Jaap Schot, 11 augustus 2003
In de loop van vele jaren werden mij vele ‘zaken’ / teksten als ‘om te geloven en door te geven’ aangeleerd. Zo wordt een mens nu eenmaal onderwijzer, leraar, docent. En dat werd ik. Daarnaast werd ik ook opgeleid tot wetenschapsbeoefenaar. Dat begon heel vroeg: op de HBS kreeg ik een scheikundepracticum: de scheikundige verschijnselen deden zich ook onder mijn handen voor, dit in onderscheid van de dingen die een goochelaar / illusionist doet en ‘wonderen’ die genezers doen. Ik kon die dingen die zich onder mijn handen voordeden dus melden, ik vertelde ze niet door als geloofsinhouden. Als zodanig waren ze door mijn scheikundeleraar dan ook NIET bedoeld.
===========
Het is een voorrecht met de apparatuur te mogen werken waarmee nieuwe dingen zich onder je handen voordoen, zodat je die kunt melden. Nieuwe dingen melden is anders dan melden dat ook bij jou zich voordeed wat reeds ontelbaren voor jou onder handen en ogen hadden: pompen maakt mijn fietsband harder nu die niet meer lek is. Na 6 minuten is mijn ei hard gekookt.
==========
Ik praktiseerde nooit de beoefening van wetenschap met apparaten of een budget. Ik begreep de inspiratie, de geest van de wetenschap: die is: ongeloof. Onze wetenschap is een protestbeweging tegen de heersende staatsreligie. Toen ze ontstond: tegen het christendom (toen daar staatsreligie) nu tegen de juristische doctrines.
==========
Het roomse geloof, dat de staatsreligie was toen de moderne westerse wetenschap begon, bevatte ook toen al twee ingrediënten:
1. God en
2. het recht (de waan van daderschap, de waan dat alles wat gebeurt gedaan wordt, na keuze uit alternatieven door een vrij willende potentiële dader, die ook nalaten kan. De waan van schuld en verdienste. De waan van de zinvolheid van vergelijken, van zich en anderen met elkaar meten. De waan van het te vestigen behoren te zijn van voorrechten, de waan dus van het bestaan en gelden, ja waar zijn van ‘wat was’, plaatsvond, gedaan werd, gepresteerd werd. De heiligheid van het verleden. Het gezag, het ópzien tegen wie dreigen.).
Het zal de oplettende lezer opvallen dat 2. geheel onaangevochten is gebleven, ook door veel fervente atheïsten. Enige bestrijding heeft 2. wel degelijk gevonden: bij en door de anarchisten. En, het verbaast misschien ze als bondgenoten, nu ja, als bestrijders van dezelfde wanen aan te treffen: de fatalisten, bijvoorbeeld die diep orthodoxe protestanten die er van uit gaan dat het tot geloof komen zelfs hen wordt aangedaan, dat álles hen overkomt, dat zij totaal machteloos overgeleverd zijn aan Gods genade, die ondoorgrondelijk is voor hen.
==========
De meeste mensen zijn tevreden met het ontkennen van ‘God en wat er aan dat concept / verzinsel vast hangt’ en geloven zonder twijfelen in daderschap, van henzelf en nog veel sterker: van schuldige en verdienstelijke (lieve) anderen (menselijke subjecten, uniekelingen, die bestaan, er zijn, dus niet alleen maar gebeuren zoals wervelwinden, draaikolken en regendruppels dat doen).
=========
De inspiratie van de wetenschap is ongeloof.
De wetenschapper heeft de zekerheid niet te weten wat hij niet actueel, hier nu aan het waarnemen is. Niet slechts ‘horen zeggen’ verschaft geen kennis, maar zich eigen waarnemingen herinneren ook niet. Dat is de enige zekerheid van de wetenschapper, dat hij alleen (bij uitsluiting van al het andere) hetgeen hij hier nu waar neemt kent.
Het horen van de duidelijk bedoelde waarschuwing of van verschrikte noodkreet van de ander is ongelijk aan het waarnemen en daardoor zeker zijn van de dreiging / het gevaar. De moderne wetenschap ontstond en blijft bestaan als en in reactie op het geven van vals alarm en het liegen ontrent mogelijkheden (‘om op het ijs te lopen’).
=========
Ik had nooit een budget en/of instrumentarium tot mijn beschikking en ik pas mijn wetenschappelijke inspiratie voornoemd, toe op wat ik wel tot mijn beschikking heb: TAALVERSCHIJNSELEN (binnen in mij) en het gedoe en gepraat van anderen, televisiebeelden en radiogeluiden.
=========
Ik schrijf mijn bevindingen uit, wat de schijn van melden heeft en naar binnen toe bij mij ‘werkt’, ‘bevredigt’, af en toe een duidelijk gevoel van succes geeft.
=========
Dat is alles.
Mij horen en lezen ze niet, ik ben niet betrokken bij het grote gevecht (het grote vechten)
* binnen deze of gene doctrine en/of
* tussen de doctrines, de geloven, en/of
* tegen het geloof / het geloven, de bezigheid.
========
Betwijfelen is even dom en gehoorzaam als geloven.
Het betwijfelen van wat je niet hier nu waarneemt maar je slechts herinnert of slechts hoort zeggen (leest) is even DOM (= tegen beter weten in handelend) en tegen je inspiratie in je op buitenbesturing laten zetten in als geloven.
Betwijfelend en gelovend ben je bezig (verdoe je txaenz) aan hersenschimmen die door woorden / begrippen vorm gekregen hebben. Slordig uitgedrukt: je wordt via de taal geleefd door anderen, je wordt gebruikt, zoals vee, paarden, olifanten. Je reageert op alarm zonder het zelf te controleren, terwijl je de ervaring van veel vroeger vals alarm hebt en de waarschuwing tegen het weer optreden ervan.
=========
Wie anderen door vals alarm of loze beloften verleidt, bestuurt hen van buiten af, door gebruik te maken van hun afstelling (begeerten, angsten en cognitieve geheugeninhouden) die hij in hen wakker roept. Slechts wat aanwezig is kan wakker geroepen worden, daartoe wordt dan ook speciaal materiaal naar binnen gebracht door fictie, propaganda, geloof, bijgeloof en reclame. Dit binnenbrengen van bruikbaar makend materiaal maakt het overgrote merendeel uit van wat men (let op wie in wiens betaalde dienst en wie voor eigen gebruik) in de samenleving, her en der aan onderwijs, vorming, acculturatie, socialisatie, enz., enz. doet.
==//11-8-03 8:29\\==
11-8-03 8:29:
Wie niet met een religie met goden en/of goeroes in aanraking is gekomen, verkeert vaak in de veronderstelling dat er voor hem geen waanideeën binnen in hem zijn om te bestrijden. Zorgen over hun rechten als burger hoeven ze zich hier nu vaak ook niet te maken en dus kan het gebeuren dat ze totaal in pret opgaan. Elke keer als er een golfdalletje in de werkgelegenheid optreedt is er een vage ongerustheid, maar die gaat altijd weer over: die golfdalen zijn er door de golfruggen.
=========
Deze mensen zien en benoemen zich niet zelden als ongelovigen. Dat zijn ze vrijwel nooit, ze geloven in het staatsdeel van de staatsreligies: het daderschap van vorst en onderdaan en het bestaan van de instituties. Ze ‘denken’ dat het maatschappelijk gebeuren geen spel is, ze ‘denken’ dat, tegen het gebruiken van de term ‘spelen’ daarvoor, in. Die term doet hen bij gebruiken en gebruikt horen evenmin aan ‘spelen en het daaruit dus weg te roepen moeten zijn naar het echte’ denken, als de term ‘slachtoffer’ aan ‘doodmaken in het kader van het vereren en gunstig stemmen van een afgod’.
=======
Voor heel veel mensen is het bovenstaande totaal geen onderwerp: ze dachten en denken er nooit aan of over. Dat kan ‘prettig onbezorgd’ worden genoemd, maar ook ‘onbenullig’. Of ik het benoem of niet en hoe dan wel, is totaal zonder enig effect naar buiten mij. Zoals waarschijnlijk iedereen, ben ik blij met mijn zo-zijn, iedere echt ontevredene zou veranderen, omdat zulks moeiteloos kan. Schoolvoorbeeld: ontelbare hobby’s en andere gewoonten en txaenzbestedingen zijn vervangen door televisiekijken, zonder enige moeite of dwang. Met behulp van pc’s worden massa’s mensen tot thuis zitten gebracht, zonder dat enige dreiging of geweldpleging daartoe nodig bleek. Als er een als aantrekkelijker ervaren alternatief op de markt is, mogelijk is, dan blijken gewoonten waarmee men tevreden is (was tot dan toe) totaal krachteloos tegen de ontevredenheid met het niet - hebben van het nieuwe.
Als ‘het bezig zijn zoals ik’, of enig bezig zijn, welk dan ook, aantrekkelijk was voor wie nu niet bezig is, zich verveelt, dan zou die verveling worden beëindigd.
=========
‘Mensen die mensen nodig hebben’ (goreanen dus als schoolvoorbeeld) sleuren een andere lege mee hun geluk ‘wat te doen hebben’ in. Wie niet leeg is, is niet mee te sleuren dát geluk in. Wie niet leeg is, niet leeg van onderwerpen / niet – mensen, niet ongeïnteresseerd in ‘zaken’ (nee, geen ‘commercie’ en ook geen ‘rechtszaken’), is te storen, heeft niet al zijn txaenz voor anderen over. De uitdrukking ‘txaenz over hebben voor vrije besteding ervan aan en/of met die ander’ vooronderstelt dat er naast die ander en naast die vrije txaenz ook nog txaenz besteedt wordt aan nodigs en/of aan een inspiratie, een initiatief (bestáát er zoiets??) of enig ander alternatief voor verveling.
==========
Een vraag terzijde dus: is ‘initiatief’ iets anders dan een verzinsel binnen het juristengeloof?
========
Wie geen werk heeft (= niet als loonslaaf gebruikt wordt), heeft geen vrije tijd, hij heeft alle tijd. Hij heeft geen vrij, hij is vrij. Dat wij moeten ademen, eten, slapen en op tig andere wijzen als dier functioneren maakt ons niet onvrij. Dat functioneren kost geen ‘tijd van leven’, het is het LEVEN zelf. Een bevel is geen doorgegeven noodzakelijkheid en een noodzakelijkheid is geen (afzenderloos) bevel.
========
Weer een vraag terzijde: wat voor een identificatie heeft diegene die het voor hem biologisch nodige beschrijft als een bevel (van ‘de natuur’ of zo)?
========
=======
11-8-03 9:05||11-8-03 14:50|||
0 Reacties