Jaap Schot, 23 juni 2000

 

[Vanwege de lengte van dit opstel is het hieronder in delen opgesplitst.
De afzonderlijke delen zijn te openen door op het plusteken (+) te klikken, J.S.]

Dood, leven en menselijke schakels

Dood en leven
Over een beperkt aantal jaren ben ik dood en ik zal er niet zijn om dat te betreuren, anderen ook niet. Er is dus geen enkele reden voor mij om mij ergens druk over te maken. Ik eindig namelijk op mijn vel en met mijn dood, zoals iedereen. De suggestie waart rond dat een mens daar geen genoegen mee hoeft te nemen. Velen fantaseren zich dan ook over die grenzen (vel en dood dus) heen: met bindingen en hiernamaals, soms, bij reïncarnatie, zelfs ook een hiervoormaals.
Vrij nieuw zijn ‘parallelle universums/universa’: hiernaasten. Nee, ik bedoel niet, reizen in de tijd.
Leven, daar gaat het – voor mij, zoals voor iedereen – om.
‘Leven’, in de betekenis van, volledig en harmonieus functioneren als organisme: wat te doen – en wel, genoeg te doen – voor ieder orgaan. Geen overbelasting en geen onderbelasting.

Schakels in de evolutie
Het gaat mij niet om idealen en zelfs niet om mij te schakelen in het geheel van het zijnde, in de een of andere ontwikkeling. Een ontwikkeling door het doen en nalaten van wie leven. Zo’n ontwikkeling, die via mensen gaat, is ook een stukje van ‘het grote veranderen’, deftig ‘de evolutie’ genoemd. Dat wil zeggen, ook een stukje daarvan, naast al het mensvrije in ‘de evolutie’. Zo’n schakel is dan een gevolg, dat op zijn beurt weer oorzaak wordt. Een concreet iemand is het vermenigvuldigingsproduct van een willekeurige, toevallig greep – steekproef – uit de voorraad bestaande genen en een dito greep uit de voorraad bestaande memen. Zo’n concreet iemand wordt dan een schakel. Ik ben niet tot genendoorgever geworden en het inspireert mij ook niet om een memendoorgever te worden. Ik heb er ook geen bezwaar tegen en het is waarschijnlijk zelfs al gebeurd, zonder opzet en ongemerkt. Maar ik besef dat er mij geen ‘mij-een-opdrachtgever-daarvoor’ bekend is. Zo’n opdrachtgever wordt door mij niet gekend/waargenomen/ervaren. Ik hoef niets.

Het doorgeven van genen en memen is een gevecht
Het doorgeven van genen en memen – dat zijn zo ongeveer: ideeën, opvattingen, enzovoorts – is een gevecht, volgens de biologen en de gebruikers van hun verhaal als spreekbeeld voor traditie. Respectievelijk een vechtspel van lieden, die ik maar niet kan bewonderen of zelfs maar O.K. kan vinden. Met geen geweld, psychisch geweld, mijzelf aangedaan door mijzelf.
Ik kan het niet bewonderen en het inspireert me niet. Ik ga er ook niet bij staan afkeuren, ook dat hoef ik niet. Ze doen maar.

Doen versus gebeuren

Wat overigens ‘doen’ betreft: waarschijnlijk bestaat er helemaal geen aparte categorie ‘doen’ binnen ‘gebeuren’, waarschijnlijk is die aparte, alleen-staande categorie ‘doen’ slechts een van hun vele opschepperige verzinsels, een van die samenstellende deeltjes van hun grootheidswaan. Elders uitvoeriger: grootheid geclaimd voor de leider van de overwinnaars, geprojecteerd op de God, die allen schiep naar Zijn beeld, dan al emanciperend werd die grootheid aan ieder mens toegeschreven en moesten de dieren gaan meedoen en wel als ‘benedenmenselijken’: de minderen van zelfs de minste der gerangschikte grootheidswaandragers.
Ik deel die waan niet, dus heb ik ook geen reden er iets tegen te doen en ik heb nog niet gezien dat er ooit met succes een beroep tegen die waan werd gedaan op hun waarnemen en op het daaruit te vormen gezond verstand. Er is wat dat betreft overigens wel hoop: in alle stilte is ook ‘het hart’ aan het verdwijnen: alleen de bloedpomp was aan te treffen, vandaar.
Er is niets te doen, er hoeft niets, er kan niets.

Niets, ter zake van ‘het grote gebeuren’ dat de naam is voor het schijfje ‘huidig’ van ‘het grote veranderen’. Al die berichten, die wij ooit ontvingen en ontvangen betreffen een schijfje uit dat grote veranderen. Zonder enige mogelijkheid (mogelijkheid = vaardigheid + gelegenheid) zijn wij, om van dat – ons te grote – geheel dat ‘het gebeuren’ is, de – of zelfs maar, enige – samenhang te zien en wij leven zonder de toekomst en/of het verleden te kennen. Wij kunnen toekomst en verleden niet ‘zien’/waarnemen. Sporen zien en sporen in het geheugen hebben en herinneren, dat zijn geen manieren van waarnemen. En zonder actueel-waarnemen is er geen kennen.

Kennen en het onvermijdelijke bedrog

 

Iets kennen is: het al waarnemend, besprekend en zo mogelijk hanterend als onderwerp hebben. Streng hè. En dat terwijl kennen en weten, informatie en kennis, niet expliciet zo duidelijk als ik hier doe onderscheiden worden. Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal, dat ik op cd-rom kocht, om waar mogelijk ‘mezelf’ – mijn taal-gebruikend brein dus – te kunnen corrigeren.

  1. We hebben bij ons kennen geen volledigheid omtrent het nu, geen verleden en geen toekomst, dus.
  2. Het is wijs zich te beperken tot wat men heeft.
  3. Er blijft weinig over om in de vorm van meldingen te ‘brengen’ aan anderen. Niet-meldingen aan anderen ‘brengen’ in de uitspraakvorm van meldingen, is onwelvoeglijk gedrag.
  4. Vermeldenswaard is slechts dat wat langdurig en/of op vele plaatsen is aan te treffen (= gebeurt).

Zo streng zijn de mensen die ons via de media bereiken niet. Integendeel. Een voorbeeld bij punt 4: Niet de plof in Enschede is volgens mij vermeldenswaard, maar in de tijd voor de plof was vermeldenswaard wat daaraan vooraf ging: het nooit beschreven ‘daar dat opslaan’ en ‘dat zó behandelen van dat spul’ en ‘dat alles zo (overwegend enzovoorts) officieel vergund’. Maar juist het onopvallende voorbereiden en veroorzaken en geheim houden (privacy) nu van wat later ‘nieuws’ zal zijn, dat blijft onvermeld. Wat die anderen die het tot iets gebracht hebben geheim houden, blijft ons (mij) geheim ook als het een bron van gevaar voor ons (mij) is.

De berichten die wij van opzij, van de anderen krijgen, zijn dus uitnodigingen om onbruikbare en waardeloze gedachten aan te maken: napratend, meepratend, tegensprekend, instemmend, enzovoorts. Die uitnodigingen gaan uit van anderen, nu ja, waarschijnlijk is het exacter te zeggen: ‘komen tot ons via anderen’. Kennis nemen van wat er aan informatie uit de media stroomt, maakt mij niet veiliger. Ik word niet gewaarschuwd. Er is natuurlijk die uitzondering: die gif-bevattende aankoop, die ze uit de handel nemen en ‘terug roepen’, er is altijd een uitzondering. Zonder gewicht.
Als ik dat eenmaal begrijp, doorheb, inzie, dan kan ik mij beperken tot het besteden van – mijn aandacht en denkkracht enzovoorts uit – mijn txaenz, aan wat ik zelf waarneem, (= ken).

En mijn hele tekst gaat er nu over, dat ik dan nog BEDROGEN EN GEMANIPULEERD word, en wel ‘langs binnen’.
Door het zo-zijn, het een product van diezelfde anderen zijn, van de taal
– de begrippenapparatuur, de onderscheidingen en denkbeelden en bespreekbeelden en verhalen –die ik gebruik.

Dat is de kern van mijn boodschap. Onzin, het is geen boodschap, het is een inzicht en ik kan het melden of dat melden nalaten. Mijn opstellen zitten vol door mij opgemerkte voorbeelden van dat bedrog. Ik heb zelf aan de meldingen van sommige anderen waarschijnlijk iets gehad, al is het zoals Nijhoff zei: iedereen blijft alles vreemd, behalve wat hij in zichzelf verneemt. Wat je als ‘eigen tekst’ hoort, met je geestesoor, alleen, introspectief, in plaats van het uit te spreken, dat is het wat je ‘verneemt’. Je dient niet aan het spreken te zijn met anderen en niet aan het lezen en niet aan het schrijven voor publicatie. In alle stilte en nadat de recente en vroegere berichten, gesprekken, discussies, debatten en conversaties zijn ‘uitgewoed’. Dan begint het brein tekst af te geven. Bij velen – zo las ik ooit – pas nadat het lange tijd beelden en fantasieën (seksueel, angstig, agressief, wreed, gewelddadig, weldadig, macht betreffend, enzovoorts) en ‘muziek’ en neigingen heeft afgegeven. Als om maar vooral te verhinderen dat er ‘iets te vernemen’ komt.

 

De onmogelijkheid van samenleven

De ons omgevende bijeenlevende mensenmassa is te groot dan dat er samenleven mogelijk zou zijn. Ik, als enkeling, word niet gehoord en niet toegesproken. Onder de miljoenen heeft slechts een verwaarloosbaar klein aantal anderen kennis van mijn bestaan. De ongeadresseerde uitnodigingen tot deelnemen aan het – maatschappelijke, sociale, politieke, enzovoorts – ‘leven’, zijn dus nogal leeg. Ik zie dus af van al deze vormen van ‘vechtend rangschikken’ of ‘vrijwilligerswerk’ (= zich gratis laten gebruiken). Want dat blijken het te zijn, die aanbevolen activiteiten in kwestie.
Ik neem mijn txaenz terug voor mijzelf en ik merk op dat mijn brein werkt met begrippen die veel talrijker zijn dan die welke ik ervaren heb of ervaren kan. Wat ‘moet ik’ met begrippen als ‘de mens’, ‘telepathie’, ‘vaderliefde’ en die duizenden andere die niet naam zijn van enige ervaring van mij? Met logica, grammatica en retorische trucs kan ik er mooie opstellen mee maken, die lezers wat zouden kunnen ‘doen’. Maar logica en grammatica zijn niet alleen maar ‘niet van mij’, maar überhaupt niet privaat of subjectief. En ze kunnen dus – als objectieve technieken, net als de rekenkunde en de algebra en zo – de chips op, de computers in.
Laat schaakcomputers met elkaar schaken, denk ik dan, gebruik als mens je hersens voor iets met een onderwerp, op een manier die – nog of principieel – niet in een computer kan. Functioneer in dat ‘hersens gebruiken’, zoals je functioneert in kijken (ogen gebruiken), luisteren (oren gebruiken), eten, bewegen, slapen, enzovoorts. Functioneer erin zoals een vogel in vliegen en een vis in zwemmen, zoals een kat in vangen en een hert in ‘ontkomen aan de jacht’.
Dit functioneren gaat gepaard met ‘lichtheid’, niet te verwarren met de – volgens sommigen om te troosten optredende, door zelf aangemaakte psychotropen, endorfinen veroorzaakte – lust bij overbelasting. Bij niet functioneren treedt leegheid op en dat besprak ik elders al.

Loze begrippen

Loze begrippen
Als ik dan, nadat ik opgehouden ben naar andermans tekst te luisteren, eindelijk ‘mezelf’ denk te horen, dan blijkt dus dat mijn brein werkt met tweedehands begrippen, een grote verzameling, waarin vele loze begrippen voorkomen. Loze = lege, zoals bij beukennootjes vaak. Die loze begrippen zijn een soort windeieren: het uiterlijk is in orde, maar er zit niets in. Deze begrippen zijn verzinsels, illusies. Of ze zijn als leeggeblazen eieren: ooit werd er iets mee benoemd en/of bedoeld, nu is alleen het woord nog over met wat gebruiksgewoonten.
Grammatica en logica zijn er niet op bedacht deze lege hulzen op te sporen en de gebruikers alleen-daarvan, merken deze bedrieglijke nabootsingen – deze verlokkingsmiddelen – daarmee dan ook niet op. Bijvoorbeeld niet in de debatten en discussies, waar de retoriek gebruikt wordt, waar de taal gebruikt wordt als een tang om de hoorder mee te grijpen, als een touw om de hoorder mee te boeien.

Voorbeelden. Men, dat is vrijwel iedereen en niet slechts menigeen, praat over de nationale staten – bijvoorbeeld, Nederland – en over bedrijven/ondernemingen – bijvoorbeeld, de Shell – alsof die bestonden, zouden bestaan. Iedereen heeft nu exemplaren van die soorten, de USSR en ‘De Gruijter’ en vele anderen, kunnen zien verdwijnen en kent nu dus het feit dat er niets over blijft van zo’n verzinsel, als de mensen ophouden het te gebruiken. Het is duidelijk dat de nog bestaande nationale staten en ondernemingen niet ‘echter’ zijn dan de USSR was, respectievelijk dan de nu-failliete bedrijven waren.
Bijna nog erger is het gesteld met het woord ‘wij’ en het bijbehorende ‘onze: Zonder blikken of blozen praten mensen op televisie over ‘wij’ waarbij dat woord ook de mensen omvat die al dood zijn en de mensen die misschien wel nooit zullen bestaan: de mensen aan het eind van het zojuist begonnen millennium. Dat ‘wij’ is werkelijk een heel erg duidelijk-waanzinnig verzinsel. Ook ‘wij’ zeggen als je jezelf en je gezelschap bedoelt en de taxichauffeur vertelt waar de reis heen gaat, is al heel wat, maar dít is puur waanzin.
Daarnaast zijn er dan nog de goden, als verzinsels in gebruik, bedoel ik. Dat kinderen er moeite mee hebben het geloven in Sinterklaas op te geven, verbaast niet, maar dat volwassenen voortgaan te geloven in ontelbare verzinsels, dat verbaast. Nog meer verbaast, ja verbijstert het, dat ze met en voor die verzinsels zeggen en ‘denken’ te strijden, niet zelden de agressieve daad bij het woord voegend.
Dagelijks worden ze geoefend in, en aangespoord tot, het als bestaand opvatten van zulke verzinsels. Hun brein wordt via de media onophoudelijk van buiten af gevuld met (de namen van) sportverenigingen – hier te lande met name voetbalverenigingen – , en (de namen van) de deze sponsorende, reclame makende bedrijven. Alle afstand nemen en alle herkennen als verzinsels blijven uit. Partijdigheid geldt daar als onvermijdelijke deugd.
Al die loze begrippen moest ik nog expliciet buiten gebruik stellen. Exacter, ik moest mijn brein nog ertoe brengen ze buiten gebruik te houden c.q. te stellen.
Het was in mijn geval geen enorme bekering. Integendeel, de keuze ten aanzien van taalgebruik had ik al gemaakt voor ‘het onderwerp beschrijven’ en tegen ‘de hoorder bewegen’. Ik vermoed dat de beweegreden voor die keuze was: mijn verlegenheid.

Ik kende en herkende de vreemdheid en leegte van zeer vele begrippen al: op school en in de boeken worden de woorden aangetroffen en zelfs bij navraag blijven veel begrippen uit en bij veel begrippen blijft het allemaal in het verbale steken en komen er geen waarnemingen en ervaringen bij. De woorden leer je in een goede zin te gebruiken en op zulke zinnen op de juiste tijden uitgesproken word je beoordeeld (gekeurd, goed of af).
Daarnaast, naast het uitmesten van de reeds thuis en in het onderwijs opgedane ‘woordenschat’/’begrippenvoorraad’, dienden de nieuwe ‘aanstormende’ begrippen getoetst te worden: loos of niet.
Dat ‘ik’, dat dat allemaal doen moest, is ook ‘als begrip’ moeilijk aanwijsbaar, slechts bij wijze van spreken bestaand, het is een loos woord, een woord dat van geen waarneembaar iets de naam is. Maar om enigszins verstaanbaar te spreken moet het zo gezegd worden, moet dat ‘ik’ gebruikt worden.

Taal als instrument voor propaganda en psychoblubber

Taal als instrument voor propaganda en psychoblubber
‘Over een beperkt aantal jaren ben ik dood’, zo begint dit opstel. Dat slaat ook nergens op, als ik er ben is de dood er niet, als de dood er is, ben ik er niet. ‘Ik ben dood’, ‘hij is dood’ of ‘ik zal dood zijn’, dat zijn geen volzinnen, dat zijn taalfouten, waarvoor de grammatica niet corrigeert en die dan ook vertrouwd klinken, aan te horen zijn. En dus o.k.

Zo moet ik sommige ‘waarheden als koeien’ ook herhaaldelijk uitdrukkelijk stellen als tegenwicht, omdat de onwaarheid voortdurend onuitgesproken geïmpliceerd wordt door normale taalgebruikers. Zo moet ik bijvoorbeeld telkens weer uitschrijven dat er geen vergrotende en/of overtreffende trap van ‘voorbij’ gevormd en gevonden kan worden. De dag van gisteren is niet minder voorbij dan de grote klap waarmee het heelal begon. Alle voorbij-zijn is definitief en betekent: geen oorzaak meer zijn, onschadelijk zijn, onbestrijdbaar – en onvatbaar-zijn ook. Als er iets niets is, dan dat wat voorbij is. Alle verleden is totaal verleden.
De overwinnaars echter willen dat hun overwinning beschouwd wordt als een duurzaam iets, als een ononderbroken oorzaak, met name van hun superioriteit. Als dat lukt, dan hoeft niet ononderbroken gewaakt te worden, dan blijft de uitdaging uit en hoeft er niet ononderbroken en herhaaldelijk verdedigd te worden tegen opstandelingen. En dat is de reden waarom de mensen ten aanzien van het verleden verward dienen te worden en te blijven; dat verwarren is een kern-opgave aan de propaganda voor de civilisatie.

Wiskunde en de juristentaal zijn geheimtalen. Ook de – onze – medicijnmannen kunnen er wat van, al kunnen zij nog iets aanvoeren van een wereldtaal. Doel met, niet van die geheimtalen is altijd ook het zich bevoorrechten, macht grijpen. De illusie-begrippen van rechtenmensen en theologen – ‘schuld’ is één mooi voorbeeld, ‘recht’ een ander, naast goden en staten – zijn net als de rangen en standen alleen in gebruik om het gebruiken van sommige mensen door andere mensen met tekst te begeleiden. Het is hen gelukt vele gebruikten blind te maken en te houden voor het centrale van ‘de – onze – civilisatie-samenleving’: geweld plegen en dreigen daarmee. Het is zelfs gelukt om het geweld plegen – en dwingen met de daarmee aangemaakte angst, schuwheid, timiditeit, neiging tot gehoorzamen – door de gebruikten zelf jegens elkaar te laten doen, in plaats van door de gebruikers, de politie en het leger.

Wij zijn in dit land niet bang voor de politie en voor de overheid.
Wij zijn bang voor geweld in huis en op straat en voor afkeuring of zelfs maar negatie door onze gelijken (qua rang).

Op school wordt er door de mede-leerlingen gepest en onder druk-om-zich-te-voegen gezet, op het werk wordt door collega’s ‘gemobt’, in de gezinnen wordt door de kinderen onderling ruzie gemaakt en door de ouders/opvoeders ‘rechter in de vorige eeuw’-tje gespeeld, tegen de verlichte vrijheid en verdraagzaamheid en kinderrechten en zo voorts in. Hoe zou het toch komen dat – nu er (het is komkommertijd voor wat betreft voor ons ter zake doende internationale spanningen en economische nood) aandacht gericht wordt op ‘pesten’ en ‘mobbing’ – meteen gezegd wordt dat de daders daarvan hulp nodig hebben? Aandoenlijk werken de daders van de meest gruwelijke misdaden als we hen op televisie hun ‘helpers’ horen napraten en ons, die zij bedreigen, naar de mond praten.
‘Nooit mag’, zo vertellen ons onze juristen, ‘iemand veroordeeld worden voor zijn intenties, die hij niet heeft uitgevoerd’. ‘Wel moet’, zo verzekeren zij ons impliciet, ‘de gevangen misdadiger in vrijheid gesteld en een tweede kans krijgen op basis van wat hij zegt te doen: spijt hebben, nu inzien, enzovoorts’ Het spijt hebben hoeft niet in werken voor de geschade ander(en) te worden gedaan om de passende reactie van de juristen (een nieuwe kans geven) uit te lokken. Veroordelen (gevangen zetten) op een afgedwongen bekentenis: fout. Vrijlaten op geveinsde, minstens niet in handelen bewezen spijt: goed, bewijs van ‘beschaving’.
De verantwoordelijkheid voor het feit dat ik dit soort praatjes nu al 30 volle jaren bewust heb moeten aantreffen en opmerken, ligt niet alleen bij de sprekers en niet alleen bij de interviewers die geen weerwoord geven, die verantwoordelijkheid ligt bij de hele (voltallige) leiding van de aangepaste massa: bij de gezamenlijkheid van diegenen die het ‘tot iets gebracht hebben in de maatschappij/de samenleving’.
Op basis van zulke praatjes – hele verzamelingen zijn daarvan binnen een maand van de televisie te plukken – heb ik mijzelf vrij gegeven van elk luisteren naar andermans teksten. En dat niet alleen: ik heb mezelf vrij gegeven van het gebruik van zulke woorden als ‘spijt’, ‘bedoelen’ en al die andere met behulp waarvan de civilisatie de ingezetenen (ook mij, aanvankelijk) heeft gevuld met een geestesleven, een gevoelsleven, een ziel, een identiteit, een ik, een ego en al die andere psychoblubber, die ertoe dient de betrokkenen te verwarren en hun aandacht af te leiden van wat ze kennen naar wat ze aan informatie binnen krijgen, dat is: wat ze horen, wat ze lezen, wat ze op televisie (op film) zien.

De tijd van zelf wetenschap beoefenen is voorbij

De tijd van zelf wetenschap beoefenen is voorbij
We zijn ten aanzien van de grenzen en inhouden van de wetenschap terug in de situatie van de gelovige die de openbaringen hoorde, die een ander had. Ook wat wij aan beeldmateriaal te zien krijgen is voor geen millimeter meer te vertrouwen. Alle beelden kunnen gedigitaliseerd en daarna gemanipuleerd zijn en pas daarna ons getoond.
“Wat zie ik?” Ik zie dat dit beeld op mijn beeldscherm verschijnt: mijn televisieontvanger is en wordt geen verrekijker. Zo min als de berichten meldingen zijn of meldingen ooit waarnemingen worden. Alle informatie is en blijft informatie, dat wil zeggen: ongekends. Ongekends is het tegendeel van kennis. Mijn kennis is dat wat ik hier nu aan het waarnemen ben. Al het andere dat daarop lijkt, is informatie (of fantasie, dat is: bedenksel van iets onmogelijks).
Men zegt dat ‘kennen’ een voorwetenschappelijk woord/begrip is, dat er eigenlijk slechts besproken kan worden dat er stoffen worden aangemaakt, opgeborgen, gereactiveerd en gereproduceerd, enzovoorts in de hersenen. Men zegt dat in ‘het verdedigingssysteem’ van ons lijf tegen gifstoffen en microben de lever een centrale rol speelt en dat ‘immuun-worden’ zoiets is als ‘leren kennen en daardoor in staat geraken tot herkennen, door herinnerbaar-hebben in reactiveerbare stoffen. Zoiets. ‘Leren met je lever’ dus. Geheel onbewust, net als in je hersens, maar dan ook nog eens niet met behulp van een taal ‘bewust te maken’, wat niet zoveel anders wil zeggen dan: ‘als bericht te formuleren’, ‘klaar te maken om te melden’.
Door een taal te hebben – dat is in dit specifieke geval, samen te hebben – kunnen wij melden. Zonder taal kunnen we slechts uiten: interpreteerbaar, maar niet verstaanbaar. Mijn kreet van schrik is voor jou een waarschuwing. Geen taal: geen verstaan: geen verstand: niet dat soort bewustzijn. Überhaupt wel bewustzijn?, zonder taal. Ja, dromen. Hebben we zonder taal een geheugen, voor bijvoorbeeld pijn en narigheid? Ik niet. Herkenning wel, maar zonder telkens weer erover vertellen, maakt niets deel uit van de gezamenlijke geschiedenis en/of van de private, eenpersoons eigen geschiedenis.
Ik vergeet weer, omdat ik zo ben, de visuele herinneringen en de nachtmerries en de dagmerries natuurlijk. Vernietigt het bespreken het beeld? Geen idee hoor.

Valse meldingen
Als (c.q.: nu) ik niet meer zeker kan zijn dat berichten meldingen zijn, met name waarschuwingen, voor mij in mijn situatie, kan ik gevoeglijk het luisteren nalaten. Overigens kunnen anderen ook mij niet vertrouwen, ze hebben daar evenmin een grond/reden voor als om mij te wantrouwen. Er is gewoon geen kennen – van elkaar, berichtgever en ontvanger – meer dat basis is van zulk geloven of betwijfelen van andermans tekst. De groep, de taalgemeenschap in dit geval, is te groot geworden. De taal kan zovelen niet aan elkaar binden, ze kunnen elkaar niet meer helpen door te melden. Dat wij onbekende anderen, ons-vreemden, de taal ook horen gebruiken, heeft de taal vernietigd, gecorrumpeerd, ondermijnd: heeft de woord-begrip-combinaties/tekst-betekenis-verbanden onzeker gemaakt. Vaak wordt die onzekerheid met opzet geschapen, dat wordt gedaan in het kader van het grote vechten om voorrechten: het rangschikken.

LET WEL: het in het bovenstaande beschreven ‘uitstappen’ betreft niet het gehele leven, ik bedoel: niet alle gedrag.
We zijn en blijven gevangenen.

Wij werden geboren binnen een nationale staat minstens en niet zelden ook binnen een kerk. Er was geen tijd te verliezen om ons als nieuwe medeburger, respectievelijk kerklid te registreren. Het is van belang een paspoort te hebben, geregistreerd te staan, een persoon te zijn, nummers te hebben, ergens bij te horen, want: de mensen leven/wonen nu eenmaal in elkaar bedreigende, bestrijdende en berovende verbanden/groepen, in IETSen. Voor wie een beeld wil: die IETSen vertonen veel overeenkomsten met piratenschepen.
Groepjes en enkelingen die niet binnen menig IETS leven – wilden en verwilderden, statenlozen, vluchtelingen, werklozen, ongebruikten, alleenstaanden, eenzamen, zwervers, enzovoorts – zijn er vaak niet best aan toe, hun leven is niet zo veilig, ze zijn als ongewapende burgers (non-combattanten) tussen infanteristen en tanks in een veldslag. Ze zijn vrijwel nooit welkom in een IETS: “vreemden, je weet maar nooit”.
Het leven buiten de IETSen is zo gevaarlijk dat iedereen wel in een IETS ‘wil’ leven: niet los, niet buiten, niet in het wild: niet als wilde. Soms willen sommigen liever in een IETS gaan leven, dat rijke buit binnenhaalt, dan in het eigen oorspronkelijke, weinig succesvolle of zelf pas beroofde IETS.
Ze komen in dat nieuwe IETS als aangepaste, als geciviliseerde, als beschaafde, als ijverige tussen de andere ingezetenen. Hetzij in concurrentie met hen volgens de regels van de gebruikers, hetzij in competitie met hen volgens de regels voor de gebruikten.

Hieronder kunt u een reactie geven op bovenstaande tekst.
Het kan enige tijd duren voordat uw reactie geplaatst wordt.