Het blijft te allen tijde een menselijk ideaal, in ere te strijden voor een zaak die goed is. Dit ideaal wordt in de ruwe werkelijkheid van aanvang af geschonden. De wil om te overwinnen is steeds sterker dan de door het eergevoel opgelegde zelfbeperking. De menselijke beschaving moge grenzen stellen aan het geweld, waartoe de gemeenschappen zich gedrongen voelen, de noodzaak om te winnen beheerst de strijdende zo sterk, dat de menselijke boosheid telkens weer vrij spel krijgt, en zich alles veroorlooft, wat het vernuft uitdenken kan.
Aldus Johan Huizinga (1872-1945) in zijn boek "Homo Ludens; proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur". Hij schreef onder meer dat “de krijg als edel spel van eer” was overgegaan in een “moderne, geheel ontmenselijkte oorlogvoering”. Merk op, dat hij dit schreef in 1938, dus vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Uiteraard kon Huizinga niet bevroeden hoeveel erger de werkelijkheid zou worden, in vergelijking met zijn toenmalige bespiegelingen.
Overigens is het niet zo dat er helemaal geen (spel)regels waren aangaande oorlogvoering. De eerste drie Geneefse conventies waren immers al ondertekend. De Vierde Geneefse Conventie stamt uit 1949 – dus, ná W.O. II – en betreft specifiek de bescherming van burgers in oorlogstijd.
Zowel “Spel en krijg” (hoofdstuk 5 uit “Homo Ludens”) als het essay “Wereldoorlogen en het afgebladderde vernis” van Jaap Schot – geboren in 1938, het jaar dat "Homo Ludens" gepubliceerd werd – gaan over de verruwing van oorlogvoering. Meer specifiek behandelen beide teksten hoe oorlog steeds 'onspeelser' werd.
Volgens Huizinga kwam met “de theorie van de totale krijg” een einde aan “de spelfunctie van de oorlog”. Als begin van wat we tegenwoordig “totale oorlog” noemen (volgens Wikipedia, ”een oorlog waarin niet uitsluitend de legers, maar de gehele maatschappij meevecht”), wordt doorgaans de Eerste Wereldoorlog gedacht.
Hoe gestreden werd, vóór 'De Grote Oorlog'
Volgens Jaap liepen de soldaten vóór de Eerste Wereldoorlog nog rond in fraaie uniformen. Dat duidt eveneens op bovengenoemde spelfunctie. Maar, omdat in W.O. I de mitrailleur op grote schaal werd ingevoerd, "verwerd dit vertoon om te intimideren, tot het zich als schietschijf opstellen".
Jaap's verwijzing naar “eer, deugd en ridderlijkheid” binnen “ondemocratische, feodale gemeenschappen”, duidt eveneens op het ooit aanwezige spelelement.
Huizinga geeft enkele fraaie voorbeelden van oorlogvoering in de feodale tijden van weleer, zowel in Europa als in China en Japan.
Oorlog was toen nog een ‘wedkamp’. In zijn boek gebruikt hij het Oudgriekse woord agon (strijd, wedstrijd of rivaliteit), en gaat uit van de overtuiging dat “de agon in zich steeds spelkarakter draagt”.
Bij hem lezen we ook dat vóór de ‘totale krijg’ de oorlogstoestand uitdrukkelijk onderscheiden werd van zowel de vredestijd als misdadig geweld.
Men kan zich, in alle ernst, afvragen in hoeverre diverse oorlogen van dit moment in laatstgenoemde categorie thuishoren. Is wat de Russen doen met Oekraïne, wat de Israëli's doen met Gaza, iets anders dan misdadig geweld?
Oorlog en vrede; of, Oorlog en oorlog?
In tegenstelling tot het uitdrukkelijk onderscheid tussen oorlog, vrede en misdadig geweld, schrijft Jaap dat oorlog en ‘vrede-in-civilisatie’ aan elkaar gelijk zijn: beide noemt hij roofmoord.
Sterker nog, hij herhaalt dat 'wij' in onze democratie verkeren in een staat van onophoudelijke burgeroorlog.
Wat roofmoord betreft: volgens Huizinga zijn rooftochten en uitmoording niet-agonale vormen van vechten. Dat betekent dat ze niets van doen hebben met een wedkamp, en dus ook geen spelkarakter in zich dragen.
Wellicht retorisch, maar toch, zijn hedendaagse leiders als Poetin, Netanyahu, maar ook Trump, aan iets anders bezig dan aan een 'permanente roofmoordtocht'?
Schietschijven en loopgraven
De “totale oorlog” nam een aanvang met de Eerste Wereldoorlog.
De Tweede Wereldoorlog, zo schreef Jaap, hief het onderscheid op tussen burgers en militairen “voor wat betreft de bruikbaarheid als schietschijf”.
Onvermeld laat hij dat W.O. I vooral een ‘loopgravenoorlog’ was. Zodoende waren het hoofdzakelijk soldaten die sneuvelden.
Je kunt je afvragen in hoeverre de loopgraven, als plaats van handeling in ‘De Grote Oorlog’, nog enigszins gezien kunnen worden als een arena, een afgebakend strijdperk. Zou zó beschouwd, nog enigszins sprake kunnen zijn van een agonaal element?
Waarschijnlijk niet. Aannemelijk lijkt dat loopgraven niet vanwege een wederzijdse afspraak op het strijdtoneel verschijnen. In W.O. I net zo min als in andere oorlogen. Denk ook aan de loopgraven in Oekraïne vandaag de dag.
Al met al...
had Huizinga maar wat gelijk met "De wil om te overwinnen is steeds sterker dan de door het eergevoel opgelegde zelfbeperking", en zijn bewering dat "de menselijke boosheid telkens weer vrij spel krijgt, en zich alles veroorlooft, wat het vernuft uitdenken kan".
Ondanks het, vooral ná W.O. II, vaak gehoorde "(dit) nooit meer" (Dresden, Hiroshima, Auschwitz), kunnen we gerust stellen dat 'Never again' een holle frase is (Aleppo, Srebrenica, Gaza).
Om het met de woorden van zijn zoon te zeggen: "Zo schreed de beschaving voort"
*
.
Het blijft te allen tijde een menselijk ideaal, in ere te strijden voor een zaak die goed is. Dit ideaal wordt in de ruwe werkelijkheid van aanvang af geschonden. De wil om te overwinnen is steeds sterker dan de door het eergevoel opgelegde zelfbeperking. De menselijke beschaving moge grenzen stellen aan het geweld, waartoe de gemeenschappen zich gedrongen voelen, de noodzaak om te winnen beheerst de strijdende zo sterk, dat de menselijke boosheid telkens weer vrij spel krijgt, en zich alles veroorlooft, wat het vernuft uitdenken kan.
Aldus Johan Huizinga (1872-1945) in zijn boek "Homo Ludens; proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur". Hij schreef onder meer dat “de krijg als edel spel van eer” was overgegaan in een “moderne, geheel ontmenselijkte oorlogvoering”. Merk op, dat hij dit schreef in 1938, dus vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Uiteraard kon Huizinga niet bevroeden hoeveel erger de werkelijkheid zou worden, in vergelijking met zijn toenmalige bespiegelingen.
Overigens is het niet zo dat er helemaal geen (spel)regels waren aangaande oorlogvoering. De eerste drie Geneefse conventies waren immers al ondertekend. De Vierde Geneefse Conventie stamt uit 1949 – dus, ná W.O. II – en betreft specifiek de bescherming van burgers in oorlogstijd.
Zowel “Spel en krijg” (hoofdstuk 5 uit “Homo Ludens”) als het essay “Wereldoorlogen en het afgebladderde vernis” van Jaap Schot – geboren in 1938, het jaar dat "Homo Ludens" gepubliceerd werd – gaan over de verruwing van oorlogvoering. Meer specifiek behandelen beide teksten hoe oorlog steeds 'onspeelser' werd.
Volgens Huizinga kwam met “de theorie van de totale krijg” een einde aan “de spelfunctie van de oorlog”. Als begin van wat we tegenwoordig “totale oorlog” noemen (volgens Wikipedia, ”een oorlog waarin niet uitsluitend de legers, maar de gehele maatschappij meevecht”), wordt doorgaans de Eerste Wereldoorlog gedacht.
Hoe gestreden werd, vóór 'De Grote Oorlog'
Volgens Jaap liepen de soldaten vóór de Eerste Wereldoorlog nog rond in fraaie uniformen. Dat duidt eveneens op bovengenoemde spelfunctie. Maar, omdat in W.O. I de mitrailleur op grote schaal werd ingevoerd, "verwerd dit vertoon om te intimideren, tot het zich als schietschijf opstellen".
Jaap's verwijzing naar “eer, deugd en ridderlijkheid” binnen “ondemocratische, feodale gemeenschappen”, duidt eveneens op het ooit aanwezige spelelement.
Huizinga geeft enkele fraaie voorbeelden van oorlogvoering in de feodale tijden van weleer, zowel in Europa als in China en Japan.
Oorlog was toen nog een ‘wedkamp’. In zijn boek gebruikt hij het Oudgriekse woord agon (strijd, wedstrijd of rivaliteit), en gaat uit van de overtuiging dat “de agon in zich steeds spelkarakter draagt”.
Bij hem lezen we ook dat vóór de ‘totale krijg’ de oorlogstoestand uitdrukkelijk onderscheiden werd van zowel de vredestijd als misdadig geweld.
Men kan zich, in alle ernst, afvragen in hoeverre diverse oorlogen van dit moment in laatstgenoemde categorie thuishoren. Is wat de Russen doen met Oekraïne, wat de Israëli's doen met Gaza, iets anders dan misdadig geweld?
Oorlog en vrede; of, Oorlog en oorlog?
In tegenstelling tot het uitdrukkelijk onderscheid tussen oorlog, vrede en misdadig geweld, schrijft Jaap dat oorlog en ‘vrede-in-civilisatie’ aan elkaar gelijk zijn: beide noemt hij roofmoord.
Sterker nog, hij herhaalt dat 'wij' in onze democratie verkeren in een staat van onophoudelijke burgeroorlog.
Wat roofmoord betreft: volgens Huizinga zijn rooftochten en uitmoording niet-agonale vormen van vechten. Dat betekent dat ze niets van doen hebben met een wedkamp, en dus ook geen spelkarakter in zich dragen.
Wellicht retorisch, maar toch, zijn hedendaagse leiders als Poetin, Netanyahu, maar ook Trump, aan iets anders bezig dan aan een 'permanente roofmoordtocht'?
Schietschijven en loopgraven
De “totale oorlog” nam een aanvang met de Eerste Wereldoorlog.
De Tweede Wereldoorlog, zo schreef Jaap, hief het onderscheid op tussen burgers en militairen “voor wat betreft de bruikbaarheid als schietschijf”.
Onvermeld laat hij dat W.O. I vooral een ‘loopgravenoorlog’ was. Zodoende waren het hoofdzakelijk soldaten die sneuvelden.
Je kunt je afvragen in hoeverre de loopgraven, als plaats van handeling in ‘De Grote Oorlog’, nog enigszins gezien kunnen worden als een arena, een afgebakend strijdperk. Zou zó beschouwd, nog enigszins sprake kunnen zijn van een agonaal element?
Waarschijnlijk niet. Aannemelijk lijkt dat loopgraven niet vanwege een wederzijdse afspraak op het strijdtoneel verschijnen. In W.O. I net zo min als in andere oorlogen. Denk ook aan de loopgraven in Oekraïne vandaag de dag.
Al met al...
had Huizinga maar wat gelijk met "De wil om te overwinnen is steeds sterker dan de door het eergevoel opgelegde zelfbeperking", en zijn bewering dat "de menselijke boosheid telkens weer vrij spel krijgt, en zich alles veroorlooft, wat het vernuft uitdenken kan".
Ondanks het, vooral ná W.O. II, vaak gehoorde "(dit) nooit meer" (Dresden, Hiroshima, Auschwitz), kunnen we gerust stellen dat 'Never again' een holle frase is (Aleppo, Srebrenica, Gaza).
Om het met de woorden van zijn zoon te zeggen: "Zo schreed de beschaving voort"
*
.
*) Leonhard Huizinga was de zoon van Johan Huizinga. Feitelijk gebruik ik hier de titel van een van zijn boeken. Hij was overigens vooral bekend vanwege zijn 'Adriaan en Olivier'-boeken.
Toch bestaan er, naast een spel als Stratego, ook onderzoeksmethoden die misschien een spel lijken te zijn, maar kwalijke handelingen zijn, zoals de elektrische schokken, die studenten de kans gaven om te zien hoe ver ze een ander pijn konden en wilden doen.
En dierproeven. Spel of bewust het kwade gebruiken, om te zien of iets werkt.
Waarschijnlijk doet Trump het ook zo…
Speels en inzichtgevend als Huizinga zelf. Doet mij ook denken aan dat veel van onze/mijn waarden en schoonheidsidealen ook terugvoeren naar de Middeleeuwen.
Bij oorlogsvoering stond ik daar nog niet bij stil, al dacht ik als mijn generatiegenoten ook nooit graag aan oorlog.