Woordenschat, geschiedenis en sterrenhemel

Categorieën: 2000, 1 januari – 2004, 31 december | Archief

Trefwoorden: verhalen

Jaap Schot, 2 augustus 2003

Woordenschat, geschiedenis en sterrenhemel hebben een stel gemeenschappelijke centrale eigenschappen:
* Voor het blote oog zit er geen diepte in
* Als je er niets dan oppervlakkigs mee doet, er op navigeren bijvoorbeeld, meepraten of doorvertellen, mis je die diepte niet
* Er zít diepte in en wel die van het niet tegelijk ontstaan zijn. En als je die geschiedenis erbij betrekt, kun je sommige dingen niet meer als bij elkaar behorend zien, omdat je wéét dat ze dat niet kúnnen doen, dat bijeen horen, doordat ze nooit iets met elkaar te maken hadden of kregen. Schoolvoorbeeld zijn de sterrenbeelden, de sterren in kwestie worden tegelijk gezien door de mensen die kijken, maar hebben niets met elkaar van doen.
==========
De woorden, begrippen, onderscheidingen en verhalen die wij hoorden toen we leerden praten (thuis dus en later op school) zijn afkomstig van zeer verschillende tijden en plaatsen en uit zeer verschillende omstandigheden.
Het Nieuwe Testament bijvoorbeeld werd geschreven onder de bezetting door een ‘Duizendjarig Reich’. Hitler en Stalin hadden gepast in de rij Romeinse Keizers.
De sprookjes van Grimm, die van Andersen en de verhalen uit 1001 nacht, worden bij het werk van Annie M.G. Schmit gelezen. Waarom niet? Een ‘Gothic’ of modern ‘alles moet dood’- computerspelletje ernaast en weer is een kinderkopje bijgevuld met associatiemateriaal en droomingrediënten.
===========
Je zult volwassen worden en zelf gaan denken en dan zo’n voorraad blubber in je apperceptieve massa aantreffen. Daar kun je bijna net zoveel mee als met de onmetelijke hoeveelheid “muziek” [ = opzettelijk aangemaakt nodeloos betekenisloos gedachtendodend geluid, dat voor iedereen behalve de liefhebbers ervan storend lawaai is, dat zelfs is voor de liefhebber die het niet zelf heeft ‘aangezet’ en/of kan afzetten, uitzetten, zachter of harder zetten].
=========
Geheugens (“hoofden”) van mensen vullen zich, dat opslaan (dat leren) gebeurt, is niet te voorkómen, anders dan het met ander leren ‘zuvor zu kommen’: ander leren eerder te laten gebeuren, het te laten verdringen.
School is zo’n preventieve maatregel: wat wij op school láten leren, als leerstof aanbieden, is bedoeld om het spontane leren van wat de leerling daar dan overkomt / wat hij ondergaat, te voorkomen, minstens op de achtergrond te dringen en er de passende taal bij vandaan te houden. Nooit is ‘het daar dan aanwezig zijn van deze kinderen plus volwassene op dat uur rond dat voorgeschreven onderwerp’ het onderwerp van ‘leren opmerken, analyseren en bespreken op school, in de klas’. Pas op de kweekschool was ‘onderwijs’ onderwerp van het onderwijs.
==========
Zo wennen wij er aan niet met elkaar te praten over de vraag ‘Waarom zitten we hier in ’s hemelsnaam te leven volgens wetten en voorschriften, die door ons volstrekt vreemde, nu vaak al dode, lieden werden aangemaakt?’ Je moet je toch niet voorstellen dat in de twee wereldoorlogen de moderne jonge mensen en hun oudere tijdgenoten (inclusief hun ouders) het aan Adolf en De Keizer en aan Jozef en Winston hadden overgelaten om te worstelen of te boksen. Nee hoor, gelukkig niet: met zijn tig-honderd miljoenen ertegenaan en het graf in, nu ja, vaak ook geen graf, instant crematie bijvoorbeeld.
==========
Is dat scholen voor ‘niet zelf eigen situatie doordenken en besturen’ na die oorlogen gestaakt? Integendeel, alleen is men opgehouden geschiedenis als gehoorzaamheid funderend verhaal te onderwijzen en heeft men
1. het bevelen vrijwel volledig vervangen door verleiden en
2. het dénken met woorden zoveel mogelijk leren nalaten.
Praten over meningen, met name debatteren, wordt als vorm van amusement vrij hoog gewaardeerd en bekeken (‘Lagerhuis’ VARA).
Dénken over ‘dat daar’ is totaal iets anders, dan praten over eigen neigingen en gevoelens (meningen) bij en over het eigen beeld van ‘dat daar’.
Bespreken is totaal iets anders dan streven anderen te overtuigen en / of ‘onderuit te halen’.
=========
Hoe dan ook: het gaat mij goed en moge het zo blijven. Dat is centraal: de dingen zien gebeuren, maar zorgen dat ze je niet raken doordat jij ernaar reikt, doordat jij probeert ze te grijpen, probeert in te grijpen of aan te grijpen.
===========
OFFEREN, een voorbeeld uit de taal.
========
Als ik een verhaal uitschrijf en dat op een geschiedenisverhaal laat lijken, KEN ik het feit dat ik puur een vorm gebruik. Ik was er niet bij en keek niet toen in de bedoelende, strevende apperceptieve massa’s der doende, handelende, zich gedragende anderen. Het enige doel dat ik met mijn verhaal kan nastreven met enige kans op succes is het invoeren van een aantal onderscheidingen op een manier die het onthouden ervan gemakkelijker maakt en dus waarschijnlijker.
De eerste en grootste winst maak ik zelf: de onderscheidingen die ik nu, nu ik mijn verhaal begin, vagelijk heb, maak ik (schijnbaar aan en voor anderen, die luisteren / lezen) duidelijk en vrijwel altijd komen er andere onderscheidingen bij.
=========
Onlangs was er een film op tv waarin een vrouw bij een meer woonde waarin een zeer grote krokodil verbleef. Elk jaar offerde ze een oude koe aan die krokodil en dat was voldoende om te veroorzaken dat het beest niemand aanviel. Het klopt met andere verhalen over zelden, maar dan vrij veel, etende krokodillen: ware hongerkunstenaars.
Wat is hier aan de hand?
* De krokodil is niet weg te jagen of te doden door deze vrouw
* Zodra geofferd wordt, is het gevaar geweken,
* Dit offeren is niet vrijwillig, het moet van buitenaf, niet ‘van binnenuit, door iets in die vrouw’,
* Dit offeren is geen geloofsdaad, maar nuchter handelen,
* Dit offeren is voorkómend (profylactisch, preventief) handelen en er is in dat soort handelen een gevaar: je weet nooit zeker of het wel echt nodig was of (nog) is
* Zo’n volstrekt nodig voorkómend gedrag, ‘vraagt’ als het ware om een ander verhaal dan het echte nuchtere: “die krokodil is ons te sterk, alleen verzadigd is hij ongevaarlijk”. Het is ontzettend waarschijnlijk dat er een verhaal komt waarin dat beest nog een tegoed heeft bij de familie vanwege een voorvader of zo, of het een God wordt, of zo iets dergelijks.
==========
De andere kant van dit offeren is afpersen (dreigen met kwaad doen als er niet geofferd wordt). Van afpersen kun je andere mensen beschuldigen, dieren en ‘het weer’ en goden niet. Of wel? Die krokodil woont daar gewoon, zijn daar-zijn en moeten eten, gebeurt, heeft plaats, wordt niet gedaan. Zomin als er achter mijn bestaan (exacter: gebeuren) nog weer eens iemand zit die dat doet. Het is een merkwaardig verhaal dat wij wegwerpverpakkingen voor ( in dienst van) en van ‘onze’ genen zijn [en: als aangeleerde apperceptieve massa: van ‘onze’ memen’]. Die offerende mevrouw zit echt niet door die krokodil heen diens genen te ‘zien’ en díe zich te vriend te houden.
===========
Het kost niet veel moeite om in het begin van de overbevolking een situatie te verzinnen waarin een volk een buurvolk dreigt met een roofoverval met brandstichting, een overval die af te kopen is met een deel van de pruimenoogst. Pure afpersing, wordt zo’n minder sterk volk pissig van, maar het krijgt de afpersers niet lief.
Later verbieden de afpersers zure gezichten bij het offeren en op den duur eisen afpersers, bezetters, dat hun ‘gastheren’ (diegenen waarop zij parasiteren) hen vriendelijk tegemoet treden en van hen gaan houden. De priesters, die afpersen met een of meer goden als afpersers, die zij, de priesters, ook alleen maar dienen, zogezegd, dat ‘hun’ goden bemind worden, niet slechts gevreesd en aanbeden en met offers tevreden gesteld.
Dat is een vreemde omslag, die van vrees, die begrijpelijk is, zeker bij een krokodil, naar ‘heb de Oppergod, de dader van alles wat gebeurt, lief boven alles’ [Nietzsche: “heb het lot lief”, het onpersoonlijke gebeuren dus dat jou overkomt. Dat is nog weer een graadje verder weg van alle begrijpelijks.
De God van de Christenen is een vreemde, andersoortige God, tussen alle goden aan wie geofferd wordt. Aan ‘onze’ God dient niet geofferd te worden. Ook het indienen van verlanglijsten, hoe kort ook, is geen toegestane vorm van bidden: je bent als mens, met deze geringe KENvermogens niet in staat juiste wensen te formuleren die jouw eigen kunnen te boven gaan. Het is nog vreemder: deze God offert zelf ten gunste van de mensen, Hij offert zichzelf. Hij offert zichzelf (Jezus is God, niet slechts mens) aan zichzelf: Hij wil van zijn ontevredenheid met deze figuur, ‘de mens’ af. Zoals Hij ook spijt kreeg van de zondvloed en zelf zei dat Hij het niet weer zou doen.
Ten overvloede: het gaat er niet om zulke verhalen te geloven, het gaat er mij om te zien hoe vreemd ‘de geschiedenis van het offeren’ is. De gewone mensen gingen en gaan natuurlijk gewoon door met hun offeren. Ze vertellen of helemaal geen verhalen, zelf, zoals de gewone hindoe of ze vertellen verhalen die ongelijk zijn aan die van de leer, maar passen bij hun offergedrag.
De Christelijke priester (dominee, enz.) weet beter, maar protesteert niet heftig tegen het voortwoekerende heidense gebruik ‘offeren’.

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Categorieën in Jaap’s teksten

Recente reacties