Jaap Schot, 10 juli 2000

 

[Vanwege de lengte van dit opstel is het hieronder in delen opgesplitst.
De afzonderlijke delen zijn te openen door op het plusteken (+) te klikken, J.S.]

ZIJN, het ene element van ZELF-ZIJN, is ongelijk aan SPELEN

‘ZELF-ZIJN’ is niet bepaald de duidelijkste term uit het psychologische woordenboek.
ZIJN is ongelijk aan spelen.

Spelen:

  • Othello zijn in onderscheid van Othello spelen. ZIJN is ongelijk aan bewust zijn, denk aan onnadenkendheid en slaap.
  • Er is ook illusief spel. Dat is ZIJN ook niet. Dat ongelijk-zijn is centraal.

ILLUSIEF SPEL: kinderen van een jaar of drie, vier, vijf. “Ik was de koningin en jullie waren het volk. En ik kwam voorbij en jullie vertelden mij over jullie ramp. En Jan was de minister-president.” “Nee, wij willen dat Piet de minister-president is.” “O.k. maar tot ik hem afzet.” “Minstens een uur.” “O.K.”.
Mensen die kinderen in hun buurt hebben, kunnen echte voorbeelden geven, maar dat is niet wezenlijk. Hier niet. Ik wijs aan: kleine kinderen spelen zo na wat ze gezien hebben, meer ‘naar aanleiding van’ wat ze gezien hebben, dan ‘na’, eigenlijk.

Kenmerkend voor dat spel is, dat ze spelen

  • in een afgesproken gezamenlijke opvatting van de dingen in de omgeving
  • met afgesproken onderlinge relaties c.q. rollen en
  • wat ze beleven: hun ervaringen zoals ze die opvatten.

1. in een afgesproken gezamenlijke opvatting van de dingen in de omgeving
2. met afgesproken onderlinge relaties c.q. rollen en
3. wat ze beleven: hun ervaringen zoals ze die opvatten.

Ik herinner me hoe kinderen die voor schooljuffrouw speelden de ‘kinderen in de klas’ ronduit terroriseerden, aanbrulden. Zo kwam de juffrouw over, zo was ze voor de kinderen, geen volwassene zou dat uit haar gedrag aflezen, direct.
Als lijfelijk-volwassenen illusief spelen met elkaar dan is dat niet anders, niet wezenlijk anders, dan wanneer kleuters dat doen. Het vervullen van maatschappelijke functies en ambten is ongelijk aan ZIJN, het is gelijk aan meedoen in een illusief spel. Dat feit KENT iedereen.

Heel het georganiseerd ‘in civilisatie’ bijeen bezig zijn, met elkaar, en met spul, spullen en andere levende wezens van alle soorten’ is illusief spel.
Ook al spelen ze met echte wapens en echt geld en echt geweld en echt bedrog en echte mishandeling.

Daar wordt het niet ECHT van, alleen maar levensgevaarlijk.

Het is dus niet echt, net als de spelende kleuters kunnen deze lijfelijk-volwassenen met hun spel ophouden, als Moeder roept dat het etenstijd is, bijvoorbeeld.
Alleen: er is geen Moeder en iedereen speelt, zelfs als er geroepen wordt, al is het (zoals de profeet zelf zegt) door God zelve, door, omdat hij terecht vermoedt dat niet allen met het spel zullen stoppen en dan heb je die situatie waarin één nationale staat zomaar ontwapent.
In de Amerika’s, onder andere in de USA, heb je een paar van die groepen wederdopers en zo, die opgehouden zijn met meespelen, op een willekeurig moment. Nu is het net of zij spelen en de rest in het echt bezig is.
Maar het leven ‘in de wereld’ (zo heet in de Bijbel dat terrein, dat speelbord, dat verdeelde aardoppervlak met die schendbare luchtruimen daarboven en territoriale wateren daaromheen, waarop ze ‘civilisatietje’ spelen) is wezenlijk illusief spel, het is onecht.
Dit feit te KENNEN kan niemand voorkomen, maar het zich bewust te maken en /of dit uit te zeggen, wat is het nut daarvan, wanneer er toch geen eind aan komt? Word je onsterfelijk door te weten dat je sterfelijk bent? Nee. Word je onkwetsbaar door te weten dat je kwetsbaar bent? Nee. Is het weten van dingen die je niet veranderen kunt en die niet zullen veranderen, ooit ‘zinnig’ (of zo)?
Dat is de vraag hier.

Gekend, begrepen, ingezien, doorzien, geweten, verwoord, benoemd, besproken worden verandert niets aan het onderwerp. Het verandert iets aan de kenner (weter, herkenner) ALS APPERCEPTIEVE MASSA. In die apperceptieve massa wordt het gegeven in kwestie verwerkt, geplaatst. Er komen nieuwe reactiemogelijkheden, die worden bedacht, in/met reserve- txaenz. En, het herkende begrepene is niet langer onverwacht.

Opvallend in dit verband is dat over tegenstanders het futiele van hun spel-afspraken met graagte en instemming wordt geschreven. Dat stuk propaganda levert de mensen de woorden en begrippen en verhalen waarmee civilisaties onthuld, ontmaskerd, ontluisterd kunnen worden. Een stuk taalgereedschap waarmee men zich ook uit de eigen civilisatie kan bevrijden, psychisch. Af en toe doet deze of gene dat dan.
Dat was dus ZIJN. Nu volgt, van ZELF-ZIJN, het andere stuk: ZELF.

ZELF, het andere element van ZELF-ZIJN. Een betekenis kiezen voor dat ZELF

Reeds voor de geboorte wordt het ‘blanco vel’ dat de nieuwkomende mens als genencombinatie is, beschreven: door ervaringen van overvloed en tekort, door zintuiglijke ervaringen zelfs al. En bij de geboorte slaan de anderen en de omgeving als bronnen van invloeden overweldigend toe. “Wat is er aan mij van mij?” is dan ook voor iedereen de vraag.

Als genencombinatie ben ik schepping, van God of van het Lot, het toeval, dat is om het even, als we aan het beschrijven zijn. De keuze voor deze of gene schepper wordt pas later van belang. Later, als er keuzes binnen het onnodige worden afgedwongen. Binnen het onnodige ligt alle kwaad. Van het kwaad gaat de dreiging uit en alle kwaad-doen zet, bij de erdoor getroffenen, kwaad bloed en dan dreigt er weer kwaad: wraak. Dan, als we de onnodigheid in gedwongen worden, de wereld van kwaad, dreiging, haat en wraak, dan wordt die keuze van belang tussen god, lot (karma, avontuur van vele incarnaties) of toeval.

Uitwerking terzijde: binnen het onnodige ligt alle kwaad, want binnen het nodige kan geen kwaad liggen. Nodig en onnodig voor het volledig en harmonieus functioneren van een levend wezen, daar heb ik het hier over. Het daarbinnen, binnen dat daarvoor nodige, spreken van kwaad, komt neer op het (deels, maar dat kan niet) verwerpen van het bestaan van dat levende wezen. Dat is verbijsterende onzin, gezien het gedaan wordt door een ander levend wezen: waar kan ‘de grond’, ‘het recht’ voor zo’n verwerping van opzij (schepsel tot schepsel) vandaan komen: “uit een waan”, is het enige mogelijke antwoord.

Ook binnen het onnodige spreekt men van nodig, ‘technisch nodig’ is daar dan de betekenis. Meer betekenissen voor een woord: opzettelijk taalbederf. Opzettelijk nalaten van het ijken van een aparte term. Opzettelijk houdt niet in: bewust, besproken, beschreven, onder woorden gebracht, doelbewust gekozen uit duidelijk naast elkaar geplaatste alternatieven. Zo intelligent handelt de gezamenlijkheid, ‘de (geciviliseerde) mens’, niet. Dat moet (en zal) ze wel gaan doen: in het kader van het aanmaken van de, zelf tekst aanmakende, robot-computer. Zelf tekst aanmakend bij zijn waarnemen, bij zijn begrijpen en bij zijn informatie verwerken tot plannen, bevelen en berichten.

In het voorgaande heb ik al gekozen voor een betekenis van (c.q. voor) dat ‘zelf’: ik ben, acht mij, schepsel. Dat komt van het Joods-Christelijk verhaal over mens-zijn, dat geen beschrijvend verhaal is, maar een verhaal om mee te zijn in die boze wereld en om daaruit te ontsnappen, c.q. van deelname, meespelen, af te zien.

“Ware het slechts zo dat ik geen keuzes hoefde te maken tussen onnodigs en tussen nodig en onnodig, leefde ik toch maar in het rijk van het nodige, puur.
Dan zou ik geen gelegenheid hebben te zondigen, kwaad te doen,
die wereld van het kwaad mee onderhouden en bouwen.”

Dat is het verlangen vanuit mijn opvatting van het Bijbelse begrippensysteem, de Bijbelse verhalenverzameling. Anderen hebben andere opvattingen of zelfs geen opvattingen. Sommigen geloven zelfs in het bestaan van God, dat is niet nodig. God bestaat zonder dat ik geloof, of Hij bestaat niet. God vindt het vast prima dat ik niet geloof en niet twijfel aan wat voor mij puur woorden zijn. Nu ja, eigennamen: Robinson Crusoe, God, Data, Seven of Nine, Tom Poes.
Ik koos dus al: wat ‘dat wat ik meemaakte, dat wat mij werd aangedaan, dat wat ik opmerkte, dat wat mij overkwam, enzovoorts aan sporen op (in) mijn zenuwstelsel (geheugen et cetera) achterliet, noem ik niet ‘ik’.
Ik heb die littekens, die sporen. Ik BEN die sporen niet!
Maatschappelijk gezien is dat de uiterste opstand, want allen die opvoeden, opleiden, africhten, indoctrineren, instrueren, enzovoorts geven één enkel bevel: “Word wat wij van je willen maken en blijf dat levenslang”.

Wat te doen om JEZELF te ZIJN? Waartoe JEZELF ZIJN?

Alleen vanwege hun succes, alleen omdat er een grote overvloed van aldus tot speler gevormd zijnde, gehoorzamende slaven is, staat het HIER NU iedereen vrij dit ‘buiten-zijn’ (= die sporen niet zijn) te kiezen, zonder zich te hoeven beroepen op een religieuze reden voor deze stellingname. Ik mag (iedereen mag) die keuze maken zonder in een klooster te hoeven gaan gehoorzamen aan regels of mysticus te hoeven gaan spelen in een te kleine behuizing en zonder comfort. HIER NU, dat is dus in de seculiere welvarende staten en voor zolang het duurt.

“Wat te doen dus”, zo is de vraag, “om in deze definitie JEZELF TE ZIJN?” Antwoord: Vervorm je niet: pomp je niet op en reduceer (verklein, amputeer) jezelf niet.
Daar zijn we gauw mee klaar dus. Ik kom er verderop in dit opstel nog op terug. Zie, Het gekozen ZELF. Wat te doen om JEZELF te ZIJN?

Maar, dat ligt voor de hand, de bijpassende vraag is: “Waartoe JEZELF ZIJN?”. Is het vermijden van het doen van (en daardoor zelf mede veroorzaken van bedreigd worden door) kwaad de moeite waard, gezien het feit dat er een overmaat van kwaad is, waardoor ook de ‘rechtvaardige’, de vermijdende, bedreigd wordt en getroffen? ‘De moeite’? Is het moeite, nou, minstens is het zelf-ontzegging. Het komt neer op, niet begeren. Wie begeert (= onnodigs ook wil hebben c.q. doen c.q. gedaan krijgen) die wordt ‘verleid’, de wereld binnen gehaald en daar gebruikt en van zijn vrijheid/zelfbeschikking beroofd, c.q. verslaafd.

Het niet-meedoen komt neer op: nalaten te nemen wat de gelegenheid biedt, zonder dat je je daarmee, met dat nalaten dus, van enige dreiging ontdoet. Het is het volstrekte tegendeel van consumentisme, van ‘nemen wat je nemen kunt’, van hedonisme ‘genieten waar en wanneer je kunt’.

Het loont niet, niet systematisch, dus in sommige gevallen in het geheel niet. En ik eindig met mijn dood. Dat doen wij allen. En wij eindigen ook allen op ons vel, wat we onszelf en elkaar ook suggereren.
Het loont niet en het beschermt niet: Er zijn boekenplanken vol verhalen over onschuldige slachtoffers van kwaad. Wie wreekt zich nou op de daders, geen wereldling, zo zijn ze niet, altijd wordt de dader niet aangevallen of minstens gemist. De wraak treft de niet-dader.

Ook dit, het puur de enkeling betreffen van deze hele redenering, is typisch voor de religieuze indoctrinatie die ik ooit kreeg: er worden geen families samen in de hemel opgenomen, iedereen komt als enkeling ‘voor Gods rechterstoel’. Dat feit uit de Christelijke heilsleer maakt de bovenstaande beschrijving van een eenpersoonskeuze begrijpelijk (qua herkomst).

Maatschappij als illusiespel

Tegenwerping in vraagvorm: “Maar als je nou weet dat het hier (bij Gods bestaan, bij heilsplan, bij schepping, bij schuld, bij laatste Oordeel, bij ‘van DE MENS deel uitmaken’) verhalen betreft, vervalt het geheel dan niet? Die verhalen staan dan toch als verhalen tegenover de werkelijkheid, als verzonnen tegenover waar?

Antwoord: Nee, dat is anders. De wereld (de civilisatie, de slavenhouderij en met name alles wat daarin en daarover ter staving en grondvesting en als propaganda gezegd wordt) is ook puur van woorden gemaakt. Ze, ‘de mensen van de wereld’, zoals die – in tegenstelling tot ‘de rechtvaardigen’/’de kinderen Gods’, ‘de bekeerden’, ‘de gekozenen’ of zo – genoemd worden, spelen een illusiespel. Om ons heen waren de mensen al dat illusiespel aan het spelen en wij mochten/moesten meedoen, daartoe werden wij geschikt (bruikbaar, gelovig-in-die-illusies) gemaakt.

Ze spelen een illusiespel, maar ze weten dat niet meer, ze laten dat niet tot zich doordringen en dat maakt dat ze moorden en roven en dan ECHT, binnen dat spel. ‘Ze weten dat niet meer’ is een wat rare uitdrukking. Het is hen niet overgeleverd. Integendeel, hun oudere tijdgenoten, die wisten het ook al niet meer. En wie het opmerkten, liepen vroeger groot gevaar. “De keizer heeft niks aan”, dat was niet zonder gevaar te constateren en te melden. Er bestaat niet zoiets als koningschap of keizerlijke luister.

En van de keizer tot de allerlaagstgeplaatsten, van de hoofdrolspelers tot de figuranten, van arm tot rijk, GELOVEN de wereldlingen dat ze in het echt (in en met de waarheid) leven, terwijl ze slechts in hun eigen werkelijkheid leven.
Dat ‘eigen’ is niet echt eigen. Het is opgedrongen, nooit afgesproken, nooit gekozen door de betrokkenen nu: ze werden ‘als in een rijdende trein’ geboren. Wij werden…

Als een toneelspeler gek wordt en als Othello op het toneel aanwezig, zijn Desdemona echt om zeep helpt, is ze echt dood. Dat is dan waar. En toch was de waarheid ook deze: de speler was vergeten dat hij speelde, niet echt was. Dat ‘vergeten’ maakt zijn rem onklaar. Daar op toneel: zijn maatschappelijk aangeleerde rem. Ten aanzien van de civilisatie, als je het spelkarakter, het spelwezen daarvan ‘vergeet’: je biologische rem, betreffende het niet doden van soortgenoten.

Ook in de echte (illusieve) wereld zijn de spelers vergeten dat ze spelen, dat X slechts de rol van leider vervult en dat er niemand echt in ongenade kan vallen en daarom mishandeld, benadeeld, gedood. Ze spelen dat het echt is en vergeten dat ze spelen. Het is niet echt, het is verzonnen. Er is niets hogers aan hogeren, niets lagers aan lageren. Rechten zijn verzonnen, voorrechten ook. Het is waanzin (met name dus ontremdheid) er uit te gaan handelen in ernst en er uit te blijven handelen als dat iemand gaat schaden, zeer doen, enzovoorts. Zelfs ‘gaan vervelen’ is al genoeg reden om met een spelletje op te houden.

Jonge mannen in het veld sturen om met elkaar te vechten, speelt nog in op de natuur (endogene testosteronvergiftiging). Het bewijst lage intelligentie of onbruik van voldoende hoge als men zich met gevaarlijke wapens op elkaar af laat sturen. Maar het doden van kinderen is onnatuurlijk voor onze soort en/of we kunnen onnatuurlijk handelen, dus ook in dezen.

De waan van een bestaand verleden als intellectueel fundament onder ieder regime

Het verleden, waaruit die rechten en voorrechten [“de verzonnen rechten en voorrechten” uit het voorgaande stukje Maatschappij als illusiespel, J.S.] stammen en waarmee ze ‘begründet’ worden, waarop ze naar het zeggen der juristen – de ‘erbij-praters‘ van die wetten en voorschriften – berusten, dat verleden is voorbij. En dat is de enige ‘eigenschap’ die het heeft: de eigenschap dat het er niet meer is om enige eigenschap te dragen, te hebben en/of om ergens oorzaak van te zijn.
De waan van het bestaan van het verleden is de waan van het voortbestaan van het heden. Die waan is een deel van ‘het intellectuele fundament’ van de civilisatie, de rangschikking, de slavenhouderij, die ze ‘de samenleving’ noemen.
Deze waan is mede de basis van elke orde, van de democratie, van de rechtsstaat, van elke ‘-cratie’, van elk regime. Dat ‘intellectuele fundament’ is een waan en dat blijkt dan ook meteen als de spelers van de heersersrollen vergeten het fysieke fundament: het leger (“de geweren”) ten toon te stellen – en wel, ook door het (ze) tegen een deel van het eigen volk te gebruiken. Onverwijld ontspoort de jeugd, steeds worden de crimineeltjes jonger en vervallen de zeden verder.
Met dit begrippenapparaat, van dat funderende verleden, kun je alleen aankomen bij mensen die al ziek zijn. Of die er, van angst vanwege gezien mishandelen, al ziek genoeg voor zijn. Bij natuurkunde leren de kinderen dat eenmaal verbruikte energie niet nog eens te gebruiken is, bij economie leren ze dat je geld maar één keer kunt uitgeven. ‘Wat was’ telt niet meer mee.

En dan moet in de les over rechten en voorrechten ineens gelden wat was. En ‘gelden’ mag niet onderscheiden worden als ‘bij spel horend’ van ‘waar zijn’ als bij echt, bij ZIJN horend. Dat gaat er met en zonder woorden NIET in. Het IS namelijk onzin, waanzin.

Er is niet zoiets als een levend verleden.
Dat is propagandapraat.

Dat ook de religie is gebruikt om dit begrip ‘levend verleden’ aan de man te brengen, is een ramp geweest. Hoe begrijpelijk ook.
Zo hangt dat dus samen. Niet echt ingewikkeld. En het is allemaal al lang gezegd en zelfs voor televisie geweest. Maar altijd in stukjes, als om te voorkomen dat men het tot een geheel verbond, het als een Gestalt ging zíen.

Verhalen staan niet tegenover echtheid, maar tegenover andere verhalen
Het is dus niet zo dat er (religieuze) verhalen tegenover (wereldse) echtheid staan. Nee, verhalen staan tegenover verhalen. Met name, illusiespel-voorstellen, die als verbale begeleiding van fysieke dwang – mishandeling en dreiging met herhaling daarvan – in gebruik zijn. Als de religie zegt dat rang een illusie is, dan is dat zelfs waarheid. Het is natuurlijk onzin om dat dan een religieuze waarheid te noemen, waarheid is geen spul met eigenschappen of met een ter zake doende herkomst. Slechts juristen denken zo over waarheid, zij weten dat ze die kunnen laten gelden, omdat ze het feit kennen dat ze een spelletje spelen, niet in het echt bezig zijn, als ze rechtspreken, de orde handhaven. Dat feit dat ze spelen kennen ze, zoals de dominee het feit kent dat hij verzonnen figuren en verhalen bespreekt op zo’n manier dat de hoorder hem niet hoort onderscheiden tussen deze figuren en verhalen enerzijds en de empirische aanwijsbare waarneembare stand en gang van zaken en aanwezige personen anderzijds. Deze mensen zijn, als ze bezig zijn, niet bewusteloos, dus: bij kennis. Ze KENNEN hun ‘in en met illusies bezig zijn’, maar zorgen er (door binnen het hen aangeleerde taalgebruik c.q. bij de woordgebruiksgewoonten te blijven) voor dat ECHT en illusie ONONDERSCHEIDEN blijven: zij zaaien en wieden die verwarring. Dat wieden is altijd nodig als er kinderen in de buurt zijn, met hun eeuwige waarom-vragen en met hun vertrouwen dat deze sprekers ononderbroken misbruiken en dat wetend: dat knaagt niet zelden aan hen, want als dier ‘mogen’ ze dat niet doen bij jongen van hun eigen soort. De succesvolle ambitieuze aangepaste is dan ook als dier een beschadigde. Dat ze hun eigen kinderen mijden zolang die kleine vragertjes zijn, is dan ook niet verbazingwekkend.

De beroepspredikers van de religies werken met verzonnen goden en bizarre verhalen. Sommige, overigens gewone mensen, gaan geloven, in het bestaan van die goden en in het waar-(gebeurd)- zijn van die verhalen. Dat is niet slim van ze, want daar zijn verzonnen figuren en verhalen niet voor: sommige van die verhalen zijn verpakkingen (verhullingen) van (verboden) boodschappen en andere zijn zomaar voor de lol verteld. Gelovigen kunnen dat hun kinderen niet meer laten weten, ze weten het zelf niet. En er zijn ontkenners van het bestaan van zulke verhaalfiguren, die ook niet willen geloven dat er in sommige verhalen wel degelijk wat zit, ook al wordt er door anderen in geloofd.

Beroepspropagandisten en het huidige, alledaagse Auschwitz

De beroepspropagandisten voor de civilisatie verbergen de kern van de orde waarin (= het regime waaronder) wij leven: de dreiging en de, bedreigbaarheid (angst) veroorzakende, mishandelingen. Ze verbergen die dwang achter sluiers van democratisme en ze verpakken voorrechten in koopkracht. Het mishandeld-worden schrijven ze toe aan arm-zijn.
Civilisaties zijn niet mogelijk zonder de beroofden dood te maken en ook niet zonder slavenarbeid (txaenzroof, vernietiging van een deel van de onderworpenen door arbeid), ook ‘onze’ civilisatie niet. Stalinisme en Nazisme waren nieuwe, verse civilisaties. Auschwitz was zo’n plaats waar het dood maken van beroofden plaatsvond. De Goelag-archipel was zo’n plaats waar ‘door arbeid vernietigd werd’. De overwinnende civilisaties hebben mobiele Auschwitzen en Goelags: nu eens hier, dan weer daar worden die onvermijdelijke ‘achterkant-bezigheden van de beschaving’ uitgevoerd. Daarover gaan de nieuwsberichten en de rubrieken daarachter ononderbroken ook. Op radio 1 doen ze dat tussen de sportberichten door. Grandioos!

De echt armen zijn waar het huidige alledaagse Auschwitz is. Het maakt voor de mensen die hongeren en dorsten en angstig zijn en ziek en die lijden en wier kinderen sterven niks uit of hen dat overkomt doordat ze arm zijn of doordat ze jood zijn. Het is altijd maar een vrij korte afstand van die vertrapten naar de afwezige (elders aanwezende, wonende) profiteurs van dit gebeuren. Rond Auschwitz was een ordinaire roofmoord. Ergens in Afrika zijn ze – volgens het nieuws – bezig aan een ordinair gevecht om vindplaatsen van ruwe diamant. Nodig of onnodig worden daartoe kinderen soldaat gemaakt, worden er armen gemaakt, worden er mensen misbruikt, verminkt en gedood. Kortom, een afdeling van Auschwitz is nu weer eens een poosje daar: het hoeven geen joden te zijn, het hoeft geen gas te zijn.

Sommige, overigens gewone mensen, gaan geloven

  • in de afwezigheid van een complot achter dit en ander, überhaupt achter het politiek gebeuren, en
  • in de aanwezigheid van recht, eerlijkheid en goede wil, en
  • in integriteit van ambitieuzen met succes en van rijken.

Tegen een onafgebroken stroom bewijzen van het tegendeel in, een stroom voorbeelden die dan kennelijk altijd als uitzonderingen moeten worden opgevat.

Let wel: ik heb dit alles als informatie, niet als kennis. Ik KEN het feit dat de media ononderbroken deze informatie uitbraken. Wij kijkers en luisteraars weten het. Wij zien het zoals de middeleeuwers de openbare terechtstellingen zien: blij waren ze dat zij geen ketter en geen heks waren. Blij zijn wij dat wij in een beschaafd en rijk land leven, in een rechtsstaat. Wij weten er van, we weten er niet de veroorzaking, de daders en de profiteurs van, die kunnen wij niet kennen: geheim (privacy, staatsgeheim, bedrijfsgeheim, bankgeheim). We kunnen er ook niets aan doen. De actuele pendanten / afdelingen van Auschwitz zijn niet door mij en/of de lezer te sluiten en niet te verplaatsen. Het woord ‘wereldgebeuren’ is goed gekozen: het is geen DOEN het is GEBEUREN: er is geen leiding, geen regie, geen bestuur. Zoals bestuur ook ontbreekt bij het verloop zelfs van een schaakpartij.
Sommige mensen denken dat er iets wezenlijk anders aan het gebeuren is nu in de wereld dan toen in het Derde Rijk. Nou, volgens de media niet. Niet volgens het nieuws, alleen volgens commentaren, heel zelden. De regel is dat er geen ander dan oppervlakkig commentaar gegeven wordt, maar de ene melding pauzeloos volgt op de andere.
Het is natuurlijk oneindig dom om, tegen beter weten in, een wereldbeeld te handhaven waarin steeds maar datgene gebeurt dat niet kan. Zo zeggen ze het ook. Vroeger zei men “dat mag niet”, nu zegt men “dat kan niet”. Men zegt dat van wat voor hun ogen aan ongewensts gebeurt (gedaan wordt). Vreemd vind ik dat telkens weer.
Niet dat het een wedstrijd is hoor, maar wat is nou dommer? Geloven in verhalen (je kunt nooit weten, het is onwaarschijnlijk en oncontroleerbaar), of geloven in de propaganda (het betreft het ons waarneembaar gegeven hier nu, en de kernbeweringen zijn bewezen onwaar)?

Democratie of dictatuur, civilisatie is een illusiespel

Het maakt geen wezenlijk verschil of er van de cast één speler vergeet dat hij speelt of dat er in de wereld één iemand tot het inzicht komt dat het hele stel vergeten is dat het aan het spelen is.
De grondwet is een verzameling illusiespelvoorstellen. Het is een stel bevelen voor iedereen totdat die – met niet minder dan 2/3 medekiezers ‘achter’ zich – een wijziging organiseert. Het is dus een verzameling bevelen. Maar van ‘een bevel zijn’ wordt er niets ECHT. Het blijft dus een illusief spel, wanneer er volgens die grondwet wordt gehandeld.

Het is deerniswekkend als iemand die onder zo’n verzameling bevelen leeft, zich het begrip ‘WIJ’ in gebruik neemt.
Waarbij hij zich één-denkt met doden en de anderen die onder dat bevel leven en zegt “dat hebben wij zo afgesproken met elkaar.”
En dit verzin ik niet: ik heb op televisie iemand dat zien zeggen, in ernst. En er kwamen geen verplegers om hem af te voeren.

Om te bewijzen dat de keizer gekleed is, heb je democratie. Bij meerderheid van stemmen is hij gekleed, al draagt hij niets. Of je hebt er dictatuur voor. Door centraal bevel is vastgesteld dat de keizer gekleed is. Tegensprekers en twijfelaars die als zodanig herkend worden, zullen door arbeid vernietigd worden in daartoe in te richten kampen.
Voor de civilisatie – het illusiespel, de illusie van de (financieel blijkende) ongelijkheid der mensen, de slavenhouderij, het rangschikken – maakt het niets uit, democratie of dictatuur, als er maar de dreiging is van vernietiging voor diegenen die niet mee doen en/of zich (wel meedoend) niet aan de regels (de orde, het regime) houden. Want op die dreiging, die macht die uit de lopen der geweren komt, berust de civilisatie. De dictator zegt openlijk de burger te dwingen: dwangarbeid. De rechtsstatelijke democraat zegt ‘de eigendom’ (het bezitten, door de ander, van wat die burger nodig heeft) te verdedigen tegen diefstal: zodat de bezitter de burger in kwestie kan dwingen tot het doen van een kunstje: arbeid, onder dwang, dwangarbeid.

Het antwoord op de vraag of het ene systeem niet prettiger aanvoelt dan het andere, is afhankelijk van aan wie je het vraagt. In beide systemen is ruimte voor onbezorgd leven. Werner von Braun, om maar een naam te noemen. Bij die nieuwe verse civilisaties waar ze respectievelijk Nazisme en Stalinisme gebruikten als doctrine (= als verzameling inspiraties, andersoortige leugens, bedreigingen en smoezen), mogen we zien dat ‘alle macht uit de loop van een geweer komt’. We mogen zien, in oneindige Vergangenheitsbewältigung*-filmseries, wat het was. Het nazisme was qua verzorging en qua moreel (the ‘feel good’ factor) goed voor het volk. Er waren Duits sprekenden buiten het volk en die werden vernietigd en/of beroofd. Maar dat was en is onmisbaar deel van elke civilisatie. Wie niet rooft heeft niets uit te delen, want alles wat te bezitten is, (dat is: aan het gebruik van anderen te onttrekken en te onthouden) is al van iemand. Wie niets uit te delen heeft, heeft moeilijkheden om aan goed leidinggevend personeel te komen: slechts een deel van het volk ‘loopt op’ enthousiasme en dat nooit lang.
Ook bij ons in Verstandië is het binnen de welgestelde kringen goed toeven. En om die kringen heen zitten producerende massa’s die goed verdienen. Er zijn ook ontelbaren buiten die beide kringen. Die zijn geen jood, maar arm. Die zijn niet zozeer politieke tegenstander, maar arm. En af en toe zitten er primitieve stammen op ertslagen en zo. Die verdwijnen daar dan. Daar is geen sprake van persoon voor persoon beschreven beroofden of zo, zoals bij de joden in Nazi-Duitsland. Dat gaat per stam, per volk. Dat ligt allemaal heel anders.

____________________
* Vergangenheitsbewältigung is een samengesteld Duits woord, waarmee de Duitse worsteling wordt aangeduid om in het reine te komen met het verleden.

Terug naar ZELF-ZIJN. Niet meedoen aan het spel 'civilisatie'

Terug naar het begin: ZELF-ZIJN. Terug, want wie het niet lukt zich aan de suggestie van het gedrag der anderen te onttrekken, zich ervan los te maken, die kan die illusie niet als zodanig herkennen. Wie zich niet losmaakt van bijvoorbeeld zijn politieke inspiratie, scholing en opleiding, blijft partijdig binnen de democratie. En voorstander en verdediger van democratie en rechtsstaat. En wie zou willen dat hij de zijde van de vijanden daarvan koos? Niemand van ons zou dat willen, nietwaar? En toch… dat is allemaal oppervlakte.

En niet alleen deze meningen en opinies en wat ze hier te lande ‘attitudes’ noemen in Nedengels vormen een barrière. De taal: de hele woordenschat en de gebruikelijke begrippen (-apparaten en -systemen) overleeft de verlichting die een mens deze attitudes als aangeleerd en ‘aan mij niet van mij’ doet onderkennen. De taal –de begrippenapparatuur – waarmee wie zijn indoctrinatie laat varen, verder moet, is zelf weer een volgende barrière.

Maar demotiveert het bovengemelde inzicht dan niet? Is het geen Wehrkraftzersetzung* wanneer iemand op de onnodigheid van de hele civilisatie wijst, ja, en op het feit dat het onnodige alle kwaad** omvat, en in stand en gang brengt en houdt? De civilisaties bevatten/doen het overgrote deel van het onnodige en van alle kwaad daarin.
‘Beyond’ (boven, achter, onder, doorheen) dictatuur en democratie, op het niveau van civilisatie, is er weer die dwang, die wij zo onvertekend op televisie onderwezen en aangewezen krijgen waar het het Derde Rijk betreft. Lui die openlijk niet geloofden in de gesuggereerde illusies van het Derde Rijk, van de Nazi’s, werden van opzij aangegeven bij de Gestapo of zo. De enthousiaste spelers van lagere rollen, de figuranten, de toeschouwers zelfs, wilden geen afstandelijke houding zien, geen ongeloof, laat staan verzet.
Het brengt geen wezenlijk verschil als de massa laaggeplaatsten, gebruikten, figuranten zichzelf toejuicht in plaats van de een of andere elite of vorst. Meedoen is alles en iedereen weet dat het een spelletje is, dat met ORANJE/Euro 2000. En dat met koningshuizen en bekende vaderlanders in de pretpers, de boulevardpers. Dat weet echt iedereen, ook met de mode en met ‘het ideale figuur’? Die hongermeisjes ook? En die roofovervallertjes met hun jeugd en hun wens om ook ‘echte kleren’ te dragen, van die kleren met een merk? Wisten ze ooit dat het maar een spelletje is, onnodigs, en vergaten ze het? Of wisten ze het nooit?
Het illusiespel wordt echt gespeeld. Die spelers en figuranten doen dat daar op toneel echt. Ze doen echt, ‘alsof’.

Niet alles wordt als spel gezien
Die terroristjes op de scholen die het dragen van merkkleding afdwingen, spelen niet. Het onderwijzend personeel kijkt niet, ziet niet, begrijpt niet, benoemt niet, bespreekt niet. Evenmin als de politie en de ouders en de langslopende ‘burgers’. Ze zijn niet en ze spelen geen rol: ze bestaan niet. Ze zien het gebeuren, ze merken het op, ze merkten op voordat ze de andere kant op gingen kijken. Ze kennen het feit: hier gebeurt in de moderne vorm door de moderne aangestelden wat in de middeleeuwen de openbare terechtstellingen waren: hier wordt mores geleerd. En omdat ze geen karakter hebben, dat had men in de 19de eeuw, verwijderen ze zich. Ze KENNEN ze wel, maar WETEN deze feiten niet: ze houden ze onbewust, onverwoord, onbenoemd, onbesproken. Niemand stelt hen er ook een vraag over.
De kinderen die achterop de VPRO-gids schrijven***, zien het ook niet als een spel waar sommigen van vergeten zijn dat het een spel is. Niemand vertelt, zegt, publiceert dat het een spel is, onnodigs, en dat het het kwaad voortbrengt. Het kwaad wordt aangewezen, dat geeft lekkere programma’s en artikelen en alles erachter moet onbesproken en daartoe onbegrepen blijven. Het broodnodige kleine-kinder-gedrag HERHAALDELIJK “WAAROM?” VRAGEN blijft altijd uit. Er mag altijd maar één enkele maal ‘waarom?’ gevraagd worden. Let er maar eens op!

Er is geen ‘buiten’ de civilisatie meer
Aan die mensen is niet zoveel anders voorgeleefd en onderwezen dan aan mij en de lezers van deze tekst. Het toeval conditioneerde ons en hen, zoals Skinner zijn duiven en ratten. Niemand bedoelt wat hij veroorzaakt, er zijn altijd veel meer gevolgen dan doelen en veel streven treft geen doel.

Er is geen script en geen regie in het spel ‘civilisatie’.
Er is dan ook niets heiligs aan.
Er is geen enkele reden om mee te doen.
Ook niet als verzetsstrijder, als melder van ‘s-Keizers naaktheid.

Wat is de boodschap aan een door – of, à la – Skinner afgericht, geconditioneerd dier? In ieder geval niet: “Hou op het kunstje te doen waarvoor je beloond werd en wordt.” Dat leidt alleen maar tot honger en dorst. En de kooi waarin de geciviliseerde gevangen zit, is het gehele aardoppervlak. Er is geen ‘buiten’ de civilisatie meer.
Als ik een beeldend kunstenaar was, maakte ik één rechtopstaande dikke sterke roestvrijstalen prikkeldraad. Dat ‘beeld’ noemde ik dan ‘de grens van de wereld’. Om uit te beelden dat er geen ‘buiten de wereld’ meer is, fysiek. Alles qua oppervlak en qua levensmiddelen in de echte, breedste betekenis, is al eigendom van iemand. De wereld beslaat al alles wat bruikbaar is.

____________________
* Wehrkraftzersetzung, of Zersetzung der Wehrkraft, was een opruiingsdelict in het Duitse militaire recht tijdens het Nazi-Duitse tijdperk van 1938 tot 1945. Met het plegen van een dergelijke delict, waaronder ook dienstweigering viel, riskeerde men de doodstraf.
[Het lijkt erop dat Jaap in deze tekst het weigeren om mee te doen aan “maatschappijtje spelen” vergelijkt met dienstweigering, J.S.]

** Al het boze, al het moreel (en ethisch, is dat iets aparts?, dat weet ik nooit) verwerpelijke. [Voor de leesbaarheid, tot voetnoot gemaakt stukje tekst uit het origineel, J.S.]

*** Achterwerk was van 1976 tot 2016 een rubriek op de achterkant van de VPRO-gids. Deze rubriek bestond uit ingestuurde brieven van kinderen. Deze brieven gingen vaak over persoonlijke problemen die kinderen meemaakten, en vaak vroegen ze om hulp of advies.

Het gekozen ZELF. Wat te doen om JEZELF te ZIJN?

Nodig, in onderscheid van onnodig, dat is het centrale. Vraag: Nodig voor wat?
Antwoord: Nodig voor het gekozen ‘zelf’.

Met dat ‘gekozen’ zit ik in het centrum van dit hele opstel. Als ik probeer te vinden of, en waar, en hoe, ik iets deed dat ‘kiezen’ genoemd zou kunnen worden, vind ik niets. Ik ervaar en zie/begrijp mijzelf als een toevallig met deze begrippen en verhalen ‘beschreven’ “blanco vel” (Locke), door toevallige anderen, vrijwel onbedoeld, planloos en zonder regie geconditioneerd, zoals dat nu eenmaal volgens Skinners natuurwetten daaromtrent gebeurt. Waar (c.q. in wie) deze memen terechtkomen, die in mij zitten, die doet en denkt zo. Er is geen kiezen waar te nemen, daar is alleen sprake van.
Iemand met mijn genen en memen verloopt zoals een uitgebroken brand verloopt. Als zo’n brand geluk heeft, kan hij, door geen brandweer gestoord, lekker uitwoeden. Een brand kan de brandweer niet tegenhouden, kan daartoe geen initiatief nemen. Ik had geluk en hoefde niet te streven naar wat voor mij misschien/wellicht ongeluk zou zijn geweest: opname in een netwerk. Ik hoefde helemaal niet te streven, daartoe dwingende genen of memen schijnen afwezig of recessief. So what? Schande, schuld, noch verdienste, gewoon feit. Als het in de loop van dit opstel komt te gaan over het verschil tussen dingen en mensen, kan IK in ieder geval niet wijzen op initiatief nemen als een mij onderscheidende eigenschap.

Vervorm je niet: pomp je niet op en reduceer (verklein, amputeer) jezelf niet.
Dat was het antwoord op “ZELF-ZIJN, hoe doe je dat?”
En wat heb je dan meer dan een robot-computer?

Oppompen, hoe gaat dat? Dat doe je niet door te doen alsof je kunt, want hetgeen je hanteert, dat speelt niet mee, dat trapt er niet in, dat gelooft je niet.
Nee, oppompen dat gaat door napraten (citeren, wijze spreekwoorden strooien), meepraten (woorden gebruiken die je niet aan een kind, een onwetende, zou kunnen uitleggen, zou kunnen aanwijzen als naam voor – een aanwijsbaar of zo – iets). En dan natuurlijk door door te praten, als je eigen kennis op is, als het (op z’n best!) alleen nog logisch en/of grammaticaal in orde is, wat je zegt. Je pompt je op door te doen alsof de woordenschat van alle Nederlanders ooit en ergens – uit het woordenboek – je in principe – zoiets als ‘in rechte van spreken’ – ter beschikking staat om er met grammatica en logica tekst mee aan te maken.
En je verkleinen, hoe doe je dat? Dat doe je natuurlijk zonder erg, want als aangepaste geciviliseerde wil je alles, behalve kleiner worden dan je ook maar met welk geweld dan ook zou kunnen zijn. Je kleiner maken doe je dan ook door mee te praten met (de technici-dienaren van) je gebruikers, die al spreken over hoe je vervangen kunt worden als denker, nadat ze je als bron van mechanische (spier)kracht en als vaardige en als geheugen vervangen hebben, waar dat maar enigszins winstgevend was.
Hoe gaat dat dan? Het gaat zo: je denkt dat je je oppompt (maar niet met die minachtende, ontluisterende termen) als je gezellig, erbij-horend, ‘op de hoogte’, actueel, na-, mee- en doorpraat. Hoe weinig echte eigen inhoud er zit in wat je zegt, dat blijkt je pas bij nader inzien. Inzien, die bezigheid waar je niet toe komt als je niet toevallig erg veel lege tijd, en twijfel, en/of een onaangename uithaal van een ander, gekregen hebt. Ziekte helpt vaak. En slagen van het noodlot, en van anderen in het maatschappelijk gevecht.

Je denkt dat je je oppompt en in feite verklein je jezelf tot een ding, dat ze – die technische dienaren – binnen afzienbare tijd zullen bouwen.

Een apparaat dat ‘de’ woordenschat met grammatica en logica ‘vermenigvuldigt’ en dan schrijft/spreekt, zoals een rekenmachientje (zakjapannertje) getallen laat zien/ laat horen. En iedereen heeft al kennis gemaakt met zelf-waarnemende apparaten: thermometers en barometers, enzovoorts. Ook die vervangen gewone mensen en melden reeds. Terwijl melden toch een reusachtig belangrijke, centraal menselijke (c.q. animale) functie is.

Worden als een machine door het opgeven van je uniekheid

Subjectiviteit en uniekheid
Je verkleint je, door te worden als een machine, dat hebben velen al in de gaten en dan schrijven ze dat je je menselijke subjectiviteit en uniekheid verliest, en/of opgeeft, en dat dat de fout is. De menselijke geest, voor sommigen is dat een pleonasme, geef je op. Exacter, laat je verkommeren door je txaenz niet daardoorheen te laten stromen.
Maar ziet, er is niets unieks aan het uniek-zijn. Niet voor levende dingen en zelfs niet voor dingen die al enige tijd bestaan hebben. Mijn oude schoenen zijn ook uniek, op mijn computerschijf staat volstrekt iets anders dan op de Uwe. Die uniekerigheid is flut, en ‘subjectiviteit’ betekent vaak niet iets anders dan ‘uniekheid’. Het loven van unieke zaken en lieden komt voort uit de geschiktheid van eenmalige zaken of diensten als rangonderscheidingstekens voor de hoogstgeplaatsten in de maatschappij, de samenleving, de civilisatie, de slavenhouderij. Geen eenmaliger daad dan dood maken, vandaar het offeren van dieren en mensen aan de hoogsten, de goden.
Door het emanciperen krijgt dan iedereen zijn uniekheid als reden voor trots. Massaproductie en emancipatie hangen samen, in de mode.

Lege woorden
O.K., dan die menselijke geest. ‘Geest’ is een woord, er zit geen begrip of verschijnsel of ding ‘aan vast’. Het is nergens de naam van, met het woord duidt de spreker niets aan. Het is één van die vele, vele LEGE woorden, waarvoor gebruiksgewoonten zijn. En, dat is met het gebruiken van zulke woorden “strijk en zet”. De teksten die dit woord ‘geest’ bevatten, brengen in spreker en hoorder GEVOELENS teweeg en maken die gevoelens bewust, vullen met die gevoelens het bewustzijn. ‘Bewustzijn’ wordt hier gebruikt als een naam van een projectiescherm of tekenvel of zo. Het is te vullen en als het ene erop staat, staat het andere er niet op. Dan gaan ze dus praten over ‘bewustzijn’ en ‘geest’ en zo, en dan denken ze dus niet aan iets anders. Dat is het enige waarneembare gebeuren: die lege woorden leiden de aandacht af van andere woorden, die, vastzittend aan verschijnselen, andere gevoelens zouden opwekken (bijvoorbeeld).
Vergelijk Engels: ‘span of attention’.

Gevoelens hebben, emoties, dat is ook een bron van trots voor ze
Zie Startrek, waar in diverse series niet-voelers optreden: de robot Data en de ex-‘Borg’ Seven of Nine. Die niet-voelers moeten tot emotionaliteit worden opgevoed, dat is de boodschap. Op gevoelens heeft ‘men’ geen vat, geen greep. Ze overkomen je. Ze zijn ook niet intersubjectief te krijgen. Elk uiten moet overt zijn en is dus na te spelen, te veinzen. En dat is de bedoeling: de getroffen politici spelen ons hun rouw – om hen totaal vreemden met lage inkomens zelfs – voor, bij elke ramp. De spelers in films en op tonelen doen dat alles ook, voor de kost, maar zonder die poging ons te laten geloven dat ze het menen. Geen speler die de rol van Othello heeft, zal beweren dat hij jaloers IS. Misschien zal er wel ooit iemand zeggen dat hij, al spelend, soms jaloezie voelt. Misschien, ik weet het niet.
Een dominee vertelde mij (ons) ooit dat hij, al prekend, geïnspireerd raakte door ‘de taal van het geloof’ te gebruiken.
Voelen moet, omdat wie voelt intellectueel zwak is en gemakkelijk te bedriegen, te leiden, te gebruiken. En omdat de toonaangevenden de meerderen zijn en willen blijven, is er propaganda voor gevoel. De truc is: maak het volk trots op zijn voelen, zijn emotionaliteit, dan houden ze er aan vast. De televisie-serie ‘Van de schoonheid en de troost’ is een prachtvoorbeeld van het beschreven ‘oppompen’ en van die verering van emotionaliteit.
Denk aan de angst van de opgeblazen ballon voor spelden.

Melden, aanwijzen, kennen

Waar gaat het dan wel over? Hierover: Als ik alleen maar meld, ben ik nooit onzeker ten aanzien van mijn tekst. Waar ik het juiste woord niet voor vind, kan ik aanwijzen. Slechts een gegeven waar ik mijn aandacht bij heb, KEN ik. En alleen wat ik ken, kan ik melden. Alle kennis en elke melding is actueel. Waarschuwen doe je voor een gevaar dat IS. Als ik wil melden, moet ik van kennis informatie maken. Ik moet dat wat ik ken, begrijpen – daartoe moet ik onderscheiden – en het onderscheidene en de relaties daartussen, benoemen.
Woordenschat, grammatica en logica zijn daarbij gereedschap. Maar er is iets, MIJN KENNEN namelijk, dat ik met dat gereedschap bewerk. En dat is nu precies de kern van de zaak: dat kennen.
‘Kennen’ is een werkwoord en werkwoorden worden ook als zelfstandig naamwoord gebruikt in zinnen. Het fietsen is een schone zaak en geeft het mensdom veel vermaak. Als er met een zelfstandig naamwoord gesproken wordt, is er de suggestie van het bestaan van iets, het gebeuren van iets, misschien zelfs van een verschijnsel.
Nu kijken dus! Is ‘kennen’ iets meer dan een suggestie door een werkwoord?

Kijk, die mensen die na-, mee- en doorpraten, die weten natuurlijk best dat ze niet bestand zijn tegen doorvragende kinderen.

Kinderen hoor, ik heb het niet eens over ‘kritische’ taal-, land-, tijd-, soortgenoten.

Machine bespreekt eigen bedrog, niet als bedrog maar als slim gebruik

In ‘Startrek – Voyager’ hebben ze een medisch hologram als arts. Niet eens echt een ding, een programma van een supercomputer. Maar dan kan dat ineens wel dingen hanteren, het heeft de vorm van een mens. Nu ja, allemaal best leuk.
Dat computerprogramma past ‘informatie+vaardigheden’ toe, en meet, en houdt rekening met die meetresultaten bij wat het doet.
In één van de afleveringen voert een collega van ‘hem’ onwaarheid de computer in. Daar gaat het nu even over. Een waarnemend, metend, informatie verwerkend, sprekend ding liegt ineens. Het maakt geen deel meer uit van de betrouwbare, door natuurwetten en hun toepassingen zekere, veilige, bij het rangschikken en heersen niet-meespelende, (artificiële) omgeving der mensen.
Het ding spreekt met zijn mede-hologram, mede-ding over dit bedrog.

Bedrog, dat het niet als bedrog bespreekt.
Maar als slim gebruik ‘brengt’.

Kortom, net een mens. Net een mens, want meta-besprekend. Eigen gedrag als onderwerp van waarnemen, begrijpen en melden. Dat ‘haalt’ het programma dat op een ding lijkt. En dat ding lijkt op een mens.

Wij halen, maar we hebben het er nu over wat dat voorstelt,

  • eigen gedrag als onderwerp van bespreking: in dit opstel bespreek ik wat er aan mij van mij overblijft als ik illusies en automatengedrag ‘aftrek’ van wat ik kan ‘spelen’, ‘tonen’, ‘voorgeven te zijn’.
  • eigen bespreken als onderwerp van bespreken.
  • eigen bespreken van eigen bespreken als onderwerp van bespreking.

 

Even opzij: bedriegen is van levensbelang. Er is mimicry in de natuur. Bijvoorbeeld, A dat gevaar loopt buit/prooi gemaakt te worden, lijkt sprekend op B dat geen gevaar loopt, want oneetbaar is.

  • Bedriegen is ongelijk aan het ene zeggen en het andere bedoelen. Dat is interne verwardheid.
  • Bedriegen is ongelijk aan zich vergissen en ‘te goeder trouw’ de vergissing melden. Dat is gebrek aan zelfkritiek en/of aan kritisch vermogen.
  • Bedriegen is ongelijk aan zonder erg, geheel of gedeeltelijk, een model/theorie/begrippensysteem gebruiken. Zonder die bezigheid als onderwerp van opmerken, waarnemen, begrijpen, bespreken te (kunnen) nemen. Voorbeeld: spreken over iemands drijfveren, zonder helder het spreekbeeld voor het geestesoog te hebben: een mechaniek, een doos met raderen en veren, bijvoorbeeld een mechanische wekker.

De bedrieger kent het feit dat hij onwaarheid in de vorm van een melding giet en de ontvanger van deze melding misleidt, brengt tot wat die ontvanger – bij het kennen van de waarheid – niet zou doen.
Hè, hè, wat praat dat toch moeizaam. Moeilijk te verwoorden en waarschijnlijk dus ook moeilijk te lezen.

Het eigen gedrag, en het eigen bespreken, als mogelijke onderwerpen van bespreking

Wij halen (en we gaan het er nu over hebben wat dat voorstelt):

  1. Eigen gedrag als onderwerp van bespreking.
  2. Eigen bespreken als onderwerp van bespreken.
  3. Eigen bespreken van eigen bespreken als onderwerp van bespreking.

Hoor je ‘wij’, vraag dan meteen: WIE?

Bij 1. Eigen gedrag als onderwerp van bespreking
‘Als onderwerp’, wat bedoel ik daarmee? Ik bedoel daarmee dat het zo-zijn van (wat ik kan waarnemen van) mijn gedrag volledig initieert en bepaalt wat ik zal zeggen, al besprekend. Ik “persoonlijk”, beoordelend, goedpratend, verhullend of wat dan ook, ben NIET in mijn bespreking terug te vinden, want niet aanwezig. Als het anders is, dan betekent dat ‘onderwerp zijn’ niet alles en dus NIETS, want: mensen kunnen liegen.
‘Bespreken’ is hier een stille bezigheid, ‘onder woorden brengen en daartoe begrijpen’. Bespreken in de betekenis van ‘met een ander’, dat kan niet, want die ander is blind voor de binnenkant van het gedrag in kwestie. Met die ander kan ik mijn leugen bespreken als een melding: hij kan het leugenkarakter ervan niet zien. Mijn gedrag is dan niet, bij uitsluiting van mijn persoonlijke verdediging of zo, onderwerp van bespreking. Dit bespreken in stilte is ‘Robinson Crusoe gedrag’. Onvermijdelijk, doordat de mensen kunnen liegen. Onvermijdelijk dus voor iedereen die kan liegen.

Het routineuze en het niet-routineuze spreken
Een gewoon mens zegt, als hij na-, mee- en doorpraat en dat weet, “ik praat ook maar wat weg, prietpraat, tegen de stilte, het moet gezellig blijven”. Kijk, met die gewone mens is niets mis, hij bereikt eenvoudig het niveau 1 van ‘eigen gedrag als onderwerp van bespreking’, omdat dat eigen gedrag in kwestie – hoewel het spreken is – routine is. Het is gedrag waar de betrokkene overheen leeft, niet aan denkt tijdens de uitvoering. Duidelijker, tijdens het uitvoeren kan hij aan iets anders denken, met iets anders bezig zijn. De bezigheid in kwestie neemt niet alle aandacht, niet alle txaenz in beslag. Meestal is praten met de chauffeur tijdens de rit niet echt gevaarlijk.
Dat andere, dat niet-routineuze, dat DOEN, dat de volle txaenz neemt, met name de volle aandacht, daarbij denken we voor het gemak maar aan hetgeen we voor het eerst doen. Een nieuw onderwerp opmerken, bestuderen, analyseren, erin onderscheiden, begrijpen, benoemen, beschrijven, melden, bespreken. Dat, een nieuw onderwerp dat we ontmoeten, voordat we erover hebben horen praten en dus hebben leren praten, komt uiterst zelden voor. Alle gras wordt ons voor de voeten weggemaaid. Bij elk nieuw ding zet zo’n geciviliseerde/koloniserende zijn vlag en wat we ook ooit tegenkomen, er staat al in gekrast: ‘XY was hier’.

Bij 2. Eigen bespreken als onderwerp van bespreken
Mijn eigen gedrag is voor de ander onbereikbaar, voor wat betreft de binnenkant: de alleen maar mij, introspectief, gegeven kant. Daar kan geen kras of vlag op staan. Als ik dus probeer om onder woorden te brengen wat 2. (zie boven) is, voorstelt, dan kan niemand nagaan of ik waarheid spreek, ik heb het over die binnenkant, dat introspectief gegevene. De lezer heeft echter de eigen tegenhanger. Is dat zo? Hoe zeker is dat?

Is de mens vervangbaar? Wat is voor de industrie principieel onvervangbaar?

Even terug naar het kader waarin ik bezig ben: de industrie is bezig de mens na te maken, in stukjes: machines, robots, computers. Het hanteren, het handelen, het opmerken/opsporen, het vergelijken, het onderscheiden, het herkennen, het meten, het berekenen, het benoemen, het melden, het tonen, dat is er allemaal al: in het niet-menselijke, in dingen.
Tegelijkertijd is het uiterste bereikt in het gebruiken van mensen als intelligent, zelfwerkend gereedschap: iedereen dient menig ander. De mensen zijn al vele generaties lang als gebruiksvee, als huisdieren dus, gehouden, door elkaar. Dat klinkt naar, dus: men houdt elkaar in grote liefde, wij hoorden allen de verhalen over die liefde en haar uitingsvormen. Weinig mensen hebben dan ook nog genetisch de ‘wild type’-code. Zoals pluimvee wit wordt en uitgeselecteerd raakt op in de vrije natuur dodelijke kenmerken, zo zijn – maar wij zijn er blind voor! – zeer zeker ook wij, na zoveel generaties niet-natuurlijke selectie, geen wilde (= vrije, natuurgeschikte) dieren meer.

Ik schrijf dit opstel in het kader van de vraag wat er zal gebeuren. Is de mens vervangbaar, in niet-levend gereedschap onder te brengen, stukje voor stukje, functie voor functie, of kan ik nu al een principieel niet vervangbaar ‘iets’ aanwijzen?
Het is te goedkoop te gaan spreken over de ‘geest’ en ‘creativiteit’, want dat zijn geen aanwijsbaarheden. Er is heel veel ‘onvervangbaar menselijks’ benoemd, schijnbaar benoemd, door middel van het invoeren van woorden “als bestaand” gesuggereerd. Zo’n woord als ‘geest’, of ‘ziel’, of ‘scheppen’, compleet met gebruiksgewoonten/gebruiksvoorschriften erbij, dat suggereert dat al die uitspraken ermee ergens over gaan, dat er iets besproken wordt. En dat is vooralsnog mij onbewezen. Omdat het over slechts introspectief gegeven zaken en verschijnselen gaat, moet ik zelf in mijzelf op zoek. En als ik dan niks vind, meld ik niet dat er niks is, maar dat er niks zich meldt in mij, deze grove figuur, dit blijkbaar minderwaardig geworden of gebleven vermenigvuldigingsproduct van genencombinatie en willekeurige greep in de memenpool door opvoeding/onderwijs/opleiding/karakteropbouw/menswording.
Dat feit maakt het bestaan en dus vinden van veel verslagen onwaarschijnlijk. Bekentenisliteratuur leest lekkerder weg en verkoopt dus beter als die over ellende, seks, verwording en geweld gaat.
Wat is er nou spannend aan te lezen dat iemand geen ‘geest’ in zichzelf kon vinden? Niks dus.

Dat is het kader. Wat is er menselijk in mij, onvervangbaar, innerlijk, niet na te bootsen, ECHT. De slaaf werd, de loonslaaf wordt, gereduceerd tot een ding, dat functioneert als een orgaan. Blind, maar deskundig, bijdragend, onvrij, binnen de maatschappij. Die reductie-resultaten, die dingen, worden dan nagemaakt. De rekenmeester werd vervangen door de rekenmachine. De schrijver werd vervangen door de computer die uitschrijft wat hem, het ding, wordt gedicteerd. De dingen vervangen de specialisten. Die waren, en zijn, van mensenmateriaal gemaakte dingen. De krokettenverkoper en de krokettenautomaat. Niet willen verkopen aan een koopkrachtige is verdacht. Discriminatie? Verondersteld wordt dat de verkoper een automaat is en geld oorzaak van zijn ‘bedienen’.
Is het persoonlijke, die vooroordelen die ‘achter’ discrimineren zitten, dat onvervangbaar menselijke? Nee, dat is routinematig, dat is na te bootsen. Men gaat dat bij geldopname-automaten ook doen.
Maar het herkennen van de juistheid van de beschrijving van zichzelf als een bigotte machine, kan men dat een automaat meegeven? ‘Kan’ is de vraag hoor, principieel. Niet, zou men die kosten willen maken?
Zit ik hier bij ‘zelfbewustzijn’? Is het hier niet gewoon zo dat er twee machines aan elkaar gekoppeld zijn: een discriminerende (rekening houdende klanten herkennende) automaat plus een (stationaire, aangebouwde) functies-controleur? Als je dat stel automaten dan als één benoemt, dan heb je een reflexief bewust individu (in feite Siamese Tweeling). Dat schiet dus niet op.
In dit opstel staat het nog niet helder, of er iets en zo ja, wat er in/van de mens onvervangbaar is door de industrie.

Hieronder kunt u een reactie geven op bovenstaande tekst.
Het kan enige tijd duren voordat uw reactie geplaatst wordt.