Jaap Schot, 13 augustus 1992
Er zijn drie grootheden in het onderwerp dat ik hier in dit opstel uit de werkelijkheid snijd:
‑ de meerdere
‑ de mindere en
‑ de niet‑meespelende omgeving.
Ik laat hier dus buiten beschouwing de meespelende sociale omgeving, de anderen, die geciviliseerde omstanders zijn en daarom de meerdere zijn gang laten gaan bij het zich aanschaffen van een mindere.
De meerdere speelt met reeds aanwezige, bestaande, ooit ergens door iemand anders verzonnen regels voor het gedrag van minderen.
Zo leven spelers, het spel werd door hen aangetroffen en blijft na hun dood voortbestaan. Het spel is niet van hen, zij zijn slechts de bemanning van het spel.
Spelen is: onnodigs, overbodigs doen, teneinde de tijd te doden, de verveling te verdrijven, die ontstaan is doordat in het nodige door anderen wordt voorzien. Spelen is de bezigheid die mensen die als parasieten op andere mensen leven kenmerkt. De mens is evenals vele andere dieren geschapen met de ingebouwde noodzaak actief (zelf) te voorzien in wat nodig is voor zijn leven en welzijn, daarbij omgaand met zijn omgeving (= wat hem omgeeft). Zodra, zolang en inzoverre er door anderen voor hem gezorgd wordt, ‑ zonder dat hij er een even zware (ook voldoende inspanning, txaenzbesteding eisende) tegenprestatie in ruil voor moet leveren ‑, komt hij bezigheden tekort. En dan gaat hij spelen, onnodigs doen, om iets te doen te hebben. Hier tegenwoordig gaat hij onnodigs voor hem laten doen, voetballen, boksen, toppresteren op toneel, bijvoorbeeld. En daar gaat hij dan naar zitten kijken en hij probeert zich erbij op te winden.
De kern van alle spelen is het WILLEN. Het willen van iets onnodigs, ter vervanging van hetgeen voor eigen leven en welzijn in je als nodig kan worden waargenomen. In dat nodige is (wordt) immers reeds, door anderen of zonder voldoende txaenz kostende moeite door jezelf voorzien, voordat het spelen gaat optreden.
Pas als in de vuur van het spel de gedachten alle bij het gebeuren in het spel zijn en bij de eigen positie daarin zijn, komt het tot verwaarlozing van het nodige, tot het niet meer opmerken en bevredigen daarvan, het voldoende voorzien daarin.
"Wil iets", zo beveelt de meerdere de ander die hij zich als mindere aanschaft (een kind bijvoorbeeld), "dan zal ik je verbieden het te doen". Dat bevelen doet hij natuurlijk niet met evenzovele woorden, zoals ik het hier uitschrijf. Hij zou de gekte van zijn bezigzijn dan zelf moeilijk onopgemerkt kunnen houden.
Als het kind niets wil dat verboden is, dan kan de meerdere een bevel geven. Dat kan het kind dan weigeren uit te voeren en ook dan kan het spel gespeeld worden.
Dat spel bestaat uit het mishandelen van de mindere, die die mishandeling als 'straf', als in het spel terecht plaatsvindende handeling (c.q. omgang / bejegening) moet aanvaarden. Half aanvaarden, aanvaarden in die zin dat hij, de mindere zich niet verzet tegen het gedrag van de meerdere, maar er wel op gaat azen het op zijn beurt te gaan vertonen tegenover zijn eigen minderen. Het straffen wordt als iets van het spel gezien, dat doorgegeven wordt naar omlaag in het algemeen en naar kinderen, de nieuwe generaties, in het bijzonder. Speler worden zij die DOORGANKELIJK zijn voor dat mishandelen‑in‑spel, voor die 'straf'.
De zondaar ontstaat doordat het kind ertoe gedwongen / gedrongen wordt,
‑ om iets te willen en/of
‑ om iets te doen wat het niet wil en/of ‑ om zijn nietwillen te verbergen.
ZITTEN is een schoolvoorbeeld van iets wat een kind niet wil, wat een vrij mens niet wil. 'niet wil' is bij nader toezien niet de juiste beschrijving: het kind heeft het tegendeel, bewegen dus, nodig, als het niet moe is (en herkent dat nodig‑zijn dan ook in zichzelf.
====////====tot hier250992
Bij het kind dat geciviliseerd wordt, wordt het verteld wat het te willen heeft en waarvan het een afkeer moet hebben. Er ligt een blauwdruk klaar van 'de mens zoals die behoort te zijn: behoort te voelen, te willen, te denken en te handelen.
Het feitelijk plaatsvindende proces bij het opgevoed‑worden is te beschrijven in de termen van Skinner. Er is loon en er is straf, er ontstaan gewoonten die gereedschap zijn om aan dingen te komen en er ontstaat angst, bedreigbaarheid en vermijdingsgedrag.
Ieder mens kan altijd bedrogen worden: door anderen met een aan die mens nog onbekende bedriegtruc en door anderen die deze mens heel goed kennen en gebruik maken van wat hij als vanzelfsprekend en zeker heeft leren aannemen.
Wil en onwil betreffen een aanwijsbaar iets.
Het is heel erg tegen ieders meug bevolen te worden.
Kinderen willen van nature ook doen (= : doen wat ze de ouderen, anderen, zien doen) en ze willen daarnaast, eveneens meedoen en helpen. Kijk maar, waar je daartoe de gelegenheid hebt.
Het commanderen, het bevelen en verbieden, jegens kinderen betreft dan ook meestal dingen die zij alleen moeten doen resp. nalaten, alleen, dat is: in tegenstelling tot (in samenwerking) met de bevelende ouderen.
Als je 'zonde' definieert als ongehoorzaamheid dan is het alsof er een neiging tot zondigen zit waar slechts de tegenzin om bevolen te worden tevoorschijn komt.
Het verbod wordt niet zelden reeds gegeven lang voordat de potentiele zondaar ook maar op het idee gekomen was deze zonde te begaan. Dat is dan behoorlijk beledigend voor het kind in kwestie. Onbehoorlijk beledigend.
Beledigen door wantrouwen.
Willen moet volstrekt worden onderscheiden van nietwillen.
Het niet willen doen als gehoorzamen betekent iets anders dan het niet willen doen omdat je er tegenzin bij voelt.
Zin is niet: geen tegenzin.
Het is heel naar te moeten kiezen zonder criteria te hebben.
Het is zelfbedrog te denken dat je een of ander streven wilt.
Achter elk streven ligt weer een doel of het streven is puur een ( aangeleerde of instinctief gegeven ) gewoonte.
Als een gewoonte aangeleerd is, is er geen reden om deze gewoonte tot iets van jou te verklaren. Het iets (de situatie, de omstandigheden) of de iemand die jou deze gewoonte aanleerde komen veelmeer in aanmerking als bezitter, veroorzaker, drager van die gewoonte. als zij niet sterker geweest waren toen daar dan jij toen daar hadden ze jou er dan toe gebracht deze gewoonte aan te leren?
Als een gewoonte instinctief, van nature gegeven is, dan is er zeker ook geen reden om deze gewoonte tot iets van jou te verklaren. Tot iets van jou verklaren is namelijk: je ervoor te loven of te laken verklaren.
Dat wat betreft gewoonten.
Met 'doelen' bedoel ik nagestreefd onnodigs. Het komt me puur verwarrend voor als we ook wat nodig is tot een doel verklaren. Ik heb tot doel te ademen. Dat is toch pure onzin. Het is mijn doel gezond te blijven. Dat is ook volstrekt onnodige tekst. Dat is misbruik van het woord 'doel'.
Doelen die niet nagestreefd worden bestaan niet. Doelen die nagestreefd worden zijn gedachte dingen, verzinsels, waarmee de strever zich een beweegreden voor zijn gedoe verschaft en zodoende in zijn hoofd een orde schept. Bij anderen is dat voor iedereen duidelijk te zien. Die anderen kan dan ook iedereen aanraden dat voor zichzelf ook eens in te zien. Die raad is om psychische redenen niet op te volgen zolang er nog met schuld, schaamte, verdienste en trots gewerkt wordt, zolang er nog straf en beloning bestaan. Die bestaan niet alleen in de gedachten van de aangesprokene die die raad niet opvolgt, maar ook in de gedachten van de raadgever en, wat belangrijker is: die bestaan ook bij ontelbare anderen die in de gelegenheid en bereid zijn om de beide genoemden veel aan te doen, positiefs en negatiefs.
Alleen met onbetrokken waarnemend onderzoeken kunnen we ontelbare voorbeelden vinden van doelen die mensen hebben laten vallen. En wat waren dan de veranderingen in de omstandigheden (inclusief omstanders) die (even) voor het laten vallen van het doel optraden?
Iedereen die wel eens ingrijpend van omgeving (inclusief omstanders) is veranderd, kan van zichzelf voorbeelden vinden van doelen die hij heeft laten vallen. En van doelen die hij zich nieuw of opnieuw heeft gesteld.
Men (= menigeen) heeft een hekel aan het nadenken over zijn eigen doelen. Dat is begrijpelijk, want het nadenken daarover levert geen enkele lol op. Geen lol en geen voordeel. Wie onnodigs als zodanig, als onnodig herkent en erkent, houdt alleen het nodige over. Onnodigs is poeha.
Maar wie in de civilisatie in een welvaartstaat leeft, leeft niet zelden comfortabel, maar uiterst vervelend, saai.
Als (dwang)arbeid deel uitmaakt van zijn lot, dan nog schaft hij zich opvattingen, vrouw, kinderen en voor hem te dure statussymbolen aan om toch maar niet zonder beweegredenen te komen te zitten.
Van nature bestaat iedereen, maar binnen de civilisatie geldt het natuurlijke bestaan niet, het telt niet mee.
Binnen de civilisatie geldt:
Wie beweegredenen heeft bestaat. Wie aangesproken wordt, al is het maar door schuldeisers, bestaat. Hij bestaat voor hen. Om voor die andere spelers te bestaan moet je iets willen, moet je je doelen stellen en die niet bereiken. Zodra je je aankoop betaald hebt, besta je niet meer voor die anderen die jouw schuldeisers waren. Je betekent niets meer voor hen. Als je iets kocht wat niemand verder ziet of wat niemand, het ziende, jou benijdt, veroorzaakt het gekochte geen betekenis van jou voor enig ander; het gekochte veroorzaakt verder niet dat jij bestaat, voortbestaat voor de andere spelers/ strevers/ doelgerichten.
==//==
Wat ik in de schrijfsels van de laatste tijd (na de vakantie) probeer duidelijk te maken is: dat de persoonlijkheid, het ik, bouwsteen van en voor het streefspel van de civilisatie is.
==//==

0 Reacties