenners hun kans grepen via mis, kinderkerkdienst en kinderbijbels en foute films op televisie en elders) wordt gelezen (zó al ooit).
  81. Dat is mis, omdat de meeste mensen niet zomaar op dat idee komen dat het dát is, wat er mis is: dat (het binnensoortelijk parasitisme in de vorm van mensen houden als productievee / als ‘dienstknechten’ in de bijbeltaal. Onder bevel, op buitenbesturing.) wat er al van voor hun conceptie was en er na hun dood qua wezen onveranderd zal zijn.
  82. Je doet je niet, je gebeurt. Daderschap en individualiteit zijn verzinsels.
  83. Je kunt desgewenst zeggen dat God je (jou en overigens iedereen) doet, want er is met het invoeren van een Dader achter ‘wat gebeurt’ niet méér mis dan met het zich ervaren als onverwoord, “vanzelfsprekend” bezig (≠ in de juristentaal-betekenis ‘aan het doen zijn, willens, wetens, zoals een koning in het verhaal over koning-zijn dat doet, zoals dat verzinsel).
  84. Iedereen die oplet, merkt dat het eerste en enige dat hem bewust wordt de tekst is die hem invalt. Het ‘denken’ dat daaraan vooraf gaat in de bespreking van ‘wat er in onze hersens gebeurt’ onttrekt zich aan onze waarneming en besturing, niet alleen bij anderen, nee, bij onszelf.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *